Kunstkritiek: leve de grote greep

Of ik onmiddellijk verhaal wilde halen bij de krant die haar expositie negatief had besproken, vroeg een curator mij onlangs.

Het Mondriaan Fonds had financieel aan de expositie bijgedragen en daarom moest ik ingrijpen om een en ander recht te zetten. Ik antwoordde dat het zo niet werkt bij kunstkritiek. Dat feiten moeten kloppen en heilig zijn, maar meningen vrij. En met een kritische mening, mits onderbouwd, is niets mis. Integendeel. Kunst vaart wel bij kritische recensenten. Ik citeerde een krantenwijsheid: ‘Het maakt niet uit wat ze schrijven, als ze je naam maar goed spellen.’ Maar dat kalmeerde de curator niet.

Kritiek op de kunstkritiek is er continu en in soorten en maten. De functie en de relevantie van kunstkritiek staan in Nederland al tijden ter discussie. Onlangs nog verscheen een elfdelige reeks boeken getiteld Kunstkritiek in Nederland 1885-2015, waarin dit ‘steeds weer oplaaiende debat’ in een historisch perspectief wordt geplaatst. Het lijkt een permanente staat van zijn, die kritiek op de kunstkritiek. Van een ‘crisis’ in de kunstkritiek, waar menig debat aan wordt gewijd, kan in feite geen sprake zijn want crisissen gaan voorbij en dit commentaar bestaat al zo lang. Hoe dan ook, aan die stroom kritiek wil ik niets toevoegen. Wel heb ik een wens.

Kunstkritieken, met name die in kranten, gaan vaak over één expositie, één voorstelling, één kunstenaar. Daarin wordt als het goed is beschreven wat de beschouwer letterlijk ziet. En dat ‘wat zie ik daar?’ moet je niet onderschatten, betoogde Thijs Lijster onlangs in De Groene Amsterdammer in zijn stuk ‘Recept voor kunstkritiek’. ‘Goed kijken kost tijd (…) Een goede criticus stuurt je blik, houdt je aandacht vast, en doet je telkens weer opnieuw kijken.’ Het tweede ingrediënt van een geslaagde kritiek is volgens Lijster een reflectie op de wijze hoe het besproken werk zich verhoudt tot het medium, de geschiedenis of de kunstinstitutie waarin het zich beweegt. ‘Veel, misschien wel alle kunst, gaat ook over andere kunst.’

Thijs Lijster waardeert het ten slotte als er nog een derde element is: een cultuur- of maatschappijkritische ingrediënt waarin de criticus vanuit de beschouwing over kunst terechtkomt bij de samenleving waarvan het werk deel uitmaakt. Zoals Hans den Hartog Jager dat onlangs deed in zijn bespreking van de expositie Slave City van Joep van Lieshout in Museum De Pont. Hij schreef onder meer: ‘Waarom heb ik zelden het gevoel dat deze beelden gaan over onze maatschappij, terwijl de verwijzingen overduidelijk zijn?’

Aan het recept van Lijster zou ik nog één element willen toevoegen, dat overigens niet in iedere kritiek ingebakken hoeft te zitten. Regelmatig zou ik een artikel willen lezen waarin de beschouwer verschillende werken, voorstellingen of exposities bespreekt en daarbij de vraag stelt in hoeverre die een stand van zaken in de kunsten schetsen. Ook dat zegt veel over de samenleving, want relevante kunst staat midden in die samenleving en ontwikkelingen in de kunst zeggen daarmee iets over ontwikkelingen in de samenleving.

Het is zoveel makkelijker om te schrijven over voorbije stromingen. Over expressionisme naar aanleiding van de exposities over de (Nieuwe) Wilden in het Groninger Museum en De Fundatie; over historische avant-garde omdat deze zijn honderdste verjaardag viert. Maar hoe zit dat met de grote lijnen in de kunst van nu? Daarover zou ik meer willen horen; de achterliggende gedachten en patronen, van die kunst waarvan de duiding nog in de steigers staat. Zo’n grote greep vergt lef. Misschien is er zelfs geen lijn. Maar ook dat zegt dan veel.

Rudi Fuchs schreef eens mooi over ‘grote kunstkritiek’ die de kwaliteiten van een schilderij reflecteert ‘als een spiegel, door met taalkundige middelen een kwaliteit te suggereren’. Maar kunstkritiek is meer dan een oordeel over een individueel kunstwerk. In Frankrijk en Duitsland vind je veel vaker van zulke beschouwelijke grote-greep-artikelen. En ze zijn er ook af en toe in Nederland. Zoals de analyse van Koen Kleijn over beeldende kunst die steeds meer samenvloeit met datavisualisatie en informatiedesign, zoals hij dat signaleerde op de expositie van de Prix de Rome 2015.

Intussen woedde op Facebook een discussie naar aanleiding van de vraag, opgeworpen door criticus Sandra Smets, of een schilderij meer is dan een sierobject. Wat schilder Olphaert den Otter pareerde met: ‘Een schilderij is op zichzelf niet belangrijker dan een foto, performance, installatie of video. Ook niet onbelangrijker. Wil een schilderij betekenis hebben binnen de context van de huidige beeldende kunst, dan moet het gewoon “werken”.’ En hij ging verder op de kwestie wat de waarde van ‘nieuw’ is in kunst. ‘Nieuw is lange tijd het beslissende epitheton geweest inzake kunst. Onder kunstenaars is dit nieuwe al heel lang oud. (…) Zij zien helder in dat we niet langer een maakbare utopie in het verschiet hebben.’

Meer van dit soort grote grepen, graag, ook in andere media. Kunst verdient het. En de lezer ook.


Prijs voor de Jonge Kunstkritiek 2016
De Prijs voor de Jonge Kunstkritiek is een stimuleringsprijs voor een nieuwe generatie critici en essayisten uit het Nederlands-Vlaams taalgebied die schrijft over hedendaagse beeldende kunst. De prijs is een initiatief van De Appel arts centre, Witte de With Center for Contemporary Art en het Mondriaan Fonds, i.s.m. het Stedelijk Museum, STUK, M HKA en het Van Abbemuseum.

In 2016 wordt de tweejaarlijkse prijs voor de vijfde keer uitgereikt, in de categorieën ‘essay’, ‘recensie’ en ‘innovatieve kritiek’. De Prijs voor de Jonge Kunstkritiek richt zich op critici tot 35 jaar. Deadline: 1 september 2016. Zie voor meer informatie: jongekunstkritiek.net.

-

Al eerder werd er in De Groene in deze context over de toekomst van de kunstkritiek geschreven. Lees online de stukken van Birgit Donker, Roos van der Lint en Wouter Hillaert.