Kunstenaarskunstenaars

HOE SERIEUS moet je een kunstenaar nemen die zijn werken voorziet van titels als ‘Fietsend tegen de wind in kun je wel een vergeten dat het wiel is uitgevonden’ of ‘Wie in een leeg zwembad duikt is eerder vergeetachtig dan kippig’? Voormalig Stedelijk-Museumdirecteur Wim Beeren had het antwoord klaar. Een kunstenaar die zijn werk van dergelijke teksten voorzag, was ‘te groot voor de marge, te lokaal voor het Stedelijk’.

Op het eerste gezicht lijkt zo'n uitspraak gemakzuchtig, een handige manier om een draai te geven aan iets waarmee je je eigenlijk ongemakkelijk voelt. Achteraf bezien lijkt Beeren de problematiek van een bepaalde groepering kunstenaars treffend te hebben verwoord. Te klein voor het èchte werk en te groot voor de marge van de zondagsschilder - soms gaat de kunst gebukt onder wurgende tegenstellingen.
Oey Tjeng Sit (‘Solide Helder Geel’) was de kunstenaar wiens werk van oorspronkelijk talent getuigde maar wiens eigenzinnige, ondoorgrondelijke gedrag niet spoorde met de mores van de professionele kunstwereld. Oey, die in 1938 als Indische Chinees naar Nederland kwam, opende eind jaren vijftig een apotheek aan de Amsterdamse Prinsengracht, schuin tegenover de Westertoren, en verwierf als apotheker-kunstenaar lokale roem met zijn subtiel gescheurde, geknipte en van Gauloise-blauwe inkt of krijtstrepen voorziene collages.
'Nestor van de window-art’, noemde NRC-kunstcritica Betty van Garrel de zich meestal in vriendelijk stilzwijgen hullende Oey, die de voorkeur gaf aan filosofisch getinte uitspraken waarin de paradox prikkelend doorklonk. 'De glans van zwart glimt niet’, 'Een oneigenlijk probleem komt uit dezelfde koker als de oplossing’ of 'Traditie is de muur die onze rug stut met valse hoop’ zijn typische Oey-statements, net als de titel 'Wat is houthoudender dan krantenletters?’ voor een werk in Oeys Etalage, een leeggeruimde apotheekvitrine. Van hieruit bestookte Oey van 1970 tot eind jaren tachtig zijn buurtgenoten met Fluxus-achtige installaties en performances van hemzelf en bevriende kunstenaars.
Lokaal bekend, in de gaten gehouden door de nationale kunstwereld (werk in de collectie van het Stedelijk Museum Prentenkabinet), goede kritieken in de pers en toch niet zo beroemd als Picasso. Zijn dat de voorwaarden om een 'kunstenaarskunstenaar’ te worden genoemd?
Galeriehoudster Anneke Oele en kunsthistorica Gabriëlle Nederend bogen zich over deze prangende vraag en besloten rond de collages, assemblages en tekeningen van Oey Tjeng Sit (1917-1987) werk te groeperen van andere kunstenaars wier mentaliteit aansluit bij Oeys onafhankelijke, heldere werkwijze. Onder de noemer 'Kunstenaarskunst’ zijn tekeningen opgehangen van de in Nederland vrijwel onbekende surrealistische kunstenaar Kristians Tonny (1907-1977) naast schilderijen en tekeningen van de jonge Antoine Berghs (1971), Marlies Appel (1945) en de Zwitserse Silvia Bächli (1956).
Ongecompliceerdheid is de noemer waaronder het werk van de tentoongestelde kunstenaars kan worden samengevat. 'Opmerkelijk is de heldere presentatie van dit werk: je ziet wat het is, het materiaal is duidelijk (papier, krant, inkt, potlood), het gaat om het tekenen, het materiaal of de beweging van de hand op het papier’, meldt het begeleidend persbericht. Er valt geen 'verhaal’ achter het beeld te ontdekken - reden waarom dit werk eerder door kunstenaars wordt gewaardeerd dan door museumdirecteuren wier ambitie het is een hoofdstuk toe te voegen aan het Grote Boek waarin het heroïsche verhaal van de kunstgeschiedenis wordt bijgeschreven.
Sociale onhandigheid, de weigering om achtergronden bij het werk te verschaffen en de pers te voorzien van goed bekkende quotes: soms lijkt het erop dat de 'kunstenaarskunstenaar’ zich met masochistisch genoegen de kans op een succesvolle carrière ontzegt. Beeldend talent gaat niet gelijk op met publicitair Fingerspitzengefühl, een begenadigd tekenaar of collagist is nu eenmaal geen kampioen public relations; het is de overtuiging van de klassieke bohémien die menig kunstenaarscarrière in de knop heeft gebroken.
Maar ook de kunstenaar die wel smakelijke verhalen weet op te dissen, kan het lot van de historische vergetelheid treffen. Zo'n begenadigd verteller was de met Oey bevriende Kristians Tonny, zoon van de Amsterdamse schilder Tonny Kristians die zich in 1913 te Parijs vestigde. Als tekenend wonderkind erkend onder de bijnaam 'kleine Rembrandt’ leverde Tonny op zeer jonge leeftijd illustraties voor de surrealistische tijdschriften l'Oeuil en Le Crapouillot en was hij als enige Nederlander vertegenwoordigd in de door Breton, Eluard en Hugnet georganiseerde Exposition Internationale du Surréalisme (1938-39). De kunstenaar, die vooral bekendheid verwierf met zijn fantastische 'transfer’-tekeningen van krioelende mensfiguren en rotsachtige landschappen, leek een glanzende carrière tegemoet te gaan - met onder andere deelname aan de tentoonstelling Fantastic Art, Dada and Surrealism in het Museum of Modern Art, New York, 1936 - totdat hij rond 1950 besloot terug te keren naar Nederland. In Amsterdam vervulde Tonny vooral de rol van verhalenverteller, als chroniqueur van een beweging die in Nederland nooit vaste voet aan de grond kreeg. Anekdoten over zijn surrealistische avonturen met Gertrude Stein, René Crevel en Georges Hugnet waren welkom, zijn surrealistisch werk was dat veel minder.
De 'kunstenaarskunstenaar’ is dus de juiste man op de verkeerde plek (Tonny) of de te lokale man met het ondoorgrondelijke gelaat (Oey), wiens werk te weinig raakvlakken vertoont met de heersende kunststromingen. Zoon Alexander Oey: 'Het probleem was dat Sit nooit synchroon liep met de tijd. Toen hij Fluxus-achtige installaties maakte, was Fluxus al weer lang voorbij.’
'Kunstenaarskunst’ is een wat onhandige term voor het werk van jonge kunstenaars zoals de aan de Rijksacademie studerende Antoine Berghs. Wel kenmerken zijn naiëve, vaak op droombeelden geënte schilderijtjes zich door dezelfde kracht van de eenvoud als Oeys linosneden, de 'machinemens’-tekeningen van Marlies Appel en de 'vluchtige’ tekeningen van Sylvia Bächli. Strikt genomen is de noemer 'kunstenaarskunst’ niet van toepassing op Berghs en Bächli - de eerste staat pas aan het begin van zijn carrière, de tweede draait mee in het internationale kunstcircuit - maar het lijkt erop dat de kunstenaarskunst langzaam tot een genre uitgroeit, naast de al langer bestaande stromingen Outsider Art en Art Brut.
Ooit zal er een tijd aanbreken dat uitdrukkingen als 'miskend genie’, 'lokaal talent’ of 'margekunstenaar’ niet meer bestaan; 'kunstenaarskunstenaars’, zo zullen de verschoppelingen van de kunstgeschiedenis voortaan heten, en alles zal goed komen. Gedaan is het dan met de klaaglijke bijklank van het voorheen zo beladen woord. Eindelijk de miskenning voorbij, vakkundig geclassificeerd en bijgezet in de grote ladenkast van de kunstgeschiedenis.
Echt belangrijk is dit alles overigens niet. Belangrijk is het gelóóf in de kunst, even sterk beleden door beroemde als door marginaal bekende kunstenaars. Een geloof treffend verwoord door Oey Tjeng Sit in zijn laatste boekje, Courant incourant (1988): 'Ach, het maken van kunst is een droevigmakende bezigheid, die zich bovendien in het duister afspeelt. Als ik eraan begin, besef ik dat van geen van mijn zintuigen ooit enige troostende helderheid te verwachten is. Ik voer handelingen uit in dienst van een doel dat mij slechts vaag voor ogen zweeft. Het enige dat ik weet is dat ik blind vaar op een gevoel dat mij geheimen belooft.’