Interview met Edwin Jacobs

‘Kunstenaars zijn connected’

Voor Edwin Jacobs zit de rol van de museumdirecteur ergens tussen die van kunstliefhebber, onderwijzer en maatschappelijk werker in. Kunstenaars zijn gevoeliger voor impulsen dan ooit - aan hem de taak die sensitiviteit te tonen.

HET IS HEEL MAKKELIJK om met Edwin Jacobs, directeur van het Centraal Museum, in een gesprek te belanden. Nog voordat we zitten, en nog voordat we zijn assistenten om thee vragen, wordt de kunstbeurs in Basel van vorige week genoemd en begint hij prompt de biografie op te lepelen van de Britse kunstenaar Edward Lipski, van wie hij vorige week een werk gekocht heeft. Hij zoekt in zijn Blackberry en vindt uiteindelijk de foto die hij zocht, een afbeelding van het kunstwerk van Lipski. Op een met graffiti besmeurde sokkel van perspex staat een wit beeld van een Afrikaanse krijger, waar Lipski met een kokspuit toefjes verf op heeft aangebracht. Het heet Fang, naar een Afrikaanse stam. Jacobs vertelt dat hij met Lipski gesproken heeft - ‘een snel sprekende, energieke man, zijn ogen bewegen veel heen en weer, steeds op zoek naar iets. Zijn werk heeft diezelfde snelheid, dezelfde geest’ - en dat hij, ’t.z.t.’, naar Utrecht wil komen om zich te laten beïnvloeden door het museum en zijn kunstwerk als het ware op maat te maken voor de ruimte. Jacobs, zoveel mag duidelijk zijn, is heel enthousiast.
Vorig jaar is Edwin Jacobs (1960) als directeur aangetreden bij het Centraal Museum; daarvoor was hij directeur bij het Stedelijk Museum De Lakenhal in Leiden en werkte hij bij Museum Jan Cunen in Oss. In zijn kantoor staat een grote ronde tafel, aan de muur hangt een poster van modeontwerper Alexander van Slobbe, van wie het CM kortgeleden een overzichttentoonstelling had.
Jacobs is net terug uit Zwitserland: 'Het is de 22ste keer dat ik op Art Basel was. En net als de Biënnale in Venetië begint de beurs in Basel, en alle tentoonstellingen eromheen, met name Art Unlimited, steeds meer het gevoel te geven dat de maat wordt genomen van waar hedendaagse kunst om draait.’ Waar het Jacobs op zo'n beurs om te doen is, zegt hij, is om zich een bewuste houding te geven ten opzichte van de kunst die hij ervaart en zo werken vanuit een ander perspectief te benaderen - een beetje zoals een jazzmuzikant muziek benadert, zegt hij. Aanvoelen en improviseren. 'Er lijken verschillende sporen te lopen waarlangs je de beurs kunt verkennen. Eén spoor draait om het goede glas wijn, of sherry; een ander is het ons-kent-ons-spoor; er is een spoor voor de liefhebbers en er is dan nog een spoor voor de experts - de kopers, de curatoren, de museumdirecteuren. Ik zie mezelf daar het liefst in de rol van liefhebber. Het gaat mij er niet om het nieuwste te scoren, of om hip te doen voor het Centraal Museum.’
Wat is dan wel uw rol, als museumdirecteur?
'Mijn rol is samenhang zien en die duidelijk maken aan ons publiek. Tussen alle collecties die wij in huis hebben bestaat een samenhang. Of het nu werken zijn die over de stad Utrecht gaan of in de stad gemaakt zijn, of dat te maken heeft met gelinkte ateliers of aanverwante kunststromingen, of dat ze puur een samenhang hebben in visuele kwaliteiten. Als ik een familie in het Dick Brunahuis zie, dan wil ik die het liefst ook naar het Rietveldhuis laten gaan (beide zijn onderdeel van het CM - jdv). Dan kun je hun laten zien dat het ene avant-garde is en het andere heel basale vormgeving, maar dat ze zich toch in hetzelfde domein bevinden.’
Een beetje de rol van onderwijzer?
'Het museum is er voor mensen. En die mensen moet je aanspreken. De Nederlandse definitie van wat een museum is, verschilt van de Britse. De Nederlandse definitie spreekt over exclusiviteit. De Britse heeft het over een museum als iets dat in de maatschappij staat, dat openstaat voor de mensen. Dat is een veel pragmatischer instelling en een veel meer waardevolle, vind ik. Mijn rol is het dus niet alleen om spannende tentoonstellingen te organiseren, maar ook om een rol in de maatschappij te spelen. Van huis uit ben ik politiek erg links georiënteerd. Een denker die mij altijd geïnspireerd heeft is Ivan Illich, de Oostenrijkse filosoof. Hij heeft veel gedaan als jongerenwerker en kwam vanuit die ervaring op de these dat wat de jeugd écht opleidt niet geld is, duur onderwijs, maar aandacht. Zorgen dat iedereen aan de beurt komt. Illich schreef erover in De ontscholing van de maatschappij. Als museumdirecteur kom je allerlei mensen tegen met een verschillend cultureel cv, verschillende ervaringen met kunst en cultuur; mijn taak is het te zorgen dat al die mensen zich aangesproken voelen in een museum.’
Dan ben je als museumdirecteur meer een onderwijzer.
'Ik heb groot respect voor het onderwijs, en ja, je kunt best stellen dat je als museumdirecteur een pedagogische taak hebt. Contact maken met je publiek is een van de doorslaggevende factoren om te bepalen of een museum “werkt” of niet. Je moet je publiek zo dicht mogelijk op de kunstenaar brengen. Volgens mij is dat bijvoorbeeld heel goed gelukt in onze tentoonstelling over Alexander van Slobbe. We lieten niet alleen zijn werk zien, maar door allerlei schetsen, knipseltjes, uitgescheurde papiertjes en video’s waarop je hem zag werken, kreeg je een sterk beeld van hoe zijn kunst tot stand kwam en kon het publiek ook zelf de verbanden tussen de werken ontdekken.’

