Kunstbezuinigingen - Verdediging tegen populistische aanvallen

Kunsthaat is zelfhaat

Kunst is meer dan een product. Het draagt bij aan een scheppende samenleving. Daar kan iedereen de vruchten van plukken. Maar waarom zijn de argumenten van kunstenaars zo slecht?

DE MARS der Beschaving kon op weinig instemming rekenen op de website van De Telegraaf. In het programma Uitgesproken vertelde Hans Kesting ontdaan over deze scheldkanonnade tegen kunstenaars. Uit een peiling van Maurice de Hond van afgelopen weekend bleek ook dat zestig procent van de ondervraagden de voorgestelde bezuinigingen op kunst steunt. Toegegeven, de bezuinigingen op de omroepen worden volgens De Hond nog enthousiaster ontvangen. Daar is 76 procent van de ondervraagden voor. Waar komt deze impopulariteit van kunst vandaan? Waarom kan Wilders kunst zo gemakkelijk wegzetten als een linkse hobby?
Mijn stelling is dat kunst bij uitstek kwetsbaar is voor populistische tegenwind omdat kunst bij de drie belangrijkste kenmerken van de populistische retoriek aan de verkeerde kant van de streep staat. Het belangrijkste thema van populisten is de opstand van het volk tegen de elite. Kunst leent zich er bij uitstek voor om geassocieerd te worden met de elite omdat kunst een lange traditie heeft van een onderscheid tussen hogere en lagere cultuur. Hogere cultuur was daarbij, zoals het woord al suggereert, beter dan lagere cultuur. De elite laafde zich aan hogere cultuur, het plebs hield zich ledig met gemakkelijke genoegens. Het is beter om naar een toneelstuk te gaan dan naar SBS te kijken. En aangezien de opstand van de populisten ook wel de revolte van de SBS-kijker is genoemd, moeten we er niet raar van opkijken dat kunst in de vuurlinie komt te liggen.Een tweede thema dat steevast terugkeert bij de populisten is het idee van radicale gelijkheid. Populisten keren zich tegen machtsposities die verworven zijn op basis van expertise. Een wetenschapper die zich beroept op zijn kennis is een betweter die vindt dat zijn mening meer waard is dan die van een ander. Maar omdat tegenover elk onderzoek weer een ander onderzoek staat, is zijn opvatting gewoon een mening. De populist weigert mee te gaan in het idee dat je over bepaalde kennis moet beschikken om ergens over mee te kunnen praten. De zogenaamde kennis is een alibi om de populist de mond te snoeren.
Ook hier is het begrijpelijk dat kunst in de vuurlinie komt te liggen. Kunstsubsidies moeten namelijk worden verdeeld. Daar mag niet iedereen over meepraten. Het is niet de markt die de verdeling bepaalt maar het zijn kunstcommissies. Maar op basis waarvan? Waarom is mijn mening minder waard dan die van een ander? Of zoals staatssecretaris Halbe Zijlstra zei in een interview met de Volkskrant: ‘Ik ben niet van de namen; kunst is smaak, je moet er blij van worden, het moet je energie geven.’ En de enige die kan beoordelen of iets je energie geeft, of je er blij van wordt, ben je zelf. Populisten wantrouwen daarom de gronden waarop subsidies verdeeld worden. Volgens hen berust de verdeling gewoon op vriendjespolitiek. Het is het werk van de kunstmaffia. Dat woord zegt genoeg.
Een derde thema in het repertoire van de populisten is de opstand tegen het schuldgevoel. Het klassieke voorbeeld van deze opstand is de strijdvaardige interpretatie van de vrijheid van meningsuiting. Jarenlang, zo geloven de populisten, mocht je niet zeggen wat je wilde. Als je misstanden in de multiculturele samenleving blootlegde, werd je voor racist uitgemaakt. 'Nou, ik laat me de mond niet meer snoeren. Ik zeg wat ik denk.’ Ik laat me nooit meer een schuldgevoel aanpraten.
Hard maken kan ik het niet, maar ik heb altijd nog het idee dat het populisme ook een mannenopstand is tegen het feminisme. Het feminisme van de jaren zeventig en tachtig maakte dat mannen zich een beetje gingen schamen voor dingen die ze heel gewoon vonden. Een deur voor een vrouw openhouden. Een seksistisch grapje maken. Een vrouw meten met de blik van de jager. Het is geen toeval dat de fanatiekste populisten mannen zijn van middelbare leeftijd. Zij willen zich nooit meer schuldig hoeven voelen over hun 'natuurlijke’ neigingen. Populisten hebben deze defensieve houding van 'ik laat me niet de les lezen’ omgezet in een offensieve houding: 'Ik zal iedereen die zich beter waant dan de rest, wel eens even de les lezen.’ In de populistische logica wanen idealisten zich altijd beter dan de rest. Voor zulke idealisten hebben ze zelfs een nieuw scheldwoord: een Gutmensch, iemand die zichzelf feliciteert met zijn eigen goedheid en anderen een schuldgevoel wil aanpraten.
Ook hier is het niet verbazingwekkend dat de kunsten getroffen worden door deze razende woede. Het logische gevolg van een onderscheid tussen hogere en lagere cultuur was dat mensen zich een beetje schaamden voor hun consumptie van lagere cultuur. Het stimuleerde een burgerlijke hypocrisie. Ik kijk eigenlijk nooit televisie! Er waren zelfs mensen die hun televisie in hun kamer verstopten achter een gordijntje. Wie nooit boeken las, een museum bezocht of naar een theatervoorstelling ging, had iets uit te leggen. De populisten rekenen radicaal af met dit schuldgevoel. 'Ja, ik luister het liefst naar AC/DC, ja ik lees Dan Brown, so what!’ Als jij liever naar Bach luistert of Jeroen Brouwers leest, prima. Maar waarom moet ik dan voor jouw smaak betalen?

