Het culturele ondernemerschap

Kunst van de economie tegenover economie van de kunst

Binnenkort keert het Fonds voor de Letteren geen additionele honoraria meer uit aan schrijvers en vertalers. Dat zal invloed hebben op het culturele ondernemerschap dat staatssecretaris Van der Ploeg zo graag van hen wil zien.

Een maand geleden is een van de beste literaire vertalers van Nederland in dienst getreden bij de Neder land sche Bank. Daar buigt hij zich zesendertig uur per week over financieel- en sociaal-economische schrijfsels die vertaling behoeven. Het is, zegt hij, even wennen na al die Nabo kovs, maar stipt op de vijfentwintigste van elke maand staat er nu een bedrag op zijn rekening dat het honorarium van vier maanden noest vertalen overtreft. Het vooruitzicht dat het Fonds voor de Letteren binnenkort geen additionele honoraria meer uitkeert, heeft zeker bijgedragen aan zijn beroepsmetamorfose. Maar ook anderszins gaf het Fonds hem geen bestaansgarantie; zijn laatste aanvraag van een projectbeurs werd pas na maanden wach ten gehonoreerd, en telkens weer was het zelfs voor de Nijhoffprijs-winnaar onzeker of het nieuw te vertalen boek wel literair genoeg zou worden bevonden voor subsidie. Aan zoveel onzekerheid wilde hij zijn vrouw en kinderen niet langer blootstellen.

Let wel: het betreft hier de Thomas Rosenboom onder de literaire vertalers — een even harde als virtuoze werker, met een feilloos gevoel voor taalnuances en het juiste woord. Daarvan mogen nu bankiers en beursspecialisten genieten. Deze Nabokov-vertaler is niet de enige die uitweek naar een ander werkterrein. Elke collega die goed betaald voor een krant of bedrijf mag vertalen, ziet graag af van literaire opdrachten. De top van het literaire vertaaldom lijkt leeg te lopen, en een jonge garde ontbreekt. Het betaalt te weinig; bovendien is er sinds de opheffing van het Instituut voor Vertaalwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam geen serieuze scholing meer.

Dat ik Thomas Rosenboom noem is uiteraard geen toeval. Die is immers bij uitstek zo'n culturele ondernemer als Rick van der Ploeg voor ogen staat wanneer hij het heil van de kunsteneconomie rondbazuint. Hoge oplagen, elk boek een riante bekroning en daarbij ook nog schrijver pur sang. Dat de kunst van de economie dikwijls haaks staat op de economie van de kunst, is een hogere wijsheid die in Van der Ploegs nota’s ontbreekt. Rosenboom is het topje van een piramide die, qualitate qua, naar onderen toe minder sierlijk wordt. Toch is ook Rosenboom, met steun van het Fonds voor de Letteren, onderaan die piramide begonnen. Wie het hoogste punt wil halen moet nu eenmaal eerst een basis leggen.

In zijn nota’s legt Van der Ploeg die basis nadrukkelijk bij jonge en allochtone auteurs. Literaire beginners verdienen een makkelijker toegang tot subsidies, was zijn opdracht aan het Fonds voor de Letteren. Een open deur, zeker voor wie het letterenveld al langer verkent. In de jaren tachtig waren er debuutbeurzen voor schrijvers. Totdat het geld op was of, beter gezegd, zorgvuldiger besteed leek te kunnen worden. Een paar ministers later wordt de klok weer terugge draaid. En opnieuw betekent dat geen budgetverruiming, maar een financiële verschuiving. Ditmaal ten koste van onder meer het additioneel honorarium, dat voor vertalers en schrijvers een broodnodige aanvulling was op de minimale winst van hun royalty’s.

Het is mij een raadsel wat Rick van der Ploeg bedoelt met «culturele ondernemer» als het gaat om auteurs. Het laatste onderzoek dat in Tilburg naar de inkomenspositie van Nederlandse schrijvers en vertalers werd verricht, liet zien dat het ondernemerschap van deze beroepsgroep zich dikwijls op bijstandsniveau voltrekt. En auteurs die geen bijbaan of een beurs van het Fonds hebben, zitten vaak zelfs onder de armoegrens.

Hoe komen ze daar?

Een goed ondernemer stemt zijn aanbod af op de vraag. Dat geldt ook voor culturele ondernemers, maar de vraag naar hun producten is niet te vergelijken met de maatschappelijke behoefte aan bier, computers en betaalde seks. Een stripteasedanseres vangt voor een optreden meer dan Esther Jansma voor een lezing. Ook voor het cultureel establishment hebben Jansma en haar collega’s blijkbaar weinig marktwaarde

Op 25 januari volgend jaar, dat is op de landelijke Gedichtendag, wordt in De Balie een groot dichtersfestival gehouden. Dat internationale programma wordt ’s avonds afgesloten met een Dichtersmarathon waarop vierentwintig dichters ieder tien minuten eigen werk voordragen. De organisatie is in handen van de stichting Literaire Podia Amsterdam, een samenwerkingsverband van het John Adams Institute, The British Council, CREA, El Hizjra, het Goethe Instituut, Maison Descartes, de Openbare Bibliotheek Amsterdam, de Stichting Perdu, de School der Poëzie, De Rode Hoed en de Slaa. Samen zijn deze culturele instellingen goed voor een paar miljoen gulden subsidiebudget; maar welk honorarium bieden ze de kunstenmakers op hun Dichtersmarathon? «Het gaat om een korte voordracht», schreven ze onder meer aan Esther Jansma en K. Michel in hun uitnodigingsbrief. Een korte voordracht «waarvoor wij je een bescheiden vergoeding kunnen bieden van vijftig gulden aan boekenbonnen».

Zo minimaal is dus het maatschappelijk belang van het dichterschap. Zelfs op een festival dat de poëzie wil fêteren, zijn de makers van die poëzie een sluitpost van de begroting. De dichter is vier uur van huis, werpt zijn of haar parels in een met film en muzikale intermezzo’s verwend publiek, en keert huiswaarts met een tegoedbon die ontoereikend is voor de biografie van Gorter of de verzamelde verzen van Kopland.

Van royalty’s alleen kan geen dichter leven, en het leenrecht (de vergoeding voor uitlening van zijn bundels) is marginaal, te meer omdat de openbare bibliotheken amper poëzie inkopen. De inkomenspositie van proza-, essay-, toneel- en scenarioschrijvers is trouwens niet minder somber. De meeste auteurs zijn afhankelijk van andere inkomstenbronnen: een rijke partner, freelance reclamewerk, recensies of columns schrijven, of lesgeven op Schrijversvakschool ’t Colofon, die werk biedt aan zeker vijftig schrijvers. Maar — afgezien van die partner — ook dan is het zelden een vetpot. Niet iedere schrijver is geschikt voor het leuzenwerk. Recensies of columns leveren een beperkt bedrag per jaar en hetzelfde geldt voor ’t Colofon. En de door Van der Ploeg geroemde Stichting Schrijvers School Samenleving? Die is als podiumagent voor auteurs inderdaad onvolprezen, maar alleen voor kinderboekenschrijvers en succesprozaïsten een heuse inkomstenbron.

Zelfs als een auteur de kans van zijn leven krijgt, zoals ikzelf toen de Nederlandsche Bank mij vroeg om een gedicht voor het bankbiljet van tien gulden te schrijven, zelfs dan blijft het fortuin buiten bereik.

Inmiddels zijn ruim driehonderd miljoen tientjes met mijn IJsvogelvers verspreid, maar het honorarium was na belasting niet meer dan een maand huur en levensonderhoud. De ontwikkelingskosten van een nieuw bankbiljet schatte de Nederlandsche Bank op circa vier miljoen gulden. Mij leek dat een goed uitgangspunt voor een éénprocentsregeling, dus vroeg ik veertigduizend gulden. Maar de Nederlandsche Bank bood aanvankelijk niet meer dan drieduizend, was pas na drie weken bereid daar vijfduizend van te maken, en toen ik daarop reageerde met «dan doe ik het liever voor niks» kwam het eindbod van achtduizend gulden, te betalen in twee termijnen. Twee jaar later kocht dezelfde Bank een Mondriaan voor tachtig miljoen gulden.

Al even paradoxaal was het honorarium dat een frisdrankenfabrikant mij in diezelfde periode deed toekomen voor een kritische beschouwing van het jaarverslag. Het uurbedrag was de helft van mijn maandelijkse huur; ik waagde het dan ook niet om meer te declareren dan de anderhalf uur die het klusje in beslag nam. Een dag later al kreeg ik telefonisch opdracht om meer uren in rekening te brengen, «anders nemen ze je werk niet serieus».

Zo'n anekdote biedt een blik op de mogelijkheden van het ondernemerschap. Maar niet op de culturele variant daarvan, niet op het ondernemerschap van een auteur. Die variant wordt pijnlijk zichtbaar in de beroepspraktijk van een Nabokov- of Rushdie-vertaler. Die krijgt geen geld voor niet-gemaakte uren. Tweehonderdduizend woorden per jaar is hard werken, maar haalbaar. Per woord ontvangt een literair vertaler 11,1 cent. Per jaar levert dat dus iets meer dan 22.000 gulden omzet op. Wie harder werkt maakt daar misschien vijfentwintig- of zesentwintigduizend van, maar ook van die omzet rest, na aftrek van de belasting, sociale premies, ziektekostenverzekering, beroepskosten en oudedagsvoorziening, minder dan een bijstandsuitkering.

Een serieuze waardering van deze arbeidsintensieve werkzaamheden zou negentigduizend gulden vereisen. Het woordtarief zou dan 45 cent moeten zijn maar dat heeft consequenties voor de boekenprijs. De winkelprijs van een vertaalde roman is viermaal de kostprijs. Een boek van vijftigduizend woorden dat nu bij een oplage van tweeduizend exemplaren veertig gulden kost, zou bij zo'n billijk woordtarief 74 gulden moeten opbrengen. En voor uitgevers is die prijs vooralsnog taboe.

Met uitgevers hebben vertalers en schrijvers een haat-liefdeverhouding. Als literaire partners staan ze onverbrekelijk samen op de markt. Over de noodzaak van een vaste boekenprijs zijn ze het eens, maar niet altijd verlopen de onderhandelingen harmonisch. Het woordtarief voor vertalingen is een modeltarief waarvan door bonafide uitgevers slechts naar boven toe wordt afgeweken. De hoogte van dat tarief loopt echter al jarenlang achter op de overal elders toegepaste prijsindexering. Papierfabrikanten, drukkers, boekbinders en redacteuren zagen hun inkomen stijgen; vertalers moesten elk jaar weer een minimumverhoging van het woord tarief bevechten. En waar het om secundair auteursrecht gaat, moeten vertalers en schrijvers in deze tijd van nieuwe media steeds weer de strijd aangaan om billijke vergoeding voor het hergebruik van hun werk. De onmin tussen freelance-columnisten en het uitgeversconcern PCM betreft meer dan een discussie over procenten. Het gaat om principiële rechten van de auteur: economisch, maar ook moreel.

Met dit alles zijn schrijvers en vertalers krimpende kabouters die makkelijk zoekraken in het reuzenlabyrint van de mediagiganten. De schaalvergroting bij uitgevers en andere cultuurproducenten vergroot ook de kwetsbaarheid van de «makers». Een uitgeversconcern heeft een brede risicospreiding doordat het teksten van vele auteurs uitgeeft; een individueel auteur is afhankelijk van het maatschappelijk succes van zijn eigen, doorgaans beperkte oeuvre, en niet de schrijver maar de uitgever bepaalt hoe lang dat in de verkoop blijft.

In termen van economische macht is de één-op-één-relatie tussen auteur en uitgever dan ook onevenwichtig. Het opstellen van contracten is bovendien een steeds ingewikkelder specialisme geworden, en het lezen ervan niet minder. Dankzij de Stichting Rechtshulp Auteurs weten Nederlandse schrijvers en vertalers zich van juridische steun verzekerd, maar bij onderhandelingen blijven ze de zwakke partij. Om die reden heeft de Vereniging van Schrijvers en Vertalers er bij het ministerie van Justitie op aangedrongen om, net als in andere Europese landen, in de Auteurswet artikelen op te nemen die onredelijke contractvoorstellen ongeldig maken.

Maar zelfs als deze Auteurswetwijziging doorgaat zal niet elke auteur van zijn schrijfwerk kunnen leven. Alle idealen van Van der Ploeg ten spijt; het cultureel ondernemerschap van schrijvers en vertalers kan niet zonder subsidies. Het is dus goed dat het Fonds voor de Letteren (voor auteurs) en het Nederlands Literair Produktie- en Vertalingenfonds (voor uitgevers) bestaan. Maar wie die fondsen als staatssecretaris van Cultuur serieus wil nemen moet oplettend meerekenen en daarvan de consequenties trekken.

Van der Ploeg trekt hoogsteigen voren in het culturele landschap, maar echt boeren kan hij niet. IJs en weder dienende oogst een boer wat hij zaait — tenzij hij na twee maanden besluit dat het toch geen tarwe maar rogge moet worden. Van der Ploeg heeft wel iets van zo'n boerse weerhaan. Vooruitlopend op het preadvies van de Raad voor Cultuur schreef hij eind november 1999 aan elk van de Nederlandse cultuurfondsen een brief met vriendelijke, maar dwingende richtlijnen. Voor het Fonds voor de Letteren behelsde dit politieke verlanglijstje vooral: meer ruimte voor starters, ook uit culturele minderheden; een betere toerusting van auteurs voor het functioneren als zelfstandig ondernemer; de invoering van projectgebonden subsidies, toe te kennen op basis van een werkplan met bijbehorende begroting; en ondersteuning van literaire producties in gebarentaal.

Het Fonds voor de Letteren verwerkte deze wensen braaf in haar nieuwe beleidsplan, zond dat aan de staatssecretaris en de Raad voor Cultuur en kreeg, zij het met kritiek (onder meer op het afschaffen van de inkomenstoets), in mei van dit jaar groen licht. Er waren wat problemen met de financiering, maar de Raad adviseerde de staatssecretaris om bij uitbreiding van het cultuurbudget een extra subsidie van in het totaal zeven ton aan het Fonds te verstrekken. En inderdaad, er kwam veertig miljoen extra voor de kunsten — maar niets voor de letteren.

Van der Ploeg zaait enkel onrust, en zijn oogst is navenant. Als de Tweede Kamer hem niet dwingt om de subsidie voor het Fonds alsnog te verhogen, zit dat met een dik probleem. Debuutbeurzen, een intercultureel letterenbeleid en, iets minder nadrukkelijk, ondersteuning van literaire non-fictie stonden op het verlanglijstje van Van der Ploeg. Maar hij wil er geen geld aan spenderen dus moet het Fonds voor de Letteren deze wensen van het lijstje schrappen, tenzij het fondsbestuur besluit om elders uit het budget geld ervoor vrij te maken. Dat betekent echter vrijwel zeker oorlog met de auteurs, die de prijs daarvan moeten betalen.

In zijn wensbrief pleitte Van der Ploeg voor een redelijke verhouding tussen markt- en subsidie-inkomsten per literair project. Zijn voorstellen tot voorfinanciering van projecten in plaats van auteursbeurzen gingen, vond hij, echter niet samen met het additioneel honorarium, en op dat punt heeft het Fonds hem klakkeloos beloond. Met als gevolg de zoveelste paradox in het beleid van de economische bolleboos op Cultuur. Als geen ander subsidiemiddel was het additioneel honorarium immers een redelijk instrument om de marktpositie van een auteur te versterken. En dat gebeurde per project.

Het wegvallen van zowel het additioneel honorarium als de vertrouwde werkbeurzen maakt de sociaal-economische toekomst van schrijvers en vertalers onzekerder dan die uit zichzelf al is. Van der Ploeg wil graag dat de Nederlandse auteur zich gedraagt als een cultureel ondernemer, maar frustreert intussen dat ondernemerschap door modieuze oekazes aan het fonds dat bijdraagt tot een beter inkomen van literaire vertalers en schrijvers

De ware tragiek is dat niet alleen de schrijverswereld in de Cultuurnota 2001-2004 wordt gefnuikt. Op het gezamenlijke finan ciële wensenpakket van de fondsen die kunstenaars ondersteunen, werd door de Raad voor Cultuur al ruim zes miljoen gulden gekort. De staatssecretaris weigerde daarenboven nog eens de toekenning van ruim elf miljoen die de Raad wel honoreerde, waaronder de zeven ton voor het Fonds voor de Letteren. In een land waar herhaaldelijk meevallers van miljoenen tot een paar miljard in de schatkist vallen, is de kunstenaar een stiefkind. Van der Ploeg besteedt zijn veertig miljoen extra liever aan cultuurproducerende instellingen dan aan ondersteunende. Alsof het Fonds voor de Letteren niet bijdraagt aan een productie die jaarlijks meer variatie biedt dan het repertoire van het Concertgebouworkest in een halve eeuw.