Kunstschatten van Irak bedreigd

Kunst voor olie

De oorlog bedreigt de kunstschatten van Irak. Amerikaanse handelaren hopen in een nieuw Irak op versoepeling van de wetgeving inzake export van kostbaarheden.

Gelukkig is er al veel meegenomen in koloniale tijden. Toch is de Unesco bezorgd dat de overgebleven kunstschatten van Irak vernietigd worden door bombardementen van de invasielegers en door plunderingen van Irakezen in de chaos na de val van het regime. De Britten en Amerikanen scheuren met hun tanks en vliegtuigen over de plek waar de wieg van de menselijke beschaving stond. Zo’n 5500 jaar geleden, lang voordat de Egyptenaren hun piramides bouwden en Homeros de Ilias dichtte, ontstonden in de delta tussen Eufraat en Tigris de eerste stedelijke woon gemeenschappen. Het wiel werd er uitgevonden, het schrift, de stad, staatsgestuurde oorlogvoering, de klassenmaatschappij, de wiskunde, de monarchie, astronomie, irrigatie, monumentale architectuur, geschreven wetten, asfalt, internationale handel et cetera. De Grieken noemden het land Mesopotamië, de inwoners noemden het achtereenvolgens Sumer, Akkad, Babylonië en Assyrië. De eerste elf hoofdstukken van Genesis spelen zich er af en de hangende tuinen van Babylon vormden een van de zeven wereldwonderen.

De angst van Unesco is gegrond. Televisiekijkers zagen nu al een gehavend museum in Tikrit. Maar dat is vooralsnog niets vergeleken met de vorige oorlog, toen sommige van de oudste steden van de mensheid in ruïnes van ruïnes veranderden. Het ging onder meer mis in de geboorteplaats van Abraham, Ur, waar in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw een groot tempelcomplex werd opgegraven dat uitstekend geconserveerd bleek door het zand. De koninklijke graven die bloot kwamen te liggen, waren gevuld met geofferde bedienden en gouden kostbaar heden die de vondst van het graf van Toetanchamon evenaarden. Bombardementen sloegen vier grote kraters in het tempelcomplex en meer dan vierhonderd gaten in de beroemde getrapte toren van de hoofdtempel.

Ook ging de omvangrijke en indrukwekkende collectie van het Nationaal Museum nagenoeg volledig verloren. Een belangrijk deel was tijdens de bombardementen overgebracht naar de gewelven van de nationale bank. Maar juist dat gebouw werd volledig verwoest, niet het museum. Een deel van de collectie was verspreid over provinciale musea, die alle werden leeggeroofd in de anarchie kort na de overgave. Ongeveer vierduizend objecten uit de regionale musea zijn officieel als vermist opgegeven.

Gek genoeg zijn de laatste decennia vooral Amerikaanse archeologen geïnteresseerd in dit deel van de wereld. Dat heeft wellicht te maken met de populariteit in Amerika van het Gilgamesj-epos, het oudste literaire meesterwerk uit de geschiedenis, geschreven in het nog altijd niet geheel ontcijferde, in spijkerschrift overgeleverde Assyrisch. Anders dan in Europa behoren het Gilgamesj-epos en de Mesopotamische cultuur in de Verenigde Staten tot de basisleerstof op de lagere school, in plaats van de Griekse en Romeinse erfenis, die als minder oud en, door de afwezigheid van een gymnasiale cultuur in Amerika, dus als minder belangwekkend gelden.

Een groep Amerikaanse archeologie deskundigen en kunsthandelaren sprak tegen hun eigen regering al de zorg uit dat bij een invasie schendingen zouden plaatsvinden van de Haagse Conventie uit 1954, over de bescherming van cultureel eigendom ten tijde van oorlog (Amerika tekende het verdrag maar ratificeerde het nooit). In opdracht van het Pentagon verstrekten ze coördinaten van honderden waardevolle Mesopotamische opgravingen. Het leger toonde zich geïnteresseerd, zo verklaart de groep. Probleem blijft wel, zo benadrukken deskundigen, dat Irak eigenlijk in zijn geheel één grote archeologische bezienswaardigheid is. Het zuiden van het land, zo vertelden ze het leger, kent geen natuurlijke heuvels — elke heuvel betreft een nog niet uitgegraven antieke nederzetting of gebouwencomplex.

Maar met deze hulp van het leger is plunderen nog niet voorkomen. De gebeurtenissen na de vorige oorlog liggen bij deskundigen nog vers in het geheugen. Fortuinzoekers verwijderden het menselijk vormgegeven hoofd van een kolossale gevleugelde stier; ze hakten het in elf stukken in een poging het ding het land uit te smokkelen (het Iraakse regime was overigens niet gecharmeerd van deze daad en executeerde tien van de plunderaars). Ook sloegen rovers de geornamenteerde, stenen tabletten van het paleis van Sennacherib kapot, om de best bewaarde fragmenten naar het buitenland te smokkelen. Daar werd de kunstmarkt in de laatste jaren overspoeld met ongedocumenteerde oudheidkundige voorwerpen uit Irak, groot en klein, overal aangetroffen, van de duurste veilingen tot de meest amateuristische websites.

Interpol kon er de laatste jaren weinig aan doen omdat de sancties elke hulp aan Iraakse archeologen verboden. Amerika blokkeerde via de Verenigde Naties zelfs de aanvaarding van het verzoek van Iraakse archeologen om een fotografisch apparaat te importeren. Daarmee hadden ze beelden kunnen reproduceren van gestolen voorwerpen, zodat Interpol wist waar het naar moest zoeken.

Het ziet er slecht uit. Zelfs de groep archeologen die momenteel het Pentagon adviseert is niet van onverdachte huize. Volgens wetenschappers van verschillende Amerikaanse en Europese universiteiten vertegenwoordigt de groep vooral de belangen van particuliere verzamelaars en koopgrage musea. In een recent artikel in Science sprak de penningmeester van de club, William Pearlstein, de hoop uit dat de Amerikanen na de oorlog voor een versoepeling zullen zorgen van de strikte wetgeving die de Iraakse autoriteiten erop nahouden met betrekking tot oudheidkundige schatten. In een realistisch toekomstscenario slaan plunderaars, kunsthandelaren en boeren op zoek naar vruchtbare landbouwgrond opnieuw hun slag.