Interview met Ann Demeester

Kunst voor Dummies

Sinds april 2006 is Ann Demeester directeur van kunsteninstituut De Appel. Een gesprek over haar beleid, het Nederlandse kunstsysteem en jonge kunstenaars.

Ann Demeester is in de Nederlandse kunstwereld een graag geziene gast. Ze is charmant, belezen, neemt geen blad voor de mond. Haar commentaar is welkom: het Nederlandse kunstklimaat lijkt immers in een impasse te verkeren. Kunstinstellingen twijfelen openlijk aan het nut van subsidies, politici waarderen kunst vooral als middel om maatschappelijke doelen te bereiken. Demeester schroomt niet om zich in de discussie te mengen. Wie haar geschiedenis een beetje kent is niet verbaasd over de strekking van haar betoog.
Demeester heeft een opvallende manier van formuleren. Ze schakelt met gemak van het ene onderwerp naar het andere, bijna alsof ze moeite heeft om op één ding te focussen. Op vragen antwoordt ze regelmatig met ja én nee. Soms verbetert ze zichzelf – ‘Ik probeer nu niet ja of nee te zeggen en toch duidelijk te zijn’ – om weer te vervolgen met: ‘Het is een complex issue waarin je niet zomaar zwart of wit kunt denken.’ Dan praat ze over de cultuurpolitiek – ‘Ik heb veel moeite met de retoriek van de pvda over kunst’ – om in een moeite door naar het marketingbeleid van musea te gaan: ‘Je kunt wel voor een keer Joan Collins uitnodigen, zoals het Groninger Museum deed, maar de vraag is of al die mensen ooit weer terug komen.’ Ze plaatst graag ontwikkelingen in een groter kader. Onderwijs, bijvoorbeeld.

Demeester – felrode lippenstift en een bril met modern zwart montuur – glimlacht verontschuldigend. ‘Ik kom van de Belgische kust’, zegt ze. ‘Bij ons thuis werd niets aan cultuur gedaan. Er stonden twee Konsaliks in de kast en een biografie van Pieter Bruegel.’ Ze zocht haar heil in de bibliotheek en uit verveling kwam ze in contact met beeldende kunst.
Tijdens een vakantie raakte ze verzeild in een museum. Omdat de zon en het sportieve strandleven niet aan haar waren besteed ging ze kijken naar een tentoonstelling van Matisse. Dat was haar eerste kennismaking met de hedendaagse kunst en ze kan zich de tentoonstelling nog steeds voor de geest halen. Op de middelbare school kreeg ze het vak esthetica: ‘Die leraar kon nou echt grote verbanden leggen. Hij wist hoe je een verhaal moest vertellen. Iemand moet de context kunnen aangeven.’ Voor Demeester staat het vast dat onderwijs niet alleen moet bestaan uit het leren van feiten. Ze heeft de indruk dat in Nederland te veel nadruk gelegd wordt op die feiten, terwijl het de leraren moeten zijn die verbanden en oorzaken uitleggen. In haar contacten met jonge Hollandse kunstenaars is het haar ook opgevallen.
Ann Demeester: ‘Velen kennen de grote referenties niet. Daardoor kunnen ze zich niet goed verhouden met de geschiedenis maar ook niet met wat er nu speelt.’
Haar lenigheid van geest en haar vermogen om verrassend te analyseren doen denken aan Jan Hoet, de charismatische museumdirecteur uit Gent. Demeester noemt hem haar grote voorbeeld. Niet alleen in zijn denken over kunst maar ook in zijn wil om zo veel mogelijk mensen te bereiken: ‘Hij leidde het liefst zelf groepen mensen rond in zijn museum. Dat ging van de lokale bowlingclub in Lier tot een clubje curatoren uit New York.’ Als ze over het publieksbereik praat, zucht en glimlacht ze tegelijkertijd, en zegt ironisch: ‘Ik noem mezelf soms wel een ambassadrice van de beeldende kunst.’
In de eerste plaats wil ze af van de soms wel erg negatieve houding die ze in Nederland aantreft als het over beeldende kunst gaat: ‘Het is altijd zo van: “Moeten we dáár nu geld aan geven?” en “Ik begrijp er toch niets van.” We leven toch in een beeldcultuur. Alles is visueel. Toch worden we nog steeds tekstueel opgevoed. Niemand die ons vertelt hoe je nu eigenlijk een beeld leest. Of hoe je kunt herkennen dat er iets gemanipuleerd is of niet. Beeldende kunst heeft hierbij een meerwaarde. Het brengt een soort vertraging in, het dwingt mensen om over beelden na te denken en niet zomaar te consumeren.’
Haar buitenlandse kijk helpt om de Hollandse tijdgeest te verklaren. Onlangs zat ze in een accreditatiecommissie van de Rietveld Academie: ‘De Rietveld heeft een geschiedenis waarin authenticiteit centraal stond. Dat is natuurlijk veranderd, maar ik proefde nog steeds een ondertoon in de discussies die we voerden dat kennis niet noodzakelijk is. Daar ben ik het niet mee eens. Ik vind dat je in een opleiding voor kunstenaars vooral basisinstrumenten moet aanreiken, zoals kunstfilosofie en kunstgeschiedenis. De kunstenaar kan dan zelf bepalen wat bruikbaar is. Je kunt niet iets weggooien als je het niet hebt gekregen. Tot voor kort was je in Nederland een intellectueel als je drie boeken had gelezen. Misschien is mijn functie wel om te roepen dat theorie niet vies is.’
Over de kwaliteit van de Nederlandse jonge kunstenaars is ze duidelijk. Vaak wordt haar door buitenlandse curatoren gevraagd een lijstje te sturen met interessante Nederlandse kunstenaars. Met moeite komt ze dan tot hooguit drie namen. Nog moeilijker vindt ze het om daarvoor een verklaring te geven: ‘Misschien heeft het toch met de Nederlandse mentaliteit te maken. Waarom zijn jullie architectuur en design zo goed? Ik denk dat het met pragmatisme te maken heeft. Functioneel en oplossingsgericht, dat zit in jullie genen. En als je het extreem neemt – en nu nuanceer ik niet – dan zit er ook altijd een gimmick-gehalte in. Dat werkt wel in design, maar niet in beeldende kunst. Daar moet je geen leuke oplossingen vinden. Daar moet je iets zeggen.’

Ze is 32 jaar en werkt zo’n vijf jaar in Nederland. Voor De Appel was ze directeur van W139 in Amsterdam. Ze is aangenomen om de koers die de vorige directeur, Saskia Bos, vanaf 1984 voerde te wijzigen. Bos zette het instituut vooral internationaal op de kaart. Ze voerde een bijna journalistiek beleid, was goed op de hoogte van wat er internationaal speelde en haalde de laatste trends tijdig bij De Appel binnen. Toch lukte het haar niet altijd om aansluiting te vinden bij het Amsterdamse publiek. De Appel werd als ‘besloten’ ervaren. Van het bestuur kreeg Demeester de opdracht om wat aan dat imago te doen.
Als ze over haar eigen artistieke beleid praat komen de aarzeling en de wil om te nuanceren weer terug. Ze heeft plannen genoeg. Ze praat veel over manieren om nieuwe bezoekers te krijgen maar gruwt van de term ‘marketing’. Ze geeft als voorbeeld de tentoonstelling van de kunstenaar Stephan Shear. Deze Canadees is geïnteresseerd in black metal en jeugdcultuur. Via gerichte advertenties heeft De Appel geprobeerd om zo een nieuwe doelgroep te bereiken. ‘Het publiek is een onvoorspelbaar, veelkoppig dier en daar kun je niet zomaar marketingstrategieën op loslaten’, zegt ze beslist. Ze denkt aan een cursus voor beginners in de stijl van de _‘Opera for Dummies’-_boeken. Maar tegelijkertijd zegt ze met nadruk: ‘Niet alles hoeft voor iedereen toegankelijk te zijn en dat moet je ook niet willen. Er is niets mis met een soort elitarisme.’

Toch heeft ze niet zomaar een antwoord op de vraag wat De Appel nu anders doet dan bijvoorbeeld een galerie of een museum.
Ann Demeester: ‘Bij de eerste gaat het over het nu: wat is interessante koopwaar. Bij de laatste gaat het over de eeuwigheid: wat past bij het verhaal van de collectie. Ik wil daar ergens tussenin zitten.’ Het is een van de moeilijkste uitdagingen voor Demeester om zich anders te profileren dan een galerie. Zeker als ze een kunstenaar wil hebben die ‘hot’ is in het buitenland. Zoals Erik Parker, wiens schilderijen goed verkopen: ‘Bij Parker wil ik zijn kunst in een breder verband laten zien. Dus niet zijn werk als koopwaar getoond. Ik vind het belangrijk om met wat meer afstand naar zijn hele oeuvre te kijken. Als directeur ben ik iemand die allerlei signalen opvangt. Ik weet wat er in de wereld speelt en vervolgens laat ik me leiden door mijn persoonlijke intuïtie.’
In De Appel is werk te zien van twee van de vier genomineerden voor de Prix de Rome, Maartje Korstanje en Sung Hwan Kim. Demeester heeft niet in de jury gezeten. Ze laat zich niet gemakkelijk verleiden tot uitspraken over het werk. Liever praat ze over de mentaliteit van de jonge Nederlandse kunstenaar in vergelijking met de buitenlandse kunstenaar die in Nederland studeert: ‘Buitenlandse kunstenaars die hier naartoe komen zijn vaak heel ambitieus. Die willen echt wat. Je gaat jezelf niet uit je eigen context halen om vervolgens maar half je werk te doen. Degene die hier is opgegroeid heeft minder de drive om zichzelf te bewijzen in die veilige omgeving.’
Dan valt het gesprek even stil. Ze krijgt een ingeving: ‘Eigenlijk zou het nog niet zo gek zijn om de Prix de Rome weer de lading te geven die hij vroeger had. Dat degene die zou winnen naar Rome gestuurd zou worden. Weg van hier in ieder geval.’

Aan het eind van het gesprek vraagt ze of ze niet te negatief is geweest. Ze vindt dat er al genoeg geklaagd wordt: ‘Ik geloof in een positieve benadering. Met Witte de With en het Fonds van de Beeldende Kunst wil De Appel graag een nieuwe prijs voor de jonge kunstkritiek lanceren. Niet mopperen over zure eenzijdige recensies maar gewoon kwaliteit stimuleren.’
Dan is de tijd om. De volgende afspraak wacht en morgen moet ze weer op reis.
Wil je niet te veel? vraag ik tot slot.
‘Zo ben ik altijd geweest. Een cookie monster. Heel ongeduldig en liefst zo veel mogelijk tegelijkertijd. Dat kan ook, denk ik nu. Misschien geloof ik dat niet meer als ik veertig ben.’

In De Appel, Amsterdam: Prix de Rome_, tot 1 juli; Jonathan Meese, t/m 19 augustus; vanaf 14 juli:_ A for Alibi. www.deappel.nl
………………………………………………………………………………………………………………………………………
De paradox van de Prix de Rome

Op 26 juni wordt op het Binnenhof de Prix de Rome uitgereikt. Qua ervaring, herkomst en artistieke attitude zijn de onderlinge verschillen van de shortlist-kandidaten zeer groot – van een fris Zeeuws meisje, dat zichzelf graag vergeet in het ‘lekker bezig zijn’ met papier-maché [(Maartje Korstanje)](../../../2007/21/Prix_de_Rome_Maartje_Korstanje), tot een onthechte Koreaanse MIT-student (Sung Hwan Kim); van een ingetogen, introverte schilderes ([Claire Harvey](../../../2007/23/Prix_de_Rome_Claire_Harvey)) tot een kosmopolitische fotografe ([Viviane Sassen](../../../2007/22/Prix_de_Rome_Viviane_Sassen)).

De aarzeling die Ann Demeester hiernaast uit ten aanzien van de kwaliteit van de Nederlandse kunstenaars is begrijpelijk en relevant. Als Korstanje en Sassen indicatief zijn voor het Nederlandse niveau, dan schort er iets aan het systeem dat ze heeft voortgebracht. Dat systeem is rijk, gevarieerd, zorgzaam, inspirerend, maar van geen van beiden kan ik me voorstellen dat ze over twee jaar op de Biënnale van Venetië staan – laat staan dat ze daar indruk zouden maken. Dat kan ik me wél voorstellen van Sung Hwan Kim, die duidelijk de taal spreekt van de internationale kunstwereld.

Waarmee de Prix de Rome een paradox zichtbaar maakt: het Nederlandse kunstsysteem moet dringend op de helling, want het levert veel te weinig kwaliteit op; het Nederlandse kunstsysteem verdient waardering, want kunstenaars van internationale kwaliteit verdringen zich voor de poort.

KOEN KLEIJN