Kwaad vlees

Geen vlees eten is in. Gekke koeien en varkenspest krijg je er maar van. Maar is dat echt vegetarisme? Pythagoras, Adolf Hitler en duizenden afgeslachte Katharen zouden zich omdraaien in hun graf. De geschiedenis van een gnostische heilsleer.
DE FILOSOOF Huub Briels, werkzaam aan de Katholieke Universiteit van Brabant, was onlangs te gast in het postmoderne VPRO-radioprogramma OVT. Briels mocht ter gelegenheid van de nationale Dag van het Vlees vertellen hoe hij op twaalfjarige leeftijd tot het vegetarisme was gekomen.

‘Het gebeurde op een zondag. Zo'n eindeloze zondag waarop er niets beters valt te doen dan verveeld wat tegen boomstronken aan te schoppen. Totdat ik onder een van die stronken opeens een paar felgele oogjes zag. Een pad! Vol vreugde dat ik eindelijk een speeltje had gevonden, stak ik mijn hand uit om het beestje te vatten. Maar toen zag ik onder die oogjes opeens een slangenkuil van vraatzucht… met daarin een wemelende, wippende, wellustige kolonie maden… die zich dwars door die nog levende pad heen een weg aan het vreten waren.’ Briels concludeerde op dat moment dat 'de wereld nooit zondags is, maar gefundeerd is op een alledaagse, verschrikkelijke werkelijkheid’.
De interviewer vertelde hierop trots dat hij sinds de varkenspest, evenals een paar honderdduizend landgenoten, ook vegetariër is geworden. 'Omdat vlees tegenwoordig zo ongezond is.’ Briels reageerde geschokt: 'Maar dat is geen vegetarisme! Dat is gewoon uit een egoïstisch motief eventjes geen vlees eten. Hieruit blijkt maar weer eens dat de kennis van het woord “vegetariër” omgekeerd evenredig is met de inhoud ervan. Het vegetarisme draait namelijk om veel meer dan alleen een vleesloos dieet. Het gaat om de juiste motivering daarvan.’
En wat is die juiste motivering dan? Briels: 'Wanneer je zoekt naar de oorsprong van het vegetarisme, dan kom je uit op Adam en Eva in het paradijs. Zij kenden het hele concept dood nog niet eens. Maar ja, omdat ze hun driften niet konden beheersen, kreeg je toen de zondeval. Vanaf dat moment gingen alle mensen en dieren dood. Als we weer terug willen naar het paradijs, moeten we ons dus beheersen. Laat dat dooie vlees maar eens staan. Dan blijkt al snel hoe ver iemand is gevorderd in het beteugelen van, eh… de innerlijke aandrangen.’
WAT MAAKT iemand tot vegetariër? Is het de geïnternaliseerde zelfdwang tot steeds geciviliseerder gedrag, zoals de socioloog Norbert Elias beweert? Is het een gesublimeerde hang naar kannibalisme, zoals de zieledokter Sigmund Freud suggereert? Of is het, zoals de historicus Jan Romein betoogt in zijn Op het breukvlak van twee eeuwen, slechts 'een uiting van het slechte geweten van een heersende klasse die enerzijds niet langer overtuigd is van het goed recht harer heerschappij, en anderzijds daarin nog zo weinig bedreigd wordt dat zij zich veroorloven kan haar eigen tekort te onderkennen.’ Wie het weet, mag het zeggen.
Zeker is wel dat het vegetarisme al millennia lang wordt gedragen door een oeroude dualistische heilsleer, waarin de aarde wordt beschouwd als een soort kosmisch slagveld. Hierop levert het Goede (de goddelijke ziel) een strijd op leven en dood met het Kwaad (het duivelse vlees). De eerste profeet van dit religieus beleden, westers vegetarisme (de hindoeïstische variant laten we buiten beschouwing) was de Griekse wijsgeer Pythagoras. De door hem verspreide leer valt via Jezus Christus, de Perzische messias Mani, de Katharenbeweging, de theosofie en Adolf Hitler direct door te trekken naar de vegetarische dogmatiek anno nu. Ironisch genoeg betekent de tegenwoordige rage van het vleesloze dieet - het Voorlichtingsbureau voor de Voeding schat dat er inmiddels meer dan 700.000 Nederlanders vleesloos eten - tevens de ondergang van het vegetarisme. Het is de vraag of veel mensen dit zullen betreuren. Erg gemoedelijke figuren zijn die vegetariërs immers nooit geweest.
