Kunstbroeders

Altijd verkeerden ze in de schaduw van Paul van Ostaijen. Nu hebben ze eindelijk hun eigen tentoonstelling. De gebroeders Floris en Oscar Jespers, respectievelijk schilder en beeldhouwer. Of zit die verdomde Van Ostaijen er toch weer achter?
HET IS 1917. Antwerpen is bezet. De Eerste Wereldoorlog heeft het artistieke leven in de stad lamgelegd. Alleen de kunsthandel doet goede zaken. Zwarthandelaren en andere sjacheraars beleggen hun woekerwinsten in de kunst.

Dan raakt een kunstcriticus op drift. Hij heeft zojuist in het Kunstverbond de eerste dubbeltentoonstelling van de gebroeders Jespers gezien en is razend enthousiast. De malaise is doorbroken, stelt hij vast. ‘Denkend beeldhouwer’ Oscar en 'denkend schilder’ Floris hebben laten zien waar een jonge lichting vernieuwers toe in staat is en hun naam als voortrekkers is voorgoed gevestigd. En dat is een objectief oordeel, haast de criticus zich eraan toe te voegen. Het gaat hier namelijk ook om 'voor mij persoonlijk een werkelijk gelukkige gebeurtenis’. Was getekend: Paul van Ostaijen.
Een paar jaar eerder al hadden Oscar en Floris Jespers kennis gemaakt met Van Ostaijen, een tiener nog, die spoedig tot hun promotor, theoreticus, criticus en boezemvriend zou uitgroeien. Bij die eerste ontmoeting, vlak voor het uitbreken van de oorlog, was Oscar (1887- 1970) zesentwintig, Floris (1889- 1965) vierentwintig en Van Ostaijen (1896-1928) slechts zeventien jaar oud. Later zou Van Ostaijen zich hun faam toeeigenen en met zijn eigen roem een zware schaduw over hun betekenis in de kunstgeschiedenis doen vallen. En nog altijd bezetten de broers er niet de plaats die hun toekomt en moeten ze het doen met wat restjes licht uit de schijnwerper die op Paul van Ostaijen gericht staat.
'FLORIS EN OSCAR Jespers: De moderne jaren’ heet de tentoonstelling in het Hessenhuis te Antwerpen. Een gemankeerde tentoonstelling, want juridische en organisatorische problemen verhinderden het oorspronkelijke plan: een tentoonstelling waarin de betekenis van Paul van Ostaijen voor het modernisme in de beeldende kunsten centraal had moeten staan. Dat is niet erg. Oscar en Floris Jespers hebben genoeg te bieden. Ook al staat hun werk opnieuw alleen maar opgesteld omdat Antwerpen viert dat Paul van Ostaijen honderd jaar geleden werd geboren en ligt de nadruk van de tentoonstelling op diens invloed op hun oeuvre.
In de tentoonstellingscatalogus beschrijft Jean F. Buyck de periode waarin de internationale avant-garde op de Antwerpse stadspoorten roffelde. Uit Frankrijk meldde zich het fauvisme, uit Italie het futurisme en uit Duitsland kwam het expressionisme. Samen met de kubistische, dadaistische en cunstructivistische theorieen maakten ze het de nieuwe lichting Antwerpse kunstenaars schier onmogelijk een eigen synthese te vinden. De enigen die erin slaagden, waren uiteindelijk de gebroeders Jespers, in samenwerking met Van Ostaijen.
De wanden van het Hessenhuis zijn volgehangen met werk van Floris, afgewisseld met tekeningen en een enkele aquarel van broer Oscar. Floris’ omvangrijke produktie is er een van een geexalteerde persoonlijkheid die geestdriftig experimenteert met wat hem zoal aan nieuwigheid voor ogen komt. Het verleidt de kijker al snel tot uitroepen als: 'He, Klee.’ 'Kijk, Picasso’ 'En daar: Chagall, Leger.’ Maar 'Den Flor’ was geen naloper, hij ging zelf aan de slag met telkens weer nieuwe invloeden.
Het in het Hessenhuis vertoonde werk bevat ook veel humor. Het schatert de toeschouwer soms toe en wekt de indruk met een verrukt enthousiasme en verfrissende speelsigheid te zijn vervaardigd. Zoals Floris’ zelfportret uit 1915. Onderuitgezakt in een luie stoel portretteert hij zichzelf, vermoeid tekenend. Lamlendig ondersteunt hij met een arm zijn hoofd en weet hij de ander nog net ver genoeg te strekken om in grove trekken het geheel op doek te krijgen. Ach, ik doe maar wat vanuit mijn gemakkelijke stoel, lijkt hij te willen zeggen. Maar de verveeldheid is schijn. Een oog staat wijd open en de schilder lijkt te worstelen met grote vragen: Hoe zet ik mezelf nou neer? Wie wil ik eigenlijk neerzetten? Kan ik mijzelve kennen? Hij wordt er moe van.
In de vrije ruimte staan de beelden van Oscar opgesteld. Vanuit iedere andere gezichtshoek ontstaat er een nieuw beeld. 'Flor met de trui’ laat zijn broer zien die een van alle kanten sterk verschillende gelaatsuitdrukking heeft: beurtelings branie-achtig, schuchter en schuldig bijvoorbeeld. Oscar Jespers heeft groot respect voor het materiaal, de vorm wordt er soms geheel door gedicteerd. De uitdrukking van het 'Masker’ bijvoorbeeld, wordt geheel en al door de nerven in het hout bepaald. Van oneffenheden in het materiaal wordt dankbaar gebruik gemaakt.
Raar is het wel dat in het Hessenhuis sommige schilderijen in het donker hangen en dat sommige beelden zo staan opgesteld dat niet alle zijden zichtbaar zijn. Gelukkig is het wel mogelijk om stiekem flink aan ze te voelen.
In het ouderlijk huis van Floris en Oscar Jespers was het overdag nooit stil. Van de binnenplaats klonk uit drie ateliers het voortdurende gebeitel en gehak van vader Emiel Jespers en zijn medewerkers. Emiel Jespers was een vooraanstaand beeldhouwer en voorzitter van de Antwerpse beeldhouwersbond. Was dat nodig, dan stonden de kinderen model en ke ken ze toe hoe vader hun afbeelding schiep. In deze omgeving werd de artistieke belangstelling van de broers vroeg gewekt. Al op tienjarige leeftijd leerde Oscar zijn eerste marmeren beeldjes hakken.
De thuis genoten leerschool werd gevolgd door een opleiding aan de Koninklijke Akademie en het Nationaal Hoger Instituut voor Schoone Kunsten. In de schilderklas leerde Floris Paul Joostens kennen. Deze schilder zou later met de Jespersen en Van Ostaijen de kern gaan vormen van hun eigen modernistische beweging.
FLORIS KOOS ALS specialisatie landschapsschilderen; zijn eerste werk bestond dan ook uit naturalistisch geschilderde landschappen en zeegezichten. Na de succesvolle opleiding namen de broers ook de stap naar het tentoonstellingscircuit zonder problemen. Pas in 1918, nadat vader Emiel gestorven was, zou Oscar zijn eerste abstracte werk maken. Over zijn onmiskenbare talent was men het toen al lang eens, en ook later zou hij over het algemeen meer waardering oogsten dan Floris.
Maar Floris was leuker en eigenzinniger. Floris genoot van het leven en dook vaak onder in de bruisende Antwerpse nachten. Hij speelde cello in music-halls en ging met zijn grote mond de discussie met kunstbroeders aan. Floris legde ook het eerste contact met Paul van Ostaijen. De vriendschap werd beklonken in het uitgaansleven van de bezette stad. Samen struinden ze van cafe naar music-hall. Het was de tijd dat in ieder geval Van Ostaijen volgens vriend en dichter Gaston Burssens verslaafd was aan cocaine.
Over het begin van zijn vriendschap met Floris Jespers schreef Van Ostaijen: 'In een music-hall werd onze kennismaking later tot vriendschap bevestigd. Kleuren in de zaal en op het tooneel, daartusschen het orkest-geschetter, dat alles was ons beiden even lief. Toen kwam ik op zijn atelier. Zulks was voor mij reeds een openbaring. Dat er naast mij, in dat andere kunstvak, iemand leefde met vaak dezelfde betrachtingen, had ik niet vermoed.’
Toen Van Ostaijen vervolgens ook in contact kwam met Oscar, was het bondgenootschap een feit. Hoewel de Jespersen een gedegen kunstopleiding hadden genoten, was het toch de schoolverlater Van Ostaijen die de broers intellectueel overvleugelde in de discussie over de nieuwe buitenlandse kunsttheorieen. Uren achtereen bespraken ze hoe de theorieen van het kubisme, futurisme en expressionisme geintegreerd zouden kunnen worden in een eigen modernistische stroming.
Uit deze vriendschap kwam de Bond Zonder Gezegeld Papier voort, een broederschap waar eerst nog enkele anderen actief deel van zouden uitmaken, maar waarvan de kern werd gevormd door Van Ostaijen, de Jespersen en Paul Joostens. Ideologisch leider was Van Ostaijen en het eigen tijdschrift - dat overigens nooit van de grond kwam - zou 'Sienjaal’ gaan heten en had de spreekbuis moeten worden van de Vlaamse avant-garde.
De eensgezindheid ging haast wetmatig gepaard met nog een samenbindende factor: de haat tegen het provinciale en burgerlijke van hun stadgenoten. Die 'achterlijken’ maakten hen voor extremisten en ultramodernen uit, wat bij Van Ostaijen en kompanen een 'fyziese haat’ opwekte.
Toch ging het al snel fout met de vriendenclub. Eind 1918 vertrok Van Ostaijen naar Berlijn. Met vriendin Emma Clement betrok hij er een kamer in een goedkoop pension, dat vol zat met ongure zakenlieden en coke-dealers. Een ervan was de latere nazi-topman Hermann Goering. Voor hij ’s nachts op het vliegveld zijn zaken afhandelde, sliep hij overdag in de kamer van Van Ostaijen. De twee wisten lange tijd voor 'Emmeke’ verborgen te houden dat niet alleen Goering verslaafd was.
In 'Dichter in Berlijn’ beschrijft Marc Reynebeau de atmosfeer in de stad. De vrijgevochten Berlijnse moraal had ook een seksuele revolutie met zich meegebracht, die voor het verstikte paar uit Antwerpen een verademing bleek. Zoals de bevriende schilder Fritz Stuckenberg aan Van Ostaijen over Emmeke schreef: 'zij is een vrouw met wie jij zonder remmingen de ongehoordste seksuele vlammen bereikt’. En ook: 'Het zou toch mooi zijn, dat wat in ons leeft en werkt tot uiting kon komen, wanneer vrienden zich bij en met elkaar kunnen uitstorten en omslingeren en hun vrienden zo hun liefde kunnen tonen dat zij het grootste genot erin zouden vinden elkaar hun vrouwen te schenken.’
In die tijd begon Paul van Ostaijen ook homo-erotische brieven te schrijven. Een opmerking van de bevriende dichter Gaston Burssens doet vermoeden dat het niet bij brieven bleef. Jaren later waarschuwde Burssens een onderzoeker dat hij aartsvijanden zou maken als hij Van Ostaijens biografie zou schrijven. Dit 'because de Berlijnse periode’, waarin zich een hoop schandelijks op het gebied van druggebruik en homoseksualiteit zou hebben voorgedaan.
VANUIT BERLIJN correspondeerde Van Ostaijen intensief met zijn broeders van de Bond Zonder Gezegeld Papier. Onderwerp was vooral de oprichting van het tijdschrift Sienjaal. Hij hamerde erop de band die ze hadden juist nu niet te laten verslappen. Maar hij schreef ook over zijn nieuwe vrienden. Dat waren vooral schilders, want 'schilders zijn verstotelingen zowel als ik: Seelenverwantschaft’. En dat leidde tot irritaties in Ant werpen. De bondgenoten ontvingen berichten van een Van Ostaijen die vol was van zijn nieuwe vrienden; zij kregen het gevoel dat ze de achterlijke neefjes uit de provincie waren. Van Ostaijen gaf hun zelfs huiswerk op; vooral Du cubisme van Gleizes en Metzinger diende grondig te worden gelezen en herlezen.
De houding van het orakel uit Berlijn leidde in het Antwerpse tot strubbelingen. Paul Joostens ergerde zich niet alleen aan Van Ostaijen, maar ook aan de Jespersen, die zich als devote volgelingen gedroegen. Daar had hij niet helemaal gelijk in. Oscar liet Van Ostaijen wel degelijk weten dat hij zich aan diens superieure toon stoorde. Bovendien vreesde hij voor een veel te groot Duits aandeel in Sienjaal. Ook Floris liet zijn ongenoegen blijken, en schreef zelfs profetisch: 'P. van Ostaijen is zooals Van Gogh, een kloot, hij zal arm sterven, ongelezen.’ Het tijdschrift Sienjaal klapte dan ook al voor het verschijnen van het eerste nummer uit elkaar. De verhoudingen waren zo verstoord geraakt dat van de oorspronkelijke Bond Zonder Gezegeld Papier eigenlijk alleen Van Ostaijen en Oscar Jespers overbleven. Toch bleef de vriendschap tussen de drie overeind. Het geruzie rond Sienjaal en zelfs de openlijke kritiek van Van Ostaijen op Floris’ werk konden haar niet breken. Toen het er op aankwam, waren de drie trouw aan elkaar. Enkele maanden na zijn keiharde kritiek op Floris, weigerde Van Ostaijen medewerking aan een blad dat Floris niet in de gelederen had willen opnemen.
In 1928 lag Van Ostaijen, lijdend aan tbc, eenzaam en alleen op sterven in een sanatorium. Twee maanden voor zijn dood stuurde hij zijn vader een brief waarin hij hem vroeg Flor te verwittigen van zijn terugkomst, want als deze zijn thuiskomst zou voorbereiden en zijn kamer in gereedheid zou brengen, 'is alles op zijn best’. Ook aan Oscar, die hem altijd het meest nabij is geweest, kondigde hij een dag voor zijn dood aan in de zomer weer thuis te komen, 'het goede seizoen te Antwerpen, het andere buiten’.
Het grafmonument van Paul van Ostaijen is gemaakt door Oscar Jespers. Op de tentoonstelling in het Hessenhuis is een ontwerp ervan te zien. Een witte engel ligt teder ineengevouwen diep te slapen.
De tentoonstelling Floris en Oscar Jespers: De moderne jaren in het Hessenhuis te Antwerpen is nog te zien tot 3 november 1996.