Paradise City Arts Festival

Kunst voor iedereen

Op het jaarlijkse Paradise City Arts Festival in Massachusetts vindt men een overweldigende variëteit aan dolzinnige objecten. Van opblaasbare boeddha’s tot levensgrote houten indianen in onderbroek. Hoogleraar kunst en samenleving Henk van Os bezocht het festival en vond een tweehonderd jaar oude Amerikaanse traditie in visuele grappen en grollen.

«Is dit jouw allereerste bezoek aan Paradise City Arts Festival? Dan nodigen we je uit om jezelf onder te dompelen in de ‘Paradise City Experience’, om te genieten van onze heel verschillende, hoogst originele en goed geschoolde exposanten om op zoek te gaan naar jouw eigen persoonlijke ontdekking, naar iets dat helemaal voor en van jou is.»

Aldus geschiedde. Op een zonnige zaterdag in Nort hampton, Massachusetts. Ik wandelde langs de oever van de Connecticut River op weg naar een gigantisch tentoonstellingsgebied. Tweehonderd stands vormen Paradise City. Er is van alles te zien. Sculpturen van hout, schilderijen met olie en waterverf, pastels, foto’s, maar ook grappige kuipjes en gevlochten mandjes. Uit de eettent klinkt vrolijke jazz in de stijl van Stan Getz. Er wordt daar veel gegeten door mensen die dat al veel te veel gedaan hebben. Allemachtig, wat zie ik veel superdikke mensen. «Horizontally handicapped» moet je hier zeggen. De stemming is genoeglijk tot uitbundig. We zijn er allemaal en we maken er een leuke middag van.

Voor iemand als ik, die kunst en samenleving doceert, is dit een prachtige gelegenheid om kennis te maken met de kunst van John with the Cap. Hier kun je zien wat Amerikanen van Fort Lauderdale, Florida tot Northampton, Massachusetts de moeite waard vinden. «Paradise City’s guest books told us that 20.000 visitors traveled from 23 states and 6 other countries to attend the Festival.» Educatieve tv-programma’s zijn overbodig. Als er maar folders worden verstuurd rukken vanzelf duizenden bezoekers uit. Zou dat in West-Europa ook zo zijn? Er is burgerlijk zelfvertrouwen voor nodig om zonder schaamte en vervuld van positieve gevoelens op pad te gaan naar wat onze kunstsociologen zonder aarzelen als een manifestatie van «low art» zouden brandmerken. Kunsthistorici en kunstcritici hebben helemaal geen woorden voor dit soort kunst, want die gaan niet naar zo'n plek waarvan de folder zegt: «The Paradise City Arts Festival has a vibrant soul that many similar exhibitions reach for but never attain.»

Om misverstanden te vermijden: langs de Connecticut River zijn geen zigeunerinnen met één blote borst geëxposeerd en evenmin nep-Murillo’s of van die geile pseudo-Renoirs. Hier tonen zelfverzekerde kunstenaars hun werk en ze zijn trots op hun eigen creativiteit. Ze zijn uitverkoren door een strenge jury. Hun prestaties worden door velen bewonderd. Alleen, geen museumdirecteur of internationaal gerenommeerde galeriehouder zou op het idee komen om in deze omgeving te gaan scouten. Of zouden ze het misschien «camp» vinden? Ik vermoed van niet. Daar heeft deze kunst weer te veel eigen pretentie voor. Het is kunst voor iedereen, en iedereen is hier voor de kunst in een wereld zonder snobs. Het is een feestelijke dag.

Al zijn er geen nep-Renoirs, er zijn wel allerlei derivaten. Bij de meubels, het glas, de sieraden en de dozen is veel neo-Jugendstil. In de rubriek «decorative fiber» kom je overal art deco van nu tegen. Dat kennen we uit winkeltjes in Nederland die zich meestal als «antiekzaakjes» profileren. Verder kun je hier veel foto’s verwachten van de Indian Summer in New England met hevig aangekleurde landschappen, en natuurlijke quilts. Heel veel quilts. Maar ik ben gekomen om me te laten verrassen. Verreweg de interessantste stands horen thuis in de rubrieken keramiek, sculptuur en gemengde technieken. Daar wacht je het onverwachte. Ongelooflijk veel creativiteit hebben de kunstenaars van dit festival geïnvesteerd in het bedenken van curieuze objecten. Een scheefgezakt huis heeft een beeldhouwwerk opgeleverd. Bomen lijken de tijd te kunnen aangeven, een kleurig autootje is om koekjes in te bewaren, een Jugendstilreliëf blijkt een saladeset te zijn en je kunt thee schenken uit iets dat lijkt op een mannetje met een eigenwijs hoedje. Sam Ostroff kreeg de prijs van de jury, omdat hij een imponerende concertvleugel van ijzer had gemaakt waarin een hoogtemeter is gemonteerd. «Stephan Cox of Wisconsin shapes hot glass into large sculptures, vases and perfume vials — all reminiscent of dramatic celestial starbursts.» Soms lijkt het alsof ik in een modern rariteitenkabinet rondloop, waar allemaal Klaasjes Oldenburg aan het werk zijn geweest, al of niet ondersteund door Coosjes van Bruggen.

Het lijdt geen twijfel of deze fascinatie voor «funny objects» is Amerikaans. Nederlanders zijn waarschijnlijk te veel aangetast door het functionalisme om dit soort lol op grote schaal te produceren. Vorm hoort functie te volgen. Dankzij Memphis, Mondini en Frans Haks is er wel veel meer kleur en vrolijkheid gekomen, maar dat heeft ten onzent geen aanleiding gegeven tot de overweldigende variëteit aan dolzinnige voorwerpen zoals die hier te zien is. Spullen om te lachen horen bij dit land. In Newfane Vt. zag ik voor een winkel met zogenaamde «antiques» een sculptuur van een halve hond. Alleen de achterkant is te zien. De voorkant is in de grond aan het graven. Leuk voor in de voortuin. Leuker dan de in kunstkringen gevierde benen van Robert Gober, die uit de muur steken. Overal waar je gaat, vind je hier dolle dingen. Gisteren nog zag ik twee meer dan levensgrote houten indianen in onderbroek langs de weg en een opblaasbare boeddha in een museum.

Veel van wat in Paradise City te zien is, valt onder een rubriek waarvoor onze oosterburen de even efficiënte als onvertaalbare term «gesunkenes Kulturgut» hebben bedacht. Jugendstil en art deco bijvoorbeeld zijn tegenwoordig beschikbaar voor de massa’s. Mondriaans van eigen vinding kun je kopen in de lijstenhandel en zijn schilderijen leveren de patronen voor douchegordijnen. De ontwerpers van sterspots maken gretig gebruik van de vondsten van avant-gardisten van vroeger en zo is er heel veel meer. Maar daarmee kun je de kunst van Paradise City niet afdoen. We weten dat zogenaamde grondleggers van het modernisme in de kunst als Gauguin, Picasso, Kandinsky, Kirchner en vele anderen hun bronnen van inspiratie vonden in volkskunst en zogenaamde primitieve kunst. Wie vernieuwen wilde, had rudimentaire kunst nodig. De kunst van boeren en verre buitenlui moest dienen als een fris tegenwicht voor de officiële kunst die hen verveelde. Courbet wilde een kunst met een nieuwe zin voor realiteit en daarom liet hij zich inspireren door volkse houtsneden en lithografieën. Toen vernieuwing van de kunst de belangrijkste norm werd voor artistieke productie kreeg gek genoeg de kunst van Jan met de Pet een nieuwe betekenis. Dat geldt voor Courbet, voor kubisten, voor expressionisten, surrealisten, voor wie niet.

Dat geldt zeker voor Amerika. De kunst van visuele grapjes is in dit land al twee eeuwen oud. Wie hier vernieuwing in de kunst wilde, verliet de Salon en ging scharrelen op de «tag sales» en in de schuren met «antiques». Daar is de ware «popart» nog steeds te vinden. Wie nu eens geen geglobaliseerde kunst wil zien in gelikte gale rieën maar een slagader van Amerikaanse creativiteit wil aanboren, gaat spoorslags naar het «Paradise City Arts Festival, including quality of exhibition and as one of the best shows to exhibit in nationwide».