Het gele huis

Kunstenaarsklooster

Martin Gayford
Het gele huis
Uit het Engels (The Yellow House) vertaald door F. Baeyens, Bert Bakker, 366 blz., € 24,95

De mooiste tentoonstellingscatalogus die ik ken is Van Gogh en Gauguin: Het atelier van het zuiden. Het boek, dat een jaar of vijf geleden verscheen bij de gelijknamige tentoonstelling in het Van Gogh Museum, heeft alles waar je bij een catalogus op hoopt. Gedegen onderzoek, helder taalgebruik, en, misschien nog wel het belangrijkst bij twee grote colloristen als Van Gogh en Gauguin: scherpe kleurenreproducties. Het is wat je noemt een droomcatalogus – als ik docent was aan een curatorenopleiding zou ik mijn studenten er iedere week een stukje uit voorlezen.

Van Gogh en Gauguin: Het atelier van het zuiden heeft echter één nadeel: het formaat. Dat lijkt met zijn drie decimeter breed, vier decimeter lang, en een kilootje of twee zwaar (ik heb dit alles natuurlijk keurig nagemeten) meer gemaakt voor opgepompte bodybuilders dan voor tengere journalisten. Het boek lezen in de luie stoel is een hachelijke onderneming, het lezen in de trein volstrekt onmogelijk. Met als gevolg dat het uiteindelijk onvoldoende gebruikt naar mijn boekenkast verhuisde – waar het tot op de dag van vandaag licht beschuldigend naar me staat te lonken.

Gelukkig is er nu Het gele huis, een boek dat sterke gelijkenissen vertoont met mijn geliefde catalogus, maar dat vele malen handzamer is. Het gele huis gaat over de negen weken die Vincent van Gogh en Paul Gauguin samenleefden in een huisje aan de Place Lamartine in het Franse provincieplaatsje Arles, een periode van grote creatieve bloei (de stoel-schilderijen; het portret van Marie Ginoux), maar ook van toenemende spanningen en irritaties, met als ijzige climax de woedeaanval waarbij Van Gogh zijn oor afsneed om het aan te bieden aan een prostituee.

Achteraf gezien verbaast het dat de schilders het nog zo lang met elkaar uit hebben gehouden. Van Gogh en Gauguin waren niet wat je noemt matching characters, bovendien liepen hun verwachtingen sterk uiteen. Van Gogh beschouwde het huisje als een kunstenaarsklooster, met schilders die zij aan zij werkten als boeddhistische monniken en Gauguin als abt. Voor Gauguin was het echter weinig meer dan een tussenstation naar het zuiden – een goedkoop tussenstation bovendien, daar Vincents broer, Theo van Gogh, kunsthandelaar te Parijs, hem van kost en inwoning voorzag in ruil voor schilderijen.

Het schilderen zelf zorgde evenmin voor verbroedering – eerder voor twist. Waar Van Gogh streefde naar geëxalteerd realisme dreven Gauguins schilderijen juist steeds verder af van de werkelijkheid. Het was protestantse immanentie die botste op katholieke symboliek. Boerenklompenmystiek versus gestileerd exotisme.

Martin Gayford heeft met Het gele huis een informatief, bij vlagen meeslepend boek geschreven. Zijn verhaal bulkt van de sprekende details en leuke weetjes, zonder dat het een opsommerige of overgedocumenteerde indruk maakt. Zo weet ik nu waar Van Gogh en Gauguin op schilderden (ruwe jute), hoe vaak per maand ze een ‘hygiënisch’ uitstapje maakten – lees: de hoertjes bezochten – (twee keer), en waar ze naar het toilet gingen (bij het hotel om de hoek).

Daarbij beschikt Gayford over een kwaliteit die schaars is onder kunsthistorici, namelijk psychologisch inzicht. Hij heeft Van Gogh en Gauguin niet alleen bestudeerd, hij heeft ze ook begrepen. Zijn diagnose dat Van Gogh leed aan wat we tegenwoordig een manische depressie noemen is overtuigend, en ook de observatie dat Gauguin zichzelf meer en meer als een martelaar ging beschouwen snijdt hout. Ietwat vergezocht, maar daarom niet minder amusant, is zijn verklaring voor het afsnijden van het oor. Een bipolaire associatiestoornis zou ontembare associatiestromen in Vincents hoofd op gang brengen waardoor de schilder romanfragmenten, bijbelpassages en krantenberichten (over Jack the Ripper, die rond die tijd zijn strooptochten maakte, en bij prostituees de oren afsneed) direct op zijn eigen leven betrok.

Het enige minpunt van deze uitgave zijn de afbeeldingen. Die zien eruit alsof ze drie jaar onder de grond hebben gelegen voor ze naar de drukker gingen. Een boek over beeldende kunst verdient beter, helemaal als het gaat om de kunst van zulke voortreffelijke schilders als Vincent van Gogh en Paul Gauguin.