Kunstpaus onder stalin

ONTVANGER VAN de Lenin-orde, afgevaardigde in de Opperste Sovjet, oorlogscorrespondent, fascistenhater, schrijver van socialistisch realistische ‘vijfjarenplanromans’, verdediger van het Russisch constructivisme en de moderne kunsten, kosmopoliet, dichter en boezemvriend van Picasso. In de borst van Ilja Grigorjevitsj Ehrenburg (1891-1967), zoon van een joodse bierbrouwer in Kiev, huisden vele, op het eerste gezicht onverenigbare zielen. George Orwell noemde hem een ‘literaire hoer’, hij werd gezien als een handige scharrelaar die overeind bleef terwijl medeschrijvers als Andrej Platonov, Osip Mandelstam en Isaac Babel geplet werden onder de wielen van de meedogenloos door kameraad Stalin bestuurde trein der historisch-materialistische vooruitgang.

Het verhaal is bekend: uit de moreel verzwakte Rus, geknecht door eeuwen tsaristische onderdrukking, zou de nieuwe sovjetmens geboren worden met Trotski, Lenin en Stalin als ideologisch vakbekwame verlossers. Doel: bevrijding van uitbuiting en onderdrukking, middel: het aanleggen van reusachtige staalfabrieken, stuwdammen en collectieve boerderijen waar tegen de achtergrond van treurig verpieterende tarwevelden eeuwig de lof van de rood ondergaande zon werd gezongen; kosten: een paar miljoen mensenlevens; resultaat: een volslagen ontwortelde, in wodka gedrenkte samenleving waar de gemiddelde levensverwachting voor de Russische man de 56 jaar niet te boven komt.
Grote mannen met harde handen bepaalden de loop van de sovjetgeschiedenis, en Ehrenburg stond erbij, keek ernaar en klapte in zijn handen - wanneer het hem uitkwam. Dat is ongeveer de communis opinio wanneer leven en werk van de joodse dichter, schrijver en chroniqueur van een tijdperk ter sprake komen.
EHRENBURG, de ‘bruisende Ilja’, zoals hij liefkozend door zijn bewonderaars werd genoemd, zag zichzelf vooral als een overlever, een man wiens levensloop grotendeels door het toeval werd bepaald. 'Veel van mijn tijdgenoten bleken onder de wielen van de tijd terechtgekomen te zijn. Ik heb het overleefd - niet omdat ik sterker of scherpzinniger was, maar omdat er nu eenmaal tijden zijn, waarin het lot van een mens eerder doet denken aan een loterij dan aan een partijtje schaak dat volgens de spelregels verloopt. Ik heb toevallig een goed nummer getrokken’, zei hij eens ter verdediging van zijn kritiekloze houding tijdens het door politieke en culturele terreur getekende Stalin-regime.
Een dissident is Ehrenburg nooit geweest.
Hij had er ook niet de persoonlijkheid voor. 'Innerlijk geëngageerd, uiterlijk een conformist’, zo werd hij bij zijn overlijden in 1967 getypeerd. 'Innerlijk verscheurd’ heet zoiets in psychologische vaktermen en dat is ook precies het beeld dat oprijst uit de nu door De Arbeiderspers uitgegeven memoires.
Een allemansvriend met een scherp observatievermogen, dat is Ehrenburg in de eerste plaats. In Ik ben nooit onverschillig geweest, grotendeels vertaald door de in 1990 overleden Ruslandkenner Charles B. Timmer, door slavist Tom Eekman gecorrigeerd en aangevuld, vinden we daar fraaie staaltjes van. De selectie uit de tussen 1961 en 1966 in zes delen verschenen autobiografische, meer dan 1500 pagina’s omvattende reeks Mensen, jaren, leven beperkt zich tot het terrein van de kunst en literatuur, afgevallen zijn 'politieke of minder interessante persoonlijke onderwerpen’, zoals Eekman in het zorgvuldig geschreven nawoord laat weten.
Misschien is die keuze gemaakt om een discussie uit de weg te gaan over Ehrenburg als 'foute’ linkse fellow traveller (eerder vond Martin Ros, uitgever van de Privé-domeinreeks, de uitgave 'onverantwoord’: 'Het publiek zou het niet pikken. De kritiek zou vernietigend zijn’, liet hij nog in 1990 aan De Groene Amsterdammer weten). Vast staat dat de samenstellers een gelukkige hand hebben gehad; natuurlijk zijn Ehrenburgs herinneringen, opgeschreven een kleine vijftig jaar na zijn verblijf in Parijs en Berlijn, niet honderd procent betrouwbaar, overdekt als ze zijn door het patina van het verleden, maar ze geven wel een opmerkelijk direct en verfrissend beeld van de artistieke avant-garde tussen 1900 en 1930.
WIE KENDE Ilja Ehrenburg eigenlijk niet? Picasso, Braque, Léger, Modigliani, Soutine, Apollinaire, Max Jacob, Blaise Cendrars, ze passeren allemaal de revue. Een portrettengalerij, grotendeels opgetekend in het fameuze bohémien-café La Rotonde, roerig, vaak triest trefpunt van kunstenaars, dichters, artistieke zuipschuiten en ontheemde emigranten, op zoek naar nieuwe vormen en nieuwe creatieve vergezichten, een zoektocht ingezet door de ontdekking dat de schilderkunst niet méér hoefde te zijn dan de analyse van vormen op een plat vlak. Ehrenburg was destijds een opvallende verschijning in Montparnasse. Een typische 'linkeroever’-figuur 'met zijn erg lange, sluike haren die in rare plukken neervallen, met een breedgerande vilthoed die recht overeind op zijn hoofd staat als een middeleeuwse kap - gebogen, met hangende schouders en naar binnen gekeerde voeten, in een blauw, met stof, roos en as bestrooid jasje, ziet hij eruit als iemand met wie zonet de vloer is aangeveegd’ - zo herinnerde de Russische dichter Maximilian Volosjin zich de sjofele schrijver in 1916.
'Ik herinner mij…’ is de standaardzin waarmee Ehrenburg de trein van de herinnering in gang zet. Invoelende, niet-sentimentele portretten schetst hij, met name van zijn 'boezemvriend’ Picasso en de 'schilder van de lange nekken’ Modigliani. Bij Ehrenburg geen gedweep met de lijdende hongerkunstenaar, geen indeling van de kunstgeschiedenis in keurig afgebakende perioden, liever schetst hij de verwarrende en vaak tegenstrijdige gelijktijdigheid van verschillende stijlen en ontwikkelingen. 'Sommige mensen kunnen plotseling sterk veranderen en zulke veranderingen vergemakkelijken het verhaal (…). De biografen laten zich door plotselinge kenteringen meeslepen en verliezen dan dikwijls het karakter van de bewuste persoon uit het oog. (…) Ook het werk van Picasso probeert men zo in perioden te ontleden. Ogenschijnlijk is niets eenvoudiger: iedere twee, drie jaren verraste hij zijn critici met picturale ontdekkingen. De onderzoekers stellen tal van “perioden” vast - de blauwe en roze periode, de negerperiode, de kubistische, de Ingres-periode, de Pompeïsche enzovoorts. Jammer alleen dat Picasso al die indelingen omverwerpt.’
Waarna een smakelijk relaas volgt over hoe Picasso’s atelier, gezien door de ogen van de Russische dichter en ex-futurist Majakovski, een opeenhoping blijkt te bevatten van realistische en kubistische schilderijen naast collages en objets trouvés - 'al die dingen binnen een enkel jaar gemaakt’. Ehrenburg: 'Ik heb nooit iemand ontmoet die zo snel kon veranderen en tegelijk zo constant, zo trouw aan zichzelf bleef.’
HET IS EHRENBURGS scherpe, beeldend getrainde blik die de in Ik ben nooit onverschillig geweest verzamelde herinneringen de moeite waard maken. In zijn memoires richt de succesvolle sovjetschrijver (zijn werk verscheen in miljoenenoplages, zijn bijdragen als oorlogscorrespondent voor het Rode-Legerkrantje De Rode Ster bezorgden hem een ongekende populariteit in de de jaren veertig en vijftig) een monument op voor de vele schrijvers en schilders die slachtoffer werden van Stalins terreur. In de gedenkschriften over Babel, Majakovski ('Majakovski heeft niet alleen de schoonheid van het verleden verbrijzeld maar ook zichzelf; daarin ligt de grootsheid van zijn heldendaad, en daarin ligt ook de sleutel tot zijn tragedie’), Mandelstam en de grondlegger van het moderne theater Meyerhold, toont Ehrenburg zich een erudiet kenner van de Russische cultuurgeschiedenis; geen marxistische scherpslijper maar een man met oog voor menselijk drama.
Ilja Ehrenburg: stalinistisch goedgekeurd schrijver op de bres voor kunstzinnige vrijheid - echte literatuur lééft bij de paradox.