De aartsvader van het vegetarisme, in het jaar 580 voor Christus geboren te Samos, placht tegen zijn leerlingen te zeggen: 'Er zijn mensen en goden en wezens zoals Pythagoras.’ Deze raadselachtige figuur was dan ook niet zomaar een Griekse filosoof, maar eentje die op hol geslagen ossen met een simpel handgebaar tot bedaren kon brengen, in een oogopslag kon zien hoeveel vissen zich bevonden in een willekeurig vissersnet en bovendien wist dat de som van de kwadraten van de rechthoekszijden van rechthoekige driehoeken gelijk is aan het kwadraat van de overliggende zijde, ook wel hypotenusa genoemd. Bovendien had Pythagoras al deze kunststukken, althans volgens zijn leerlingen, slechts te danken aan het niet eten van vlees.
Pythagoras’ vegetarisme kwam voort uit een begrip dat hij tijdens een verblijf in Egypte had opgedaan, maar dat voor een revolutie zou zorgen binnen de Griekse wijsbegeerte: dat van de onsterfelijke, doch in het vlees gevangen ziel, die eindeloos reïncarneert van het ene levende wezen naar het andere. Al het leven is hierdoor aan elkaar verwant. Pythagoras geloofde dan ook dat men door vlees te eten zijn eigen familie opat. Bekend is het verhaal hoe Pythagoras eens tegen een man die een jong hondje aan het afranselen was, zei: 'Stopt u daar mee, alstublieft, want ik hoor in het geblaf de angstkreten van een onlangs gestorven vriend.’
Pythagoras achtte ontsnapping uit deze cyclus mogelijk door een streng ascetisch leven, dat men diende te beginnen door eerst minimaal vijf jaar onafgebroken te zwijgen. Zowel vlees als bonen waren taboe, evenals het aanraken van witte hanen, het dulden van zwaluwen onder zijn dak en het kijken in spiegels die zich bevonden naast een brandende lamp.
Pythagoras kende veel navolgers, die zich overigens voornamelijk bezighielden met het opblazen van hun held tot messianistische proporties. De belangrijkste van hen is Plutarchus: 'Hoe zouden zijn ogen het zien van afgestroopte en in stukken gehakte beenderen kunnen verdragen? Hoe zou zijn neus bestand moeten zijn geweest tegen de bloederige stank? Hoe, vraag ik u, zou zijn tong niet ziek zijn geworden bij het aanraken van etterende, door bloed en rottende levenssappen vergiftigde open wonden?’
EEN TWEEDE HELD van het vegetarisme wordt geboren met Jezus Christus, die volgens de moderne godsdienstwetenschap lid schijnt te zijn geweest van de op een enkel visje na ascetisch levende sekte der Essenen. Na Jezus’ dood besliste God echter dat zijn volgelingen van het vegetarisme moesten afstappen, getuige het hongervisioen van de apostel Petrus (Handelingen 10:11-15): 'Een groot linnen laken werd aan de vier hoeken neergelaten op aarde, met hierin al de viervoetige en kruipende dieren op aarde en de vogelen des hemels. En een stem zei tot Petrus: Sta op, slacht en eet! Maar Petrus zei: Geenszins, Heer. Want ik heb nooit iets gegeten dat onheilig of onrein was. Maar dezelfde stem zei: Wat God gereinigd heeft, zult gij niet onrein achten.’