DAT POPULISTEN de kunst onder vuur nemen, hoeft na het bovenstaande niet te verbazen. Wat wél verbaast, is de stuurloosheid van mensen die kunstsubsidies willen verdedigen. Het is leerzaam om nog eens terug te lezen wat politieke partijen in hun verkiezingsprogramma’s schrijven over kunst en cultuur. De passages zijn uitermate vaag. Kunst en cultuur 'dragen bij aan een vrije, tolerante en dynamische samenleving’ (VVD), 'geven kleur aan de samenleving’ (CDA), 'vormen het DNA van de samenleving’ (D66), en bieden 'mogelijkheden voor leren en begrijpen, voor ontplooien en verheffen’ (PVDA). GroenLinks wil dat meer mensen leren van kunst te genieten en de SP meent dat juist in crisistijd kunst en cultuur een signaal kunnen zijn van hoop en creativiteit. Als kunst moet aanzetten tot hoop en creativiteit is de Guernica dan wel kunst volgens de SP?
Blijkbaar vinden politieke partijen kunst en cultuur belangrijk, maar weten ze niet waarom. Ruwweg zijn er drie verdedigingen van overheidssubsidie voor kunst mogelijk. De eerste verdediging is een bombastische. Kunst is een kwestie van beschaving. Als kunst de beschaving vertegenwoordigt spreekt de waarde voor zich. Maar die zogenaamde vanzelfsprekendheid is tegelijkertijd een zwakte. Als mensen doorvragen wordt het onduidelijk waarom kunstsubsidies essentieel zijn voor de beschaving. Een ander nadeel is dat zulke grote woorden de vooroordelen van de populisten bevestigen. Neem de Mars der Beschaving van afgelopen maandag en dinsdag. Door die betiteling worden de voorstanders van de bezuinigingen in een beweging als barbaren bestempeld. Dat wakkert de haat tegen de betweters alleen maar aan. En hoe vaak zal het gebeuren dat je iemand overtuigt door hem een barbaar te noemen? De grote woorden kunnen ook als een boemerang terugslaan. Door de bezuinigingen wordt in 2015 zo'n beetje evenveel geld aan kunst uitgegeven als in 2005. Nu is die vergelijking misleidend. Als je rekening houdt met de inflatie is dat nog steeds een achteruitgang van 22 procent ten opzichte van 2005. Maar de boodschap is niet minder duidelijk. Waren we in 2005 barbaren? We geven zoals Zijlstra in het debat zei nog steeds 175 euro per gezin uit aan kunst.
De tweede verdediging van kunst is een pragmatische. Als je kunst dan niet kunt waarderen om de waarde van kunst zelf, open dan in ieder geval je ogen voor de economische opbrengst van kunst. De grote held van deze verdediging van de kunsten is Richard Florida. Deze Amerikaanse onderzoeker heeft ontdekt dat in steden waar een levendig cultureel klimaat bestaat ook de economische dynamiek groot is. In steden met veel kunst bloeit de reclamebranche, willen hoogopgeleide werknemers graag wonen en komen toeristen graag op bezoek. Bezuinigen op kunst zou dus averechts kunnen uitwerken. De advertentie in The New York Times om Nederland te mijden, speelde op deze angst in.
In het huidige politieke klimaat heeft de economische pragmatische verdediging van kunst meer kans van slagen dan de bombastische. Toch is ook deze verdediging onbevredigend. Kunst is in deze verdediging namelijk geen doel op zich, maar een middel om een ander doel te behalen. En dus is het mogelijk dat doel op een andere, goedkopere manier te behalen. Stel dat we weten dat toeristen niet naar kleinschalige, Nederlandstalige voorstellingen komen, kunnen we die dan schrappen? Sterker nog, de bezuinigingen van Zijlstra volgen al enigszins deze logica. Topkunst steunen. Musea ontzien. Productiehuizen sluiten.
Daarmee wil ik niet ontkennen dat kunst een economische waarde heeft, maar die bijvangst is niet het doel. Misschien schuilt de waarde van kunst wel juist in het verzet tegen dit nuttigheidsdenken. Maar als je je niet beroept op het maatschappelijk nut van kunst, hoe moet je overheidssteun voor kunst dan wel verdedigen?

