Kunstenaars zijn ververs

In ‘Jezus Christus Quibus’ legt Francis Picabia de basis voor het dadaïsme.

Orang-oetans zingen zuurstokken waaraan zangers zuigen. Het heelal is een darmkanaal en wij zijn een vallende ster. Spinoza is de enige die Spinoza niet heeft gelezen. Liefde is een gesloten, donkergrijs geschilderd luik. De grote mannen van de wereldgeschiedenis heten Jezus Christus Stradivarius, Napoleon de Zeikerd, Spinoza de Slaappil, Nietzsche de Rukker en Lautréamont de Flikker. De tekst Jésus-Christ Rastaquoère van Francis Picabia die in 1920 werd geschreven en nu zorgzaam is vertaald door Jan H. Mysjkin, bevat een reeks raadselachtige metaforen, aforismen en boze adresseringen en heeft het karakter van een taalexperiment. In het jaar van schrijven produceerde de toen 41-jarige schilder ook het Dadaïstisch kannibalenmanifest en Dadamanifest, dat laatste ondertekende hij met ‘Francis Picabia die niets, niets, niets, niets weet’. Het zijn programmatische teksten waarin hij alle conventies, maatstaven en andere voortbrengselen van de eigentijdse beschaving van zich afschudt om de weg vrij te maken voor het echte dadaïstische schrijven in Jésus-Christ Rastaquoère: een tekst vol toeval, niet-logica en onnavolgbare vergelijkingen.
Dit boekje laat nogmaals zien dat dada soms onterecht wordt beschouwd als synoniem van nihilisme. Veel te lang is gedacht dat de dadaïstische beweging alleen uit zou zijn geweest op afbraak van al het bestaande. Er werd voorbijgegaan aan de pogingen die de dadaïsten deden om een nieuwe kunst te laten ontstaan. In een omvangrijk proefschrift liet letterkundige Hubert van den Berg vorig jaar zien dat het kenmerkende van de dadaïstische beweging was om vaste betekenissen teniet te doen én weer in beweging te zetten. De dadaïstische manifestaties waren ook 'destructieve voorbereidingen voor een nieuwe kunst en een nieuwe levenswijze’. Het leuke van deze als Jezus Christus Quibus vertaalde tekst van Picabia is dat naast de grote sloop ook het zoeken naar een nieuwe kunst zichtbaar is - in Parijs zou dat in eerste instantie het surrealisme worden. Reeksen van ideeënassociaties, schijnbare wartaal en het 'automatische’ schrijven worden alvast uitgeprobeerd. En de fascinatie met het freudiaanse gedachtegoed is zichtbaar in regels als: 'U gaat altijd weer op zoek naar de eerder doorleefde emotie, zoals u graag een oude pantalon aanschiet die van de ververij komt en er nieuw uitziet als men niet te nauw kijkt.’ Waarop volgt: 'Kunstenaars zijn ververs, laat u niet vangen.’ Ook een andere bijzonderheid van de dadaïstische geestesgesteldheid die Hubert van den Berg eerder blootlegde, is aanwezig: het streven naar een absoluut Niets dat als een evenwichtspunt van de wereld fungeert en waar alle tegenstellingen worden opgeheven, en dus ook alle betekenissen, en waar elke zingeving zoek is - dat is wat de filosoof Salomon Friedländer eerder als schöpferische Indifferenz had benoemd. Picabia laat met gemak de tegenstellingen en paradoxen uit zijn pen vloeien: 'Waar is sterven goed voor, waar is leven goed voor?’ En Jezus, zegt hij raadselachtig, die heeft alleen maar het tegengestelde gezegd omdat hij een kwibus was.