Profiel: Sergej Diaghilev

Kunstvernieuwer

Groningen beleeft zijn eigen Saison Russe met Sergej Diaghilev als middelpunt van diverse artistieke projecten. De Russische mecenas wordt geëerd zoals na zijn dood nooit eerder is gebeurd.

Niet in Moskou, Parijs of Londen maar in Groningen herleeft het artistieke erfgoed van Sergej Diaghilev (1872-1929). Postuum zet hij hier organisatorische, creatieve en financiële (vooral dankzij de Gasunie en Joop van den Ende) krachten in beweging, zoals hij een eeuw geleden kunstenaars aanzette tot experimenten en geldschieters overhaalde te investeren in de productie van zijn artistieke plannen.

Het Nederlandse Saison Russe is eind vorig jaar begonnen met de overzichtstentoonstelling In dienst van Sergej Diaghilev in het Groninger Museum. Ruim 230 kunstobjecten van kunstenaars rond Diaghilev zijn daar vanuit buitenlandse collecties bijeengebracht. De expositie is omkleed met een uitgebreid artistiek programma. Deze week vindt er een dansfestival plaats met beschermheer Valery Gergiev. De top van de internationale dans- en muziek wereld toont in drie Groningse theaters een eigen interpretatie van Les Ballets Russes. In de hele provincie zijn wekenlang Diaghilev-events, zoals films, lezingen, debatten en workshops (met onder anderen Hans van Manen en Han Ebbelaar), zodat óók in Delfzijl en Appingedam wordt gereflecteerd op de Russische kunstpaus.

De grondlegger van de Europese avant-garde is weer helemaal terug. Maar weggeweest is Diaghilev natuurlijk nooit, want zijn invloed werkt tot op heden door in ballet en theater. Hoewel Diaghilev zelf als kunstenaar nooit concreet iets heeft nagelaten, wordt hij beschouwd als een van de grootste kunstvernieuwers van de vorige eeuw. Door zijn toedoen vloeiden begin twintigste eeuw theater, dans, schilderkunst en muziek op een natuurlijke manier in elkaar over. Componisten ontwikkelden muziekstijlen met onvoorspelbare ritmes en een nieuw klankidioom, wat een fysiek bevrijdend effect had op de dansers. Kunstenaars ontwierpen weelderige kostuums in felle kleuren, waardoor niet de bewegingen van de dansers het brandpunt van de voorstelling vormden maar de sculpturale vormen van de stoffen zelf. Steeds meer leken de dansers op bewegende geometrische decorstukken.

Met deze multidisciplinaire aanpak brak Diaghilev drastisch met de klassieke opvattingen over ballet, opera en toneel in het fin de siècle. Zijn uitvoeringen waren spektakels van ritmische kleur, klank, vorm en beweging. Het was wild, grillig, uitdagend, zinnenprikkelend en zuiver esthetisch tegelijk, waardoor het publiek aanvankelijk geshockeerd reageerde. Nog steeds doen de werken van toen «modern» aan. Wie zich bijvoorbeeld de opening van de Olympische Zomerspelen in Athene herinnert, zal beseffen dat de choreografie van de uit bewegende dansers opgebouwde decors is geïnspireerd op Les Ballets Russes.

Diaghilev wordt bij de Groningse expositie neergezet als een totaalkunstenaar. Hij geldt als pleitbezorger van de Russische cultuur in het Westen doordat hij Russische schilderkunst, muziek en ballet naar Parijs haalde. Hij populariseerde de avant-garde door haar status te geven bij de gevestigde orde van de Europese aristocratie. Bovenal was hij aanjager van talent. Om zich heen verzamelde hij grote namen, zoals de componisten Stravinsky, Rimski-Korssakov en Prokofjev, het kunstenaarsechtpaar Gontsjarova en Larionov, Bakst en Picasso en de dansers Nijinski en Anna Pavlova. Te midden van deze kunstkring stond Diaghilev, steevast gekleed in rokkostuum met hoge hoed, als een autoritaire circusdirecteur, die niet alleen artistiek aan de touwtjes trok maar ook als zakenman zelf het management en de productie van de plannen op zich nam. Zoals de Russische cultuurhistoricus Solomon Fokov hem typeert: «Hij had iets ongrijpbaars wat legerleiders soms ook hebben: door persoonlijke wilskracht een heel leger bewegen naar de totale overwinning. Diaghilev was een geniale generaal van de kunst.»

In een artikel van het Groninger Museum Magazine noemt museumdirecteur Kees van Twist hem een soort Joop van den Ende avant la lettre. Gastconservator Sjeng Scheijen (die eerder de tentoonstellingen Ilja Repin en Het Russisch landschap in Groningen maakte) vindt dat er ten dele parallellen zijn: «In zijn cultuur management was Diaghilev zijn tijd ver vooruit. Maar in tegenstelling tot Van den Ende bracht Diaghilev nieuwe premières waar hij van a tot z de artistieke begeleiding van deed. Bovendien droeg zijn persoonlijkheid sterk bij tot het elan van het gezelschap.»

Sergej Diaghilev wist al jong wat hij wilde: alles tegelijk. Aanvankelijk was dat componist, zanger, uitgever, impresario, criticus of, zijn grootste droom, minister van Cultuur. Maar hij ontdekte als student rechten – een keuze om zijn vader te plezieren – in Sint-Petersburg al snel dat hij nergens echt in uitblonk. Hij was niet van plan zijn leven te slijten als een middelmatig artiest. Wat hem bovendien ergerde was het feit dat hij als zoon van landadel uit Perm binnen de hoge aristocratie van Sint-Petersburg sociaal niet meetelde. Zijn familie was weliswaar steenrijk geworden door wodkastokerijen – hij groeide op in een paleisje, met grote banketten, huisconcerten en literatuur – maar in de standenmaatschappij stond landadel laag in de pikorde van de elite. Wel was het mogelijk om via kunstkringen door te dringen tot de top rondom de tsaar. Voor de dandy uit de provincie bracht een (homoseksuele) relatie met zijn neef Filosofov uitkomst. Die introduceerde hem in de intellectuele, artistieke kring van het tsaristische machtscentrum.

In 1895 maakte Diaghilev, 23 jaar oud, tegenover zijn stiefmoeder de balans op van zijn toestand. Een jaar daarvoor had componist Rimski-Korssakov hem openlijk gezegd dat hij zijn ambities om componist te worden beter kon opgeven. Diaghilev schreef: «Wat mij aangaat, ik moet zeggen, opnieuw op observaties gebaseerd, dat ik ten eerste een enorme charlatan ben, ten tweede een enorme charmeur, ten derde een enorm brutale vlerk, ten vierde een man met een enorme hoeveelheid logica en een gering aantal principes, en ten vijfde volstrekt onbegaafd. Je zou overigens kunnen zeggen dat ik mijn ware bestemming heb gevonden – het mecenaat. Daarvoor is alles aanwezig, behalve geld, mais ça viendra.»

Dat werd hij: mecenas. In vliegende vaart en met explosieve kracht. Hij organiseerde tussen 1893 en 1898 tentoonstellingen van onder meer jonge Russische kunstenaars, wat leidde tot de oprichting van een groep en het tijdschrift Mir Iskoestva («Wereld van de Kunst»). Ze bespraken hoe ze tot vernieuwing van de «brave» opvoedende kunst konden komen en bonden de strijd aan met het conservatieve kunstklimaat. In 1905, het jaar waarin de mislukte revolutie voor het Winterpaleis van de tsaar plaatsvond, brak Diaghilev definitief als organisator door. Hij wist meer dan vierduizend schilderijen van Russische kunstenaars bijeen te krijgen in een grote expositie in het Taurisch Paleis in de hoofdstad. Een jaar later trok hij naar Parijs om door concerten en opera’s (zoals Boris Godoenov) en een grote overzichtstentoonstelling van twee eeuwen Russische schilder- en beeldhouwkunst West-Europa kennis te laten maken met het «exotische» Rusland. Het doorslaande succes van zijn eerste Saison Russe resulteerde in de oprichting van het balletgezelschap Les Ballets Russes. Vanaf 1909 kregen de uitvoeringen jarenlang staande ovaties in de grote operagebouwen van Europa.

Diaghilev genoot van zijn roem. Maar teleurstellingen moest hij ook incasseren. Het directeurschap van het Keizerlijke Theater liep hij bijvoorbeeld mis door schimmige machtspolitiek rondom de tsaar. De te strakke maillot van danser en minnaar Vaslav Nijinski vormde formeel de aanleiding voor het zoveelste schandaal. Daarop vestigde het tweetal zich definitief in Parijs. Tot aan zijn dood in 1929 had Diaghilev met zijn balletgezelschap succes in heel Europa, hoewel de kracht van het eerste begin begon te tanen.

Bovendien brak in 1917 (het jaar dat Nijinski krankzinnig werd) in zijn vaderland de revolutie uit. De definitieve omwenteling bracht hem in het bekende exil-dilemma: terugkeren of bewust in ballingschap verkeren. Vóór de revolutie voelde Diaghilev zich geen Rus, maar een ontwortelde wereldburger die leefde in hotelkamers. Daarna profileerde hij zich als een sentimentele Rus met verlangens naar zijn vaderland. Pogingen van de futuristische dichter Majakovski en regisseur Meyerhold om hem over te halen naar de Sovjet-Unie te verhuizen, strandden. Het lukte deze propaganda ronselaars bijvoorbeeld wél om Gorki en Prokofjev met veel tamtam terug te halen naar de nieuwe utopie van Lenin. Diaghilev twijfelde waarschijnlijk of hij wel een prominente rol kon vervullen binnen het steeds strakker aan banden gelegde kunstklimaat.

Maar met Stalin aan de macht in de jaren dertig was er steeds minder plaats voor experimenten, en het ruige optimisme van de jaren twintig verdween met de eerste executies binnen de kunstenaarskringen. Ook voor Diaghilev kwam het dichtbij: zijn beide broers werden in 1927 in strafkampen geïnterneerd, en één van hen werd in 1929 geëxecuteerd.

Met zijn dood in Parijs stierf Diaghilevs faam. In het realistische cultuurbeleid van Stalin was geen plaats meer voor de kunstvernieuwers van weleer. Diaghilev gold als te experimenteel, te aanstootgevend, te modern en te kosmopolitisch, vertaald naar de ideologische sovjetretoriek als «bourgeois en decadent». Hij was bovenal homoseksueel, wat niet strookte met de moraal van de ideale sovjetburger. In de decennia daarna verdween zijn naam systematisch uit de boeken en catalogi. De kunstwerken, tijdschriften en theaterkostuums verdwenen in de kelders van de Russische musea of werden door het speciaal opgerichte comité Antikvariat voor harde valuta verpatst aan westerse handelaren. Als zijn balletten al werden genoemd, was dat uitsluitend smalend. In de jaren vijftig werd hij in films neergezet als een liederlijke, verdorven aristocraat. Tot aan de val van het communisme bleef Diaghilev in de Sovjet-Unie persona non grata.

Maar ook in West-Europa genoot hij postuum niet meer de status van grote inspirator. Met het verlies van zijn persoonlijkheid viel het balletgezelschap al gauw uiteen. Er werden nog pogingen gedaan het weer op te starten zonder Diaghilev, maar de flair was er voorgoed uit. Bovendien dienden overal in Europa kunstenaars met minstens zo veel vernieuwingsdrang zich aan: het kubisme en surrealisme streefden hem in heftigheid voorbij. In de jaren zestig en zeventig pasten zijn esthetische opvattingen over kunst als l’art pour l’art niet in het gepolitiseerde kunstklimaat. Hij werd gezien als een zakenman die hield van show en spektakel. Kostuums, doeken en theaterdecors gingen in die dagen op veilingen bij Sotheby’s in Londen weg voor een appel en een ei. Volgens Sjeng Scheijen stond Diaghilev toen meer bekend als een extravagante dandy, aan wie vette ruzies, erotische intriges en schandalen kleefden – ook al zetten twee tentoonstellingen in Londen hem neer als een motor van het moderne ballet.

Pas eind jaren tachtig werd Les Ballets Russes in de westerse wereld voorzichtig herontdekt. Kunstwerken uit Diaghilevs kring werden objecten voor verzamelaars, en kunsthistorici deden onderzoek naar zijn artistieke nalatenschap. Maar een goede biografie zit er volgens Scheijen niet tussen: «Om Diaghilev goed te begrijpen, moet je kennis hebben van de Russische taal. Dat is altijd een grote drempel geweest.» Wat de slavist Scheijen interesseert is Diaghilevs ideeënwereld waarmee hij het artistieke klimaat veranderde. Zelf wil hij in een studie de mythe afbreken dat Diaghilev een handig kunstmannetje was. Sinds de val van het communisme ligt in Rusland een schat aan materiaal (onder meer Diaghilevs familiearchief) maagdelijk te wachten op een onderzoeker. Met de interpretatie van Diaghilevs verdiensten is inmiddels een begin gemaakt. In het nuchtere Groningen, door een museum dat al jaren een passie voor Rusland koestert.