DE SCHRIJVER en kunstenaar Dick Tuinder schreef in De Groene Amsterdammer ooit een prachtige verdediging van kunstsubsidies (10 september 2004). Kunst is niet belangrijk omdat het ons tot betere mensen maakt, maar omdat kunst gaat om wat ons mens maakt: ons vermogen om iets nieuws te creëren. Goede kunst is uiterst subjectief en weet toch een universele snaar te raken. Het doel van kunst is kunst. Het is sublieme verspilling. 'De reden waarom wij ons wel Ruysdael en niet zijn tandarts, wel Sjostakovitsj en niet zijn bakker herinneren, is omdat wij onszelf wel herkennen in die symfonie, maar niet in die getrokken kies. Omdat wij kunst zijn. Omdat alle elementen van ons zelfbeeld voortkomen uit kunst.’
In Tuinders visie, kunst als viering van het mens-zijn, klinkt een echo door van de filosofie van Hannah Arendt. Zij heeft geschreven dat het bijzondere van de mens schuilt in zijn vermogen om iets nieuws tot stand te brengen. Om iets te scheppen wat er nog niet was. Kunst is de ultieme uitdrukking van deze menselijke kwaliteit. Hier staat het scheppen niet in dienst van een functie (een machine bedenken die efficiënter brood bakt), maar in dienst van het scheppen zelf.
Zoals priesters vroeger werden vrijgesteld om God te eren, zo zijn kunstsubsidies bedoeld om kunstenaars in staat te stellen de grenzen van onze creativiteit te verkennen. Via hen eren we het ideaal van de scheppende mens: de mens die met het bestaande geen genoegen neemt. De keuze voor kunst drukt een maatschappelijk ideaal uit. Vorige week stond er in De Groene Amsterdammer nog een prachtig portret van zo'n waanzinnige scheppingsdrang: de kunstenares Jalila Essaïdi, die de droom heeft om een kogelwerende huid te maken.
De verdediging van Tuinder vind ik prachtig. Maar dat wil niet zeggen dat hij ook populisten overtuigt. Eigenlijk is het zo bezien niet vreemd dat Wilders kunst als linkse hobby bestempelt. De PVV heeft namelijk een tegenovergesteld maatschappelijk ideaal. De PVV idealiseert conformisme. Wie afwijkt moet zich aanpassen. Zij willen het bestaande niet openbreken, maar verdedigen. Ze willen zelfs terugkeren naar een geïdealiseerd verleden. De PVV houdt alleen van dode kunstenaars. Ze willen wel subsidies voor musea, maar niet voor scheppende kunstenaars. Bas Heijne heeft ook al op deze tegenstrijdigheid gewezen. Om de inferioriteit van de islamitische cultuur te bewijzen pronken PVV'ers graag met het feit dat het Westen een Mozart oplevert en de islam niet. Maar het hele idee dat de overheid de talentontwikkeling van nieuwe Mozarts zou moeten stimuleren stuit ze tegen de borst.
Het is ook geen verdediging die onomstotelijk bewijst waarom de huidige bezuinigingen onacceptabel zijn. Er bestaat geen absolute noodzakelijke omvang van het offer. Het is ook niet gegeven dat dit offer via de overheid geregeld moet worden. Een VVD'er als Bart de Liefde kan het pleidooi van Tuinder ombuigen tot een pleidooi voor charitas. Zie zijn oproep in het debat over de bezuinigingen: 'Als je om kunst geeft, geef je aan kunst.’
Maar het pleidooi van Tuinder biedt wel een opening, omdat het erkent dat kunst geen product is. Wie kunst reduceert tot een product zal namelijk altijd concluderen dat kunst alleen waarde heeft voor de consument. En dus is het niet te begrijpen dat niet-consumenten moeten meebetalen voor de genoegens van de kunstconsument. Kunst is meer dan een product. Doordat we ons mens-zijn vieren, heeft kunst ook betekenis voor mensen die geen theater of museum bezoeken. Kunst draagt bij aan een scheppende samenleving. En daar kan iedereen de vruchten van plukken. Al laten die vruchten zich niet plannen. Het blijft bijvangst van de ode aan de scheppingsdrang. De verdediging van Tuinder van overheidssubsidies is een kwetsbare, poëtische verdediging tegen de huidige bezuinigingen. Garantie dat zo'n verdediging veel impact heeft is er niet. Het is wel een verdediging die past bij de kunst. Een verdediging die laat zien dat kunsthaat zelfhaat is.