JACOBS GAAT, op All Stars, voor naar de nieuwste tentoonstelling. Dat betekent trappetje op, trappetje af, gangetje in. Iedereen die het Centraal Museum een beetje kent, weet dat het parcours zich niet zomaar laat kennen, en dat je op een of andere manier steeds weer verdwaald lijkt uit te komen bij het muf ruikende duizend jaar oude Schip, dat in 1930 in Utrecht werd opgegraven. Inmiddels kent Jacobs de weg op zijn duimpje. Bovendien: 'Mijn ideaal is dat het op een gegeven moment niet meer uitmaakt of je de juiste weg loopt in het museum, omdat elke ruimte hetzelfde gevoel uitstraalt.’
Een suppoost opent de deuren naar Recht voor zijn raap. Een museummedewerker heeft net de stroom afgekoppeld, maar zet die graag weer aan. Jacobs zegt blij te zijn met de collectie, niet alleen met de keuze, maar ook met de manier waarop de keuze tot stand is gekomen: 'Vorig jaar, op mijn allereerste werkdag bij het Centraal Museum, werd ik gebeld door Lex ter Braak, de directeur van het Fonds BKVB. Of ik zin had iets te doen met hun stipendiumkandidaten. Daar hoefde ik geen seconde over na te denken. We zijn toen met het hele team curatoren die we hier in huis hebben - niet alleen de curatoren moderne en hedendaagse kunst, maar ook de curatoren van stadsgeschiedenis, middeleeuwse kunst, vormgeving, mode - naar het Fonds BKVB in Amsterdam gegaan om daar een selectie te maken van alle kunstenaars, meer dan 350, die van het Fonds een startstipendium hebben gekregen. Waar het mij om ging was dat het werk de kijker direct aansprak, ongeacht de voorkennis van de kijker; daarom wilde ik ook een zo divers mogelijk “curatorial team”.
We hebben avonden lang door alle documentatie zitten bladeren, naar elkaars presentaties geluisterd en bediscussieerd wat voor kunst er vandaag gemaakt wordt. En met zo'n gemengd team wordt de discussie al snel heel interdisciplinair en dus heel leerzaam. Uiteindelijk hebben we geturfd wat iedereen op zijn of haar favorietenlijstje had staan en kwamen we keer op keer dezelfde namen tegen. Of het nu het lijstje was van een curator hedendaagse kunst, of van stadsgeschiedenis, of noem maar op, we merkten al snel dat de krachtigste kunstwerken meteen ieders aandacht grepen, of ze nu binnen iemands kunstexpertise pasten of niet. Zo kwamen we ook op de titel Recht voor zijn raap - het zijn werken waar je oog meteen aan blijft haken.’
Toch heeft die titel iets meer. Het klinkt ook als 'in your face’ - terwijl de gekozen werken zelden agressief, erg seksueel of controversieel lijken.
'Zo bedoelen we de titel ook niet. Het gaat mij er puur om dat het kunst is die iets beeldends heeft dat onontkoombaar is. Dat betekent niet dat de inhoud of vorm hoeft te shockeren, het betekent dat het een evidente kwaliteit heeft.’
Maar is het ook niet heel aanlokkelijk voor een relatief nieuwe museumdirecteur om in zo'n selectie een statement te maken over welke kunst hij nu belangrijk vindt?
'Eigenlijk is dat wel een goeie bak, hè? Want deze selectie is echt een keuze van een team, niet van Edwin Jacobs.’
Wat meteen opvalt in jullie keuze: er zitten maar twee of drie 'echte schilders’ bij, en verhoudingsgewijs veel meer architecten en vormgevers.
'Dat klopt. Wat je volgens mij ziet is dat deze generatie kunstenaars heel sterk is in connecties maken. Naar het gebied van gaming toe, naar mode, naar architectuur en vormgeving. Volgens mij zitten we in een periode waarin er grote mogelijkheden voor groei zijn. Kunstenaars zijn 'connected’ - in hun hoofd leggen ze gemakkelijk dwarsverbanden naar mainstream-cultuur, naar volkscultuur, naar comics. Ze zijn erg gevoelig voor impulsen van buiten hun kunstafdelinkje.
Volgens mij is dat goed zichtbaar in deze collectie; als team hebben we er unaniem een goed gevoel over. Zou zo in een hal in Basel kunnen.’