‘Was het een kort of een lang leven?’

Elizabeth Hardwick, Slapeloze nachten

Ik kocht de bloemen niet zelf, en niemand anders deed het voor me. De uren verstreken, de markt was opgebouwd en zou spoedig weer worden afgebroken, en omdat ik het had verrekt bloemen te kopen gebeurde er verder ook niets meer. Hoe komt het dat sommige dagen zich tegen je keren? Je wordt nietsvermoedend wakker, maakt ontbijt voor je kind, ziet hem met zijn vader het trappenhuis in verdwijnen, klapt je laptop open, merkt dat je voeten ijskoud zijn en zo begint het. Niets wat je schrijft blijft overeind, zelfs mails blijven onafgemaakt, staand aan het aanrecht kauw je op een stuk brood dat binnen een dag oud is geworden. Kon je maar! Was je maar zo en niet zó!

Ik denk aan de schrijver die ploeterde op wat ze het ‘bindweefsel’ van haar roman noemde. Dat was het moeilijkste: al het spul dat bijeengehouden moest worden, in beweging moest blijven, soepel, alsof het een koud kunstje was (het bindweefsel van een roman, een dag, een leven). Ik denk aan de vrouw uit het boek, een jonge moeder die meent een kamer voor zichzelf nodig te hebben en voor een paar uur een hotelkamer huurt. Op die hotelkamer komt ze erachter dat ze geen kamer voor zichzelf nodig heeft, maar een heel leven. Je schrijft de eerste zin, zei geloof ik Joan Didion, en daarmee zet je jezelf de rest van het boek klem.

Ik herinner me dit niet uit de roman, maar in het toneelstuk neemt de jonge moeder in de hotelkamer een bad. Ze duikt onder en na een eeuwigheid komt ze boven, precies zoals het hoort in zo’n scène, handen die de badrand omklemmen, inademing, natte sliert haar. Ze wil niet dood, alleen maar weg. De actrice is Ilke Paddenburg, die vorig jaar nog overtuigend een hedendaags tienermeisje speelde in ITA’s De dokter. Hier, in een herneming van Eline Arbo’s De uren, naar de roman van Michael Cunningham (naar Virginia Woolfs Mrs. Dalloway), speelt ze een huismoeder in 1949, en ik kan me niet aan de gedachte onttrekken dat de een een commentaar is op de ander: het boze tienermeisje, de verstikte moeder.

De uren gaat over het verlangen naar bevrijding, en de vraag wat het betekent om verantwoordelijkheid te nemen voor je leven. Weggaan, blijven, bloemen kopen. Het bindweefsel van het leven, de onverwachte momenten van respijt. Geluk dat zich altijd presenteert als het begin van geluk. En hoe je dat achteraf pas kunt zien: dat het begin alles was, alles ís, en dat heel het bindweefsel bestaat om die zeldzame momenten te faciliteren. ‘There’s just this for consolation’, schrijft Cunningham, ‘an hour here or there when our lives seem, against all odds and expectations, to burst open and give us everything we’ve ever imagined.’

Zo’n moment van openbarsten heeft altijd te maken met verliefdheid, denk ik. Die paar kussen in je leven die je nooit vergeet. Het gevoel dat iets groots en onzegbaars binnenin jezelf tegen alle verwachtingen in wordt beantwoord door iemand anders. Moeilijk te zeggen of het kort of lang duurt, of het momenten zijn of gebeurtenissen die niet ophouden te gebeuren.

Wat ik weet voor vandaag is dit: er zijn geen bloemen gekocht, ik ben blijven zitten in de kamer met mijn koude voeten op de koude vloer en bijna onmerkbaar is er toch iets veranderd. Er zijn de grote uren waarin het leven zich opent, en er zijn de dagelijkse minuten waarin het gebeurt. Je leest een goede zin, je schrijft er een, je ligt op je rug met je ogen gesloten en iets opent zich. Als ik zo opsta kan ik het weer, iemand zijn in de wereld, niet stil maar bezig, en als straks iedereen weer thuiskomt is aan mij niets te zien, omdat er niets ís om te zien, alleen maar dit: een vrouw aan tafel, aan het werk, en op het fornuis staat soep want ergens is het nog steeds 1949 en lijkt het van levensbelang dat ik iedereen voed, en ik weet niet of het de soep is die me redt, of het boek, maar ik vermoed dat ze niet zonder elkaar kunnen en dat je daarmee alles over me weet wat er te weten valt.