TONEEL Brandhout. Een irritatie

Kunstzinnig afval

De ik-figuur, een enorme persoonlijkheid, geklede jas, daaronder donker kostuum, Landru-baard, zweet op het voorhoofd, drentelt onrustig heen en weer op het voorste speelplan, vlak voor een achterwand van ruw in elkaar gespijkerd sleephout, die pal achter de manteau van de bonbonnière staat. De toneelspeler is er nog niet. En zonder de toneelspeler kan de kunstzinnige avond waarvoor de ik-figuur (Damiaan De Schrijver/Thomas Bernhard) is uitgenodigd, niet beginnen. Grote ergernis is zijn deel: wat doet hij hier, waarom is hij op de invitatie ingegaan, hoe lang moet hij nog wachten op de beroemde toneelspeler, hoeveel goedkope drank en beroerd voedsel moet hij doorstaan? De souffleuse-van-dienst (vanavond is dat Sara De Roo) staat hem bij in teksten, in woede-uitbarstingen, in onverwachte wendingen.
Wat we zien is het voor het toneel gefileerde prozakunststuk Holzfällen. Eine Erregung van Thomas Bernhard, een boek uit 1985, relaas over een kunstzinnige avond in Wenen, waarvan het nominale resultaat brandhout is waaraan de ik-figuur zich mateloos ergert – vandaar de titel, dat is de inhoud. Of nee, de inhoud is complexer, Bernhard smeert meteen vanaf het begin laag op laag, voorval op voorval, zodat de irritatie van de ik-figuur zijn meanderende diepgang krijgt, tot aan de randen van de zelfhaat. Want uiteindelijk is hijzelf de metteur-en-scène par excellence van zijn explosies. Damiaan De Schrijver is een toneelspeler die kan schakelen – op zichzelf niks bijzonders voor een toneelspeler. Maar hij schakelt hier uitsluitend in de luide, extatische en aan decibellen overmatig rijke regionen van de overlevingskunst, die bij Thomas Bernhard derhalve consequent Uebertreibungskunst wordt genoemd. Zo dicht op onze neus, de grote zaal verkleinend tot een intieme speelruimte en vervolgens weer vergrotend tot de enorme bonbonnière die zij is, de bonbondoos van de met zichzelf in hoge mate tevreden kunstzinnige chic, grenst de toneelspelerskunst aan het levensgevaarlijke koorddansen-zonder-net.
Het vereist, anders gezegd, een grote mate van beheersing & controle, een hoge graad van geslepenheid, en De Schrijver ís zo’n scherp geslepen toneelspelersdiamant. Zeker als hij, in het tweede deel van de voorstelling, de toneelspeler waarop iedereen wacht, ook nog gaat spelen. Dat is het woord niet, hij gaat hem verpersoonlijken. Wat wil zeggen dat de bombarie van de artisan die met zijn gebrul iedere uithoek van het schellinkje eist te bereiken, hier wordt doorblazen met de ironische asem van Bernhard (die over weinig asem en veel ironie beschikte) en met het commentaar op dit toneelspelersgebulder uit de koker van De Schrijver. Het is een monument van toneelhilariteit. Zeker als men bedenkt dat de rol in Ibsens Wilde eend, waarover de door zichzelf op het schild van het eerste plan geheven toneelkrabbelaar-van-het-vierde-plan zo monstrueus staat te snoeven, in de vertelling van Ibsen in feite een bijrol is. Voorwaar een veelgelaagde uitleg van een ijzeren wet in het toneel: er bestaan geen kleine rollen, er bestaan slechts kleine acteurs.
Aan het slot heeft het ensemble nog een coup de foudre op het repertoire die wij hier niet verklappen, maar die gezien mag worden als een hommage aan het woord dat Bernhard ooit bedacht voor de negatieve excessen in de toneelspelerskunst: kunstnatuurcatastrofe. Met lede ogen bezagen wij de karige speellijst en onderweg naar beneden telden wij in gedachten het aantal Nederlandse bonbonnières waarin deze geweldige toneelavond nog maandenlang kan worden vertoond. Om glimlachend te arriveren in het nieuwe café-restaurant van de Amsterdamse Stadsschouwburg, dat de hoofdstedelijke chic in een bui van verregende hoogmoed vernoemd heeft naar de Russische toneelvernieuwer Konstantin Stanislawski (waarom eigenlijk, die man kon nog geen ei bakken, laat staan een cocktail shaken?). Slot van een voorwaar grootse kunstzinnige avond.

Brandhout is nog te zien in de Koninklijke Schouwburg te Den Haag (11 maart) en in de KVS te Brussel (21 en 22 april); www.stan.be