Op zoek naar een vernieuwde visie op kunst

Kunst voor de échte Nederlander

In haar gevecht tegen het verwijt elitair te zijn maakt de kunstwereld rare sprongen. Zo sloot het Gemeentemuseum Den Haag een verbond met voetbalclub ADO. Het publiek wordt onderschat.

ZOUDEN ER MEER landen zijn met een vereniging die ‘opkomt voor de belangen van alle cultuurliefhebbers’? Het zou mij niet verbazen als Nederland opnieuw koploper is. Dat waren we jarenlang met een kunst- en cultuurbeleid dat internationaal als voorbeeld gold. En dat zijn we weer met de radicale afbraak daarvan. Er valt dus wel wat te verdedigen. Maar wie de website van het vorig jaar opgerichte Publiek bezoekt, ziet dat de cultuurliefhebbersvereniging weliswaar de 'buitenproportionele bezuinigingen op cultuur’ afkeurt, maar bovenal een appeltje te schillen heeft met de kunstsector zelf. Die is, zo lezen wij in de geselecteerde persberichten, verslaafd aan subsidie, beneveld door de eigen prietpraat en te arrogant om te doen wat ze volgens de oprichters zou moeten doen: 'de consument meer invloed geven op het gesubsidieerde culturele aanbod’.
De PVDA-fractie van de Eindhovense gemeenteraad formuleerde het onlangs anders, maar de strekking was hetzelfde. Het Van Abbemuseum, vond de fractie, 'toont te veel voorhoedekunst’ en 'het hooggeëerd publiek voelt zich er al lang niet meer hooggeëerd’. Het museum moet 'minder elitair’ worden. Dan zullen de bezoekersaantallen snel verdubbelen.
Nu is de kunstwereld wel vaker verweten elitair, zelfgenoegzaam en incestueus te zijn, ook vanuit de eigen kring. Maar ik denk dat als kunstenaar Thomas Hirschhorn nu ergens op een muur in een Nederlandse volkswijk zou schrijven dat 'de kunstwereld bestaat uit arrogante klootzakken’, zoals hij in 2002 deed tijdens Documenta in Kassel, hij meer bijval zou krijgen dan hij ooit had gedacht, én gewenst.Want dat is de grootste schok die de kunstsector nu moet verwerken: de meerderheid van de Nederlandse bevolking juicht de bezuinigingen op de kunsten toe. Protestacties als de bezetting van het Rijksmuseum, de Mars der Beschaving en de demonstratie op het Malieveld riepen in brede kring hoon op. Het beeld van kunst en kunstenaars is zelfs zo negatief dat de directeur van Museum Boijmans Van Beuningen publiekelijk liet weten daar bij zijn sponsorwerving ernstig hinder van te ondervinden.
Toch is ruimschoots bekend dat er vele malen meer Nederlanders naar tentoonstellingen, theatervoorstellingen en concerten gaan dan naar het zwaar aan gemeenschapsgeld verslaafde betaald voetbal. Kijk alleen al naar het Stedelijk Museum in Amsterdam. Hoewel dat bepaald niet bekendstaat om zijn concessies aan het publiek, wist het in de flitstijd dat het weer open was 223.000 bezoekers te trekken. Stel je die massa voor. Bedenk dan ook nog dat, in weerwil van wat enkele kunsteconomen beweren, in geen enkele maatschappelijke sector door zo veel mensen zo veel niet en slecht betaald werk wordt verricht als in de kunstsector, en je vraagt je af waar de pijn wérkelijk zit.
Overal, vrees ik. Want in het grote lijf dat samenleving heet, is gaandeweg in alle ledematen en organen een teleurstelling geslopen die zo grondig woekert dat ze nu als bitterheid naar buiten komt. Je kunt geen krant openslaan of daar zijn ze: de politici zonder geloofwaardigheid, de topmanagers zonder moraal, het onderwijs zonder rekenen en schrijven, de rechters zonder strenge straffen, de verpleeghuizen zonder verplegers, de buren zonder hart. Waar je ook kijkt, de stemming is die van een afbraaktijd, zonder uitzicht op nieuwe glorie.
Dat scherpt onze gevoeligheid voor hen die zich op welk gebied dan ook opwerpen als autoriteit of deskundige. Wat zijn hun beweringen en beloftes werkelijk waard? Waar liggen deze keer hun misrekeningen, hun persoonlijke belangen, hun potentiële schandalen? Het wantrouwen zit zo diep dat er een nieuwe revolutie uit is voortgekomen: de hyperdemocratiseringsrevolutie. Met op de barricade de getwitterde en gefacebookte mening van mij, van jou, van iedereen. En hoe veelkoppig die mening ook is, één ding zegt ze met één stem: weg met de oude betwetersklasse, de nieuwe autoriteit, dat zijn Wij.
Maar hoe komt het nu dat de kunst, die toch bij zo veel revoluties voorop heeft gelopen, precies deze lijkt te hebben gemist? Die vraag knijpt temeer als je bedenkt dat in de afgelopen halve eeuw een belangrijk deel van de kunstontwikkeling zich juist in de richting van de hyperdemocratisering heeft bewogen. Denk alleen al aan Willem de Ridder, in de jaren zestig lid van de anti-autoritaire Fluxus-beweging. Hij zette, toen de nieuwe wereld van blog en twitter nog lang niet in zicht was, als eerste een blad op, Finger, dat helemaal was volgeschreven door de lezers. Of lees het boek Hallo medemens! van Margot van Schayk over de geschiedenis van Het Werkteater. Wat blijkt? Het acteursgezelschap richtte zich al in de jaren zeventig op de belevingswereld van wat het boek zonder ironie 'de échte Nederlander’ noemt. In de jaren tachtig en negentig werd de lijn doorgetrokken met een overweldigende hoeveelheid kunst die, onder meer onder de noemer Relational Art, scherp aanstuurde op betrokkenheid van het publiek. Ook in de jaren daarna is het begrip 'maatschappelijke relevantie’ geen moment uit de kunstdiscussie verdwenen geweest. Toch beweert de directeur van Publiek dat de kunstsector de afgelopen decennia voornamelijk bezig is geweest met 'doen wat je fijn vindt’, zonder zich erom te bekommeren of er nu veel of weinig publiek kwam. Onzin dus?
Laat ik mij, op zoek naar een antwoord, beperken tot het terrein van de beeldende kunst. Niet alleen ken ik dat het beste, maar ik denk ook dat van alle kunsten de machtsverhoudingen daar het meest uitgesproken zijn. Want uiteindelijk draait ook in deze kwestie alles om macht en de bijbehorende eeuwige strijd. Die strijd draait om een kardinale vraag: wie bepaalt wat belangrijke kunst is, hoe gebeurt dat en waarom?

WE REIZEN af naar Maastricht voor Extended Drawing, afscheidstentoonstelling van Alexander van Grevenstein, 25 jaar directeur van het Bonnefantenmuseum. Zaal na zaal zien we reusachtige op de tekenkunst gebaseerde kunstwerken van vier favorieten van Van Grevenstein: LeWitt, Mangold, Naumann, Serra. Ieder van hen is al lang geleden roemvol bijgeschreven in de kunstgeschiedenis en hun werk scoort gierende prijzen op de kunstmarkt, maar de scheidende directeur dicht ze opnieuw een voortrekkersrol toe. Alle vier, schrijft hij in een tentoonstellingspublicatie, 'zuiveren zij de kunst van sentimentaliteit, commercie en oppervlakkigheid’. Daarbij hebben zij 'consequent de tekening opgezocht in hun poging kunst te ontdoen van makkelijke (valse) sentimentaliteit en een overgewaardeerde subjectiviteit’. Boodschap begrepen: we moeten opnieuw strijd leveren voor de échte kunst. In de ogen van Van Grevenstein is dat kunst die niet begrepen kan worden in de taal van de tegenwoordige wereld, want die staat stijf van de oppervlakkige en subjectieve mening van iedereen. De ware kunst ontstijgt daaraan doordat ze maar aan één taal haar betekenis ontleent: de taal van lijn, kleur, vorm en vlak, oftewel de taal van de kunst zelf.
Ik heb geen goed nieuws: niks voortrekkersrol. Weliswaar is de enig juiste kunst mede door het kolossale formaat overweldigend present en tegelijk wonderbaarlijk sereen, dus blijven zal ze wel. Maar de bijbehorende modernistische kunstopvatting, die onder meer 'een paradox [ziet] tussen wat er is en wat er niet is’, is al jaren geleden versmolten met het verduisterende taalgebruik van de kunsthandel. 'Zuivere’ kunst, weten we ondertussen, bestaat niet. Ze is een mythe die moet verhullen dat de levenslijn van kunst niet losstaat van de culturele smaak die in een bepaald tijdperk de boventoon voert. Of en hoe een kunstwerk die trends overleeft, is een ander verhaal.
Maar wie of wat bepaalt de culturele smaak van een tijd? In de internationale kunstwereld was het tot de jaren tachtig redelijk te overzien: kunstenaars, museumdirecteuren, critici en galeriehouders vormden met elkaar een krachtenveld van opvattingen, intuïties en theorieën waaruit een zekere consensus voortkwam. Voor een korte periode meestal, maar lang genoeg om algemeen de indruk te wekken dat een bepaald soort kunst ongewoon dicht op de woelingen van de tijd zat, zonder erin onder te gaan. Zo werkt het niet meer. De kunstwereld is, onder de heerschappij van een geldspuwende en -verslindende kunstmarkt, het speelveld geworden van een oppermachtige globale financiële bovenklasse. En die duwt met haar megacollecties en privé-musea een beeld naar voren dat haar het best past: kunst als een trofee die het succes, de macht en de weelde van haar bezitter maatschappelijk en cultureel onderstreept en bezegelt.
Daarmee is niet gezegd dat dure kunst niet deugt. Een schilderij van Marlene Dumas of een sculptuur van Mark Manders wordt niet opeens slechter als de prijs op de markt explodeert. Beter trouwens ook niet, maar een gouden rand geeft aan het kunstwerk én de koper wel een sensationele allure. Die resoneert mee in het applaus dat op kunstveilingen opklinkt als wéér een recordprijs wordt geboekt.

EEN SENSATIONELE ERVARING verbindt, dat wisten ze vóór de Romeinen al. Een gevoel met vele anderen delen stelt ons gerust, paradoxaal genoeg vooral wanneer dat gevoel opwindend is. Ik wil niet beweren dat sensationele gevoelens onze samenleving bij elkaar houden, maar ze zijn er wel een essentieel onderdeel van geworden, waarmee doelgericht wordt gemanipuleerd. Dat heeft zijn weerslag op ons idee van cultuur. De kunst van de geldelite mag dan wel horen bij een geldvoorraad en een levensstandaard waar de doorsneeburger niet eens van droomt, de sensationele smaak en opsmuk maken de afstand tussen beide weer overbrugbaar, ongeveer zoals De Telegraaf alle sociale klassen aan elkaar lijmt. Volgens filosoof Boris Groys zijn megacollectioneurs op die schijnbare overeenkomst gespitst. Niet toevallig, zegt hij, hebben zij een voorkeur voor kunst die dicht bij de belevingswereld van de 'gewone man’ staat. Aan deze druk bejaagde consument hebben zij immers hun rijkdom te danken. Als grote ondernemers beseffen zij heel goed dat zij hem niet te veel van zich moeten vervreemden.
Heeft de Nederlandse kunstwereld dat besef gemist? Niet het Van Abbemuseum, waar directeur Charles Esche een paar dagen na het geweerschot van de Eindhovense PVDA-fractie triomfantelijk kon zwaaien met de Prinses Margriet Award. Hij kreeg hem van de European Cultural Foundation voor de vernieuwende wijze waarop hij van het museum een publieke ruimte maakt en het accent legt op 'de kracht en waarde van kunst in relatie tot de hedendaagse wereld’. Voor Esche, die zich nationaal en internationaal in precies deze termen als voortrekker profileert, kon de revanche niet zoeter zijn. In een filmpje op de museumsite zegt hij: 'Een museum moet nadenken over de relatie die het heeft met de samenleving.’ Of: 'De inbreng van het publiek draagt bij aan een beter begrip van de wereld in het algemeen.’ En inderdaad, publieksactiviteiten in overvloed: 'museumlessen op maat’, een kinderkunstclub, een Vanabbemuseumschoolbus, een kwartaaluitgave met de wervende titel Radically Yours! Daar blijft het niet bij: de tentoonstellingsreeks waarmee het Van Abbe zijn 75ste verjaardag viert, VANUIT HIER - OUT OF HERE, is ook nog eens een hommage aan Eindhoven als muze.
Hoe diep de directeur buigt voor de stad zag ik bij een bezoek op een rustige vrijdagmiddag. Waarom, zo vroeg ik mij af, zijn kunstenaars als Matt Mullican, Hans Haacke en Rodney Graham in één zaal bij elkaar gebracht? Inhoudelijk, esthetisch of kunsthistorisch hebben ze niets met elkaar te maken. Geen idee ook waarom uit de wereldberoemde collectie van het museum gekozen is voor de onverstaanbare video’s van Gerard Byrne of de kermisattractie met rijdende biggetjes van Jason Rhoades. Pas toen ik de in het vertrouwde cryptische jargon opgestelde tekstkaartjes las, ging het licht aan: ieder van hen heeft ooit iets te doen gehad met Eindhoven!
Maar het Van Abbe is toch geen provinciaal museum? Nog niet nee, sterker nog, onder het directoraat van Esche is het tot de nieuwe avant-garde gaan behoren: de avant-garde van curatoren. Dit netwerk van internationaal opererende tentoonstellingsmakers keert zich tegen de commercie en oppervlakkigheid van de kunstmarkt met thematentoonstellingen die vaak lokale politieke en sociale geschiedenissen aan een soort cultureel globalisme verbinden. Het activistische Van Abbe stuwt nu dus ook Eindhoven op in de vaart der volkeren. Tragisch alleen dat de stad zelf er geen boodschap aan heeft. Het makkelijkste is om het politieke klimaat daarvan de schuld te geven. Maar laten we een stap verder gaan en ons afvragen of deze kortsluiting, die zo duidelijk symptomatisch is, niet ook bij de kunstwereld zelf zit. Zou het kunnen dat de teleurstelling die ons land nu zo zwartgallig maakt, zich zo scherp uitstort over de gesubsidieerde culturele infrastructuur omdat juist daar een grootse belofte is gedaan? De belofte dat de vernieuwingen en experimenten van de avant-gardes ons een nieuw, fijngevoelig bewustzijn van onszelf en de wereld zouden geven? Wie gelooft dat nog buiten de kunstwereld zelf?
En ook daar wankelt het geloof. Onlangs organiseerde De Appel in Amsterdam een tentoonstelling onder de titel: Iedereen kan alles!? Genie zonder talent. De onderliggende vraag was wat begrippen als amateur en professional, leek en specialist in de beeldende kunst nog betekenen. Want, schrijft directeur Ann Demeester, 'de burger is mondiger en wereldwijzer geworden. Hij of zij wil participeren en eigen keuzes maken in plaats van blind te vertrouwen op de opinies en ideeën die uitgedragen worden door gezaghebbende personen of instituten.’ Ter bevordering van de participatie kon de bezoeker bij ieder kunstwerk aan de hand van een vragenlijst zijn eigen gedachten opmaken.
Hoe ver de gezagscrisis reikt, zagen we deze zomer in het Italiaanse paviljoen van de Biënnale van Venetië. Daar had de curator tweehonderd Italiaanse burgers hun favoriete kunstenaar laten kiezen. Ik ben natuurlijk een specialist, dus grote kans dat mijn mening geen enkele waarde heeft, maar ik zag er een zo bizarre grabbelton van professionele en amateuristische kunst en kitsch dat ik maar één conclusie had: de cultuur van Italië is Silvio Berlusconi voorbij.
En wij? Zijn wij Halbe Zijlstra voorbij? Ik las in de krant dat het Gemeentemuseum Den Haag en voetbalclub ADO een samenwerkingsverbond hebben gesloten als 'maatschappelijke partners’. Het doel is 'dat elk kind minimaal één keer in zijn jeugd in het Gemeentemuseum en bij ADO in Den Haag is geweest’. De bonus is een poster van ADO’s selectieploeg, gefotografeerd voor Mondriaans Victory Boogie Woogie.
Wat zou dat kind over 25 jaar hiervan nog herkennen? Ik zou graag zeggen de Victory Boogie Woogie. Maar hoe groot is die kans als zelfs het museum doet alsof kunst en voetbal vergelijkbare grootheden zijn?
Weet u wat ik denk? Ik denk dat het publiek verschrikkelijk wordt onderschat. Kijk hoe massaal het naar kunstevenementen trekt, en hoe gretig het de tekstborden leest of naar de koptelefoon luistert. Wat betekent dit anders dan dat er honger is naar beelden die een ander, niet door economische en politieke belangen gemanipuleerd zicht bieden op wat ons werkelijk beweegt? En in welke richting dat gaat, of zou kunnen gaan? Al die mensen weten best dat kunst geen enkelvoudige antwoorden kan geven. Zo wereldwijs zijn ze wel geworden, en de kunst heeft daar vast en zeker aan bijgedragen.
Hoogste tijd dus om te oogsten en kunst naar het midden van de samenleving te brengen. Maar wel op manieren die daar ook begrepen en gewaardeerd worden. Daar zijn creatieve ideeën voor nodig die met marketing te maken hebben, maar niet minder met een vernieuwende visie op de kunst zelf. Ik doe een voorstel: laat kunst zien in samenhang met de bronnen waar ze uit put: andere kunstvormen, wetenschap, technologische ontwikkelingen, allerlei aspecten van onze cultuur en deze tijd, maar ook van andere culturen en andere tijden. En doe dat met de ingrediënten van wat ooit autoriteit heette: kennis, visie en overtuiging. Anders gelooft niemand je.
Edmund Burke zei het ooit zo mooi: 'De maatschappij is niet alleen een samenwerking van de levenden, maar van de levenden, de overledenen en de nog niet geborenen.’ De maatschappij is een kunstwerk.