Door de geboorte van Mani, de in de derde eeuw na Christus levende messias van de Perzen, keerde het vegetarisme weer terug in de schoot van het christendom. Mani groeide op met de dualistische leer van Zarathoestra, die beweerde dat God en de duivel een eeuwigdurende strijd uitvochten om de ziel van ieder afzonderlijk mens. Terwijl de duivel de mens aan zich probeerde te binden door hem te verstrikken in het materiële, trachtte God de mensen weer te verheffen door hen zich te laten richten op hun ziel.
Mani hervormde deze leer en verkondigde dat de ziel bestond uit een verzameling lichtpartikeltjes die zich in alle levende wezens zouden bevinden. Deze zielevonkjes konden bevrijd worden uit de tweestrijd tussen God en de duivel wanneer ze van zichzelf bewust zouden worden gemaakt. Dit was mogelijk door het leiden van een uiterst ascetisch leven, waarin alle vlees, seks, geweld, leugenachtigheid en bezittingen moesten worden uitgebannen. Mani ging overigens nog een stapje verder dan zijn voorloper Pythagoras: hij geloofde dat planten bloeden wanneer ze werden afgesneden - hij werd zelfs een keer uitgescholden voor 'moordenaar!’ door een dadelboom op het moment dat hij er een vrucht vanaf plukte.
DE MANICHEISTISCHE leer moet een bijzondere aantrekkingskracht hebben gehad, want ze verspreidde zich als een olievlek tot in China en Frankrijk aan toe, en was korte tijd zelfs een belangrijke concurrent van het vroege christendom. Binnen het Romeinse rijk werd ze echter zwaar onderdrukt, waarna ze zich ondergronds ontwikkelde tot de school van de gnosis (vrij vertaald: 'zelfkennis’). Na een eeuwenlang hachelijk bestaan in allerlei grotten en schuilkelders bood de afbrokkeling van het Romeinse rijk en het Byzantijnse imperium vervolgens nieuwe kansen.
De opleving van 'het verderfelijke neo-manicheïsme’ werd voor het eerst gesignaleerd in het tiende-eeuwse Bosnië. Hier begon de Slavische priester Bogomiel volgelingen te werven door ze te vertellen dat niet God de wereld had geschapen maar zijn boosaardige zoon Satanaël. Deze hield de geestelijke zielen van de mensheid gevangen in materiële lichamen, die hij bovendien door de seksualiteit blind had gemaakt voor hun ware aard. Verlossing hieruit was slechts mogelijk door het nastreven van een zuiver geestelijk leven, zoals gedemonstreerd door Gods tweede zoon Jezus, door Hem naar de wereld gezonden ter redding van de mensheid. Alweer: geen vlees, geen seks, geen geld en geen geweld. Want alleen dan is het paradijs nabij.
Ook het bogomielisme verspreidde zich razendsnel, wellicht omdat het de ongeletterde Slavische boerenbevolking een eenvoudige verklaring bood voor het lijden op de sedert eeuwen door oorlogen, hongersnoden en epidemieën geteisterde aardkloot. In het jaar 1199 werd zelfs een Bosnische Bogomielenkerk gesticht, compleet met bisschoppen en een paus, die standhield totdat de Turken in 1463 de Bosniërs vernietigend versloegen en hun land inlijfden.
Tegen die tijd had het bogomielisme zich allang verder verspreid naar het westen. Deze leer is vrijwel identiek aan de twee grote ketterse volksbewegingen van de Zuid-Franse Albigenzen en de Rijnlandse Katharen, die tussen de elfde en de dertiende eeuw floreerden. Hun praktische, tot soberheid aansporende heilsleer stond in schril contrast tot de in deze tijd volledig ontspoorde rooms-katholieke kerk, waarin priesters met vrouwen konden samenleven, vaak openlijk in dronkenschap verkeerden en de vastendagen massaal ontdoken terwijl de bevolking hongerde. Vandaar dat deze ketters vaak als een soort bevrijders werden binnengehaald in de dorpen waar ze verschenen.
De officiële kerk sloeg echter hard terug door het organiseren van een aantal kruistochten. Alleen al in Beziers werden vijftienduizend mannen, vrouwen en kinderen door kruisvaarders in stukken gehakt. Tegelijkertijd ging de Inquisitie voortvarend aan het werk om ook in de plattelandsdorpen de ketters uit te roeien. De trieste geschiedenis hiervan blijkt uit de nauwgezet door de Inquisitie bijgehouden rechtbankverslagen. Vermeend vegetarisme speelde een belangrijke rol bij deze processen. Zo werd in 1052 in het Franse plaatsje Goslar een groepje boeren voorgeleid omdat ze weigerden een kip de hals af te snijden. Het rechtbankverslag: 'Naast andere duivelse manicheïsche doctrines wezen ze het eten van alle dieren af, waarop ze met algemene instemming werden veroordeeld tot de strop.’
In de rechtbank van Toulouse claimde een beschuldigde zelfs dat hij geen ketter was, immers: 'Ik slaap met mijn vrouw, ik eet vlees en ik lieg terwijl ik eden zweer. Ik ben kortom een goed christen.’ De laatste Franse ketter werd in 1330 verbrand. In Duitsland woedde de Inquisitie nog een paar eeuwen door.
MISSCHIEN WAS het vanwege deze ongekende vervolging dat in de eeuwen erna slechts een enkeling zich positief durfde uit te spreken voor een vegetarische levenswijze, onder wie vrijgevochten geesten als Erasmus, Thomas More, Leonardo da Vinci en Jean-Jacques Rousseau. Pas in 1847, met de oprichting van de Engelse Vegetarian Society kwam de beweging weer van de grond. Ook dit clubje Bible Christians had gnostische wortels. Het beriep zich op de alchemist en astroloog Emanuel Swedenborg, voor wie het eten van vlees het meest pregnante symbool van de zondeval en dus de bron van alle kwaad was.
Al snel sloeg de nieuw leven ingeblazen vegetarische beweging over naar West-Europa en Amerika, waar ze vooral aanhangers trof onder vaak uit gegoede burgers bestaande groepen theosofen, rozenkruizers, antroposofen en aanhangers van de Christian Science. Ook deze clubjes gaan terug op dezelfde, tot soberheid en zelfinzicht manende gnostische wortel. Het favoriete kookboek uit deze tijd was Een nieuw systeem van groentekoken van ene mevrouw Brotherton, die in haar introductie het probleem van de vis etende Jezus handig oploste door te stellen dat het Hebreeuwse woord voor watermeloen eigenlijk verkeerd vertaald was als 'vis’.
De vroege vegetarische beweging hield zich vooral bezig met het opzetten van een netwerk van vegetarische restaurants en gratis soepkeukens voor de armen. Vooral in Engeland waren deze filantropische restaurants een daverend succes, niet in de laatste plaats omdat de Engelse armen door de hoge prijs van vlees er in de praktijk toch al een vrijwel vegetarische levenswijze op nahielden. Zo beschreef Friedrich Engels in De condities van de werkende klasse in Engeland in 1844, een van de eerste communistische standaardwerken, de directe relatie van vlees tot welvaart: 'Goedbetaalde arbeiders eten ’s avonds dagelijks vlees en ’s middags spek en kaas. Waar de lonen lager zijn, wordt echter slechts twee à drie keer per week vlees gegeten. Nog minder loon zorgt ervoor dat het vlees wordt gereduceerd tot een klein stukje, door de aardappelen gestampt spek. Nog een trapje lager staat er alleen brood, kaas, havermout en aardappelen op tafel. Op het allerlaagste trapje, dat van de Ieren, bestaat het voedsel louter en alleen uit aardappelen.’
In hun gratis restaurants houden vegetariërs redevoeringen waaruit moet blijken dat mensen eigenlijk fructivoren zijn, dat vlees agressief maakt, en dat vlees aanzet tot alcoholgebruik en onzedelijk gedrag. Veel aanhang weet de vegetarische beweging echter niet te werven onder de arme bevolking. Door de grote verschillen in afkomst en inkomsten is het vaak pijnlijk duidelijk dat de vegetariërs wel vlees kunnen kopen, maar het niet willen eten, en dat hun klanten vaak wel vlees willen kopen, maar het niet kunnen betalen.
MEER SINISTERE tijden voor het vegetarisme braken aan in 1911, toen de jonge kunstschilder Adolf Hitler de geschriften van de door hem geadoreerde componist Richard Wagner ontdekte. Wagner schreef tussen 1880 en 1883 een serie essays over het vegetarisme, waarin hij vlees verantwoordelijk stelde voor alle agressie in de wereld en de hoop uitsprak dat er ooit een nieuwe religie zou ontstaan waarin het vleesloze dieet een hoofdrol zou spelen. Daarnaast las Hitler de blaadjes van Lanz von Liebenfels’ Orde van de Nieuwe Tempel, een ascetisch levende Germano-christelijke monnikensekte vlakbij Wenen.
Volgens zijn biografen moet het Hitler weinig moeite hebben gekost om vegetariër te worden, aangezien hij voornamelijk hield van zoetigheid als roomgebakjes, notentaart en rijst met chocoladesaus. Een van zijn eerste daden na de machtsovername in 1933, die luid werd toegejuicht door de Duitse Vegetariërsbond, was overigens het illegaal verklaren van diezelfde vegetarische beweging. Naar zijn smaak was deze veel te pacifistisch getint. Bovendien zat ze vol met warhoofden, bij wie prompt huiszoekingen werden gedaan. Wel nam Hitler in 1937 de strikt vegetarische, om haar taarten vermaarde, kokkin Fraulein Manzialy in dienst.
Aan zijn tafel bestond dan ook altijd de keuze tussen twee menu’s: een vegetarisch en een met vlees. Uit de notulen van zijn sinds 1941 trouw genoteerde tafelgesprekken bleek dat de geneugten van het vegetarisme ook regelmatig het onderwerp van Hitlers monologen waren. Hitler begon meestal met te betogen dat de vroege mens, totdat de ijstijden hem dwongen tot het eten van vlees, leefde in een soort paradijselijke toestand van harmonie met de dieren. Vervolgens wees hij erop dat vegetariërs lang niet zo erg zweetten als vleeseters, minder last hadden van winderigheid en ook beduidend minder problemen hadden met vieze onderbroekvlekken. Meestal eindigde hij door zijn disgenoten uit te schelden voor 'lijkenbikkers’ en 'kadavervreters’.
Himmler, Goebbels, Goering en consorten bleven echter gewoon vlees eten. De enige partijfunctionaris die hij tot het vegetarisme wist te bekeren, was zijn persoonlijke secretaris Martin Bormann, hoewel andere partijfunctionarissen deze na afloop van het maal vaak aantroffen in de keuken, alwaar hij zich zat vol te stoppen met schnitzels en worst.
Nadat in 1942 binnen de marine geruchten begonnen te circuleren dat Hitler van plan was om zijn soldaten het vleeseten te ontzeggen, kwam admiraal Fricke bezorgd om opheldering vragen. Hitler reageerde echter met: 'Geloof het niet! Als het vegetarisme een integraal onderdeel van het nationaal-socialisme zou zijn geweest, dan zou onze beweging zeker niet zijn geslaagd. Men zou immers direct hebben gevraagd: “Maar waarom was het been van het kalf dan geschapen?”’
Toen de oorlog zijn einde begon te naderen, begon Hitler echter wel openlijk te dromen van een Derde Vegetarisch Rijk. Joseph Goebbels hierover in Hitlers geheime conversaties: 'Hij gelooft meer en meer dat vlees eten schade brengt aan het mensdom. Natuurlijk weet hij ook wel dat we tijdens de oorlog geen veranderingen kunnen aanbrengen in de voedseldistributie. Na de oorlog, echter, zal hij ook dit probleem aanpakken.’
Na de Tweede Wereldoorlog zal de vegetarische beweging haar claim dat een vleesloos dieet tot pacifisme stemt, niet meer herhalen.
VANAF DE JAREN vijftig vinden de argumenten van de vegetariërs sowieso weinig gehoor meer. De arbeiders tot wie zij zich vroeger richtten, stortten zich door de toegenomen welvaart massaal op het luxe-eten dat ze zichzelf altijd hadden moeten ontzeggen: biefstuk, roomboter en barbecuepakketten.
Daarbij wordt door een aantal spectaculaire archeologische opgravingen in Afrika het argument dat de mens vroeger als fructivoor leefde van tafel geveegd. Momenteel luidt de consensus onder paleoantropologen dat de opkomst van de mensheid nauw is verbonden met de stenen mesjes die tweeëneenhalf miljoen jaar geleden opdoken. De op dierenbotten gevonden sporen van dit soort mesjes hebben duidelijk gemaakt dat het vlees al behoorlijk lang op het menu van de mens staat.
Hoogstwaarschijnlijk is de mens zelfs mens geworden juist dóór het eten van vlees, zo concludeert de toonaangevende antropoloog Richard Leaky in The Origin of Humankind uit 1994. Tegelijk met het verschijnen van de stenen mesjes begon het volume van het brein immers explosief te groeien, iets dat volgens Leaky alleen kon gebeuren door het beschikken over 'een extreem rijke bron aan calorieën, proteïne en vet. Alleen door het toevoegen van een aanzienlijke hoeveelheid vlees aan zijn dieet kon de vroege mens zich “veroorloven” om zijn brein zodanig te laten groeien.’
Vervolgens leek het vanaf de jaren zestig toenemende wantrouwen jegens ideologieën en heilsleren de doodklap toe te brengen aan de vegetarische beweging, die in Nederland tot voor kort bestond uit een noodlijdend en sterk vergrijsd kliekje van een paar duizend hele en halve antroposofen. Momenteel lijkt zich echter een drastische kentering te voltrekken. Want de clubkas van de Nederlandse Vegetariërsbond wordt sinds het midden van de jaren negentig gespekt door een jaarlijkse aanwas van vele honderden jeugdige leden.
Hierdoor krijgt de vegetarische beweging opeens een vreemde richting; van Rudolf Steiner of Domela Nieuwenhuis hebben de meesten immers nog nooit gehoord. Want niet de negatieve vibratie van het kosmische dierenleed drijft deze jongeren tot een vleesloos dieet, maar de hoogstpersoonlijke angst voor gekke koeien, radioactieve vis en het met de builenpest besmette varkenslapje. Wanneer de tekenen niet bedriegen, betekent hun gebrek aan ideologische lading echter de doodklap voor het aloude, op de zucht naar zelfkennis en de angst voor vleselijke lusten gebaseerde vegetarisme.
VEGETARISCH FILOSOOF Huub Briels, in gesprek met de VPRO: 'Sinds de Tweede Wereldoorlog leven we in een periode waarin je mensen eigenlijk niet meer mag vragen naar hun motivering: je doet maar wat je doet, en verder moet je alles zelf maar weten. Jammer genoeg is dat idee nu ook in het vegetarisme geslopen. Nog niet eens zo lang geleden was dat wel even anders: toen haalden wij ons eten bij de Reformshop, want daar was je onder mensen die met dezelfde idealen hun groentepakket aanschaften. En als je er iemand niet kende, dan vróeg je die naar zijn of haar ideaal. Tegenwoordig halen een hoop mensen die zich vegetariër noemen een sojaburger bij Appie Hein en daar worden ze echt niet meer gevraagd naar wat ze denken. Nee, daar vragen ze of je wilt pinnen.
Ach, ik zie dat moderne vegetarisme toch als een crisisverschijnsel. We leven nu toch weer in een fin de siècle. Men is radeloos op zoek naar oude antwoorden op nieuwe problemen. Maar men heeft een ahistorisch bewustzijn.’
De crisis van de Vegetariërsbond blijkt ook uit haar huidige orgaan Leven en Laten Leven, dat in korte tijd is geëvolueerd tot een merkwaardige kruising tussen Bres en de Veronica-gids. 'De geitenwