Witte en zwarte scholieren op cultuurpad

Kunst voor kinderen

Vrijdag 21 maart vond de veertiende Amsterdamse Kunstschooldag plaats. Duizenden achtste-groepers gingen naar museum, dans, toneel en concert. Zo ook de eerste Montessorischool de Wielewaal uit Oud-Zuid en de Multatulischool uit het meer allochtone West.

De Multatulischool

«Juf, hoef ik die button niet op?»

«Jawel, iedereen moet een button op.»

«Ja maar ik doe hem zo onder mijn jas.»

«Wat is er? Wil jij niet? Ga jij je chickie zien? Iedereen moet een button op.»

Juf kan elk brutaaltje met woorden af, maar in de praktijk is alleen haar blik al voldoende. Het jongetje dat vandaag wordt weggestuurd omdat hij én heeft gevochten én zijn strafwerk niet heeft gemaakt, kijkt haar nauwelijks rechtstreeks aan. De imposante juf Muriël Mulder vraagt wie van haar negen prepubers vandaag haar lunchpakketje draagt. Als ze eenmaal op straat haar jas schikt, hoeft ze haar tas maar omhoog te houden of een kind schiet toe om die vast te houden.

Met Khalid, Yasin, Yassine, Esra, Kim, Fatma, Reyhan, Serhal en Mohammed als een groepje persoonlijke assistenten om zich heen, loopt ze groetend als een koningin door de buurt. Daar loopt haar dochter die het zo goed doet, en daar, wie is dat? Amicaal begroet ze een grote kerel en hoort tevreden dat hij op de hogeschool in Haarlem zit. «En ik heb een auto!» voegt hij eraan toe. Oud-leerlingetje.

Haar decor: hoogbouw met satellietschotels, vele huidskleuren, stereotiepe Marokkaanse jongetjes, groepjes vrouwen met hoofddoeken. Een van haar leerlingen vertelt dat hij volgend jaar naar het Hervormd Lyceum gaat — een goeie school en z’n broer zit er al op. Ze wijst op een ander en zegt dat hij gymnasiumadvies heeft. Juf Muriël is bepaald trots op haar pupillen.

De tram puilt uit van de schreeuwende kinderen. Op de eerste haltes wurmen telkens weer nieuwe groepjes zich een weg naar binnen, maar de pupillen van juf Muriël zijn rustig en klieren niet. «Kanker is niet lekker», zegt juf als iets «kanker-lekker» wordt genoemd. «Maar juf, dat is Amsterdáms», wordt haar uitgelegd.

In de Kleine Komedie treedt een stand up comedian op. Het is Hakim van Sesamstraat! Alle kinderen moeten hun telefoon uitdoen. Het merendeel van het publiek is allochtoon of heeft allochtone ouders, en dat betekent een extra mogelijkheid voor grappen. Hakim zit op een kistje met wat snaren en begint te trommelen. Spontaan klapt de zaal binnen enkele tellen zijn ritme mee. «Zo trommelen ze in Marokko», roept hij en de zaal joelt. «En zo in Algerije. En zo in Suriname.» Dan begint hij monotoon boem-boem boem-boem te drummen. «En zo trommelen ze in Nederland!» De zaal komt niet meer bij.

Hakim vertelt dat hij op televisie de oorlog heeft gezien en dat hij zelf een oorlogskindje was. Hij zegt: «Ik ben blij dat ik in Nederland leef waar het allemaal goed gaat.» In zijn show is de multiculturele samenleving een belangrijk onderwerp. Marokkanen, Turken, Chinezen en Hollanders worden geïmiteerd, tot hilariteit van de zaal. Hij krijgt de handen op elkaar als hij het verhaal van zijn grootvader doet: Arabische keelklanken met verstaanbaar de woorden Hoogovens, verblijfsvergunning, ziektewet, Gak, oprotpremie. «Het belangrijkste», zegt Hakim, «is grapjes vertellen over elkaar. Grapjes zijn altijd goed.»

De Multatulischool vond hem goed, Hakim, en gaat op weg naar het Verzetsmuseum. Daar figureert momenteel de tentoonstelling Brood jatten bij de buren, over hoe overbuurman Artis de Tweede Wereldoorlog doorstond. Samen met leerlingen van een andere school worden de pupillen van juf Muriël voorgelicht. Ze houden zich gedeisd, de andere school heeft het hoogste woord. Juf Muriël heeft met haar leerlingen afgesproken dat ze niet alles zullen verklappen. Ze heeft het namelijk al uitgebreid met ze over de Tweede Wereldoorlog gehad.

Weer buiten volgt dan eindelijk het hoogtepunt van de dag: McDonald’s, samen met nog tientallen schreeuwende kinderklassen. Bij de tramhalte voor discotheek Escape begint de juf een van haar jongens te sarren. «Daar ga jij straks ook dansen hè. En moet jouw meisje dan ook altijd thuis op de bank zitten? O, nee? Word jij een player? Goed, maar dan moet je het er wel bij zeggen tegen die meisjes. Mijn zoon is ook een player maar die zegt het er eerlijk bij.»

De dag wordt besloten met een bezoek aan de dansafdeling van de Theaterschool. Voor ze de zaal betreden, komt de oorlog nog ter sprake. Khalid is tegen Bush, die alles lijkt te doen voor de olie. Maar, erkent hij, het is een complexe situatie. Hij is op de hoogte van veel nuances en staat open voor de verschillende kanten van het verhaal. Yassine memoreert Saddams gifgasaanval op de Koerden in Noord-Irak. Dan moeten ze naar binnen om kennis te maken met dans en ballet. Buiten zegt een van de jochies over de verschillende dansvormen die net in kleine voorstellingen zijn opgevoerd: «Bij de tweede zat ook een lekkere.» (Sander Pleij)

De eerste Montessorischool

Honderden kinderen uit groep acht lopen op de ochtend van de Kunstschooldag door de zalen van het Rijksmuseum. Zo ook een groepje van de «witte» school de Wielewaal, de eerste Montessorischool uit het hart van Amsterdam-Zuid. Eén jongetje (met moeder) en enkele gisse meisjes (waaronder drie Sara’s) slaan zich een weg door ogenschijnlijk meer opgeschoten elfjarigen. Ze zijn ervan overtuigd dat ook de snelheid een rol speelt in de kunstzinnige speurtocht. Een jonge blonde juf met keurig brilletje houdt het groepje meisjes nauwelijks bij. Ze hoort het niet als een leerling van een andere school, een jong allochtoon mannetje met een vet accent, door de eregalerij galmt: «Nu begrijp ik waarom het hier rijksmuseum heet; het is hier gewoon stinkend rijk weet je!»

In het Wielewaal-groepje heeft iedereen al eens een museum van binnen gezien. Verbazing was er eigenlijk alleen bij het gigantische doek van Pieneman met de overwinning bij Waterloo, en volkomen onbegrip na de uitleg over de mogelijkheden het ding te vervoeren. Daarnaast is er bewondering voor de gigantische scheepsmodellen op de afdeling vaderlandse geschiedenis. De poppenhuizen en de Nachtwacht worden overgeslagen — die blijven voorbehouden aan andere groepjes.

Het toeval wil dat «Joost de suppoost», het stripfiguurtje dat in de gedaante van een zaalwachter de kinderen toelacht vanuit hun schriftjes, voor het Wielewaal-clubje louter portretten van vechtersbazen en gewelddadige voorstellingen heeft uitgezocht, twee dagen na het begin van de Amerikaanse invasie van Irak. David zegeviert over Goliath (en onthoofdt hem uiteindelijk op het reliëf van deze «bruidskist»); Hercules verslaat Antaeus (een prachtig beeldhouwwerk van Giambologna); portretten van Michiel de Ruyter, Willem de Zwijger en Jan van Speyk. De werken voeden het manicheïstisch wereldbeeld dat kinderen nu eenmaal eigen is. Er zijn goede geweldenaars en slechte. Geweld zelf is niet het probleem. Uit het commentaar van de groep blijkt dat Saddam Hoessein de grootste boef aller tijden is. Als Joost de suppoost de kinderen vraagt wat Hercules’ dertiende opdracht zou moeten zijn, antwoordt het grootste meisje, dat toevallig onlangs nog een spreekbeurt over de legendarisch geweldenaar heeft gehouden: «Hij zou in zijn eentje Saddam Hoessein moeten vangen.» Maar geheel bevangen door het wereldtoneel zijn de kinderen niet: unaniem wordt uiteindelijk besloten dat de grootste opgave voor Hercules zou zijn «om zelf een kind te baren».

Alleen voor het beroemde schilderij van Van Speyk wankelt het rechtvaardigheidsgevoel. Jacobus Schoemaker Doyer schilderde de Nederlandse officier als een knappe jongeling die op het punt staat een vaatje buskruit tot ontploffing te brengen, om zijn eigen schip met bemanning en enkele Belgen te laten exploderen. «Dus dat was eigenlijk een zelfmoordaanslag?» vraagt een van de meisjes vol afschuw. De uitleg in het boekje, «In Nederland vonden de mensen hem een echte held», is niet aan ze besteed. «Die Van Speyk was een terrorist!» En hup, snel naar het volgende kunstwerk. (Pieter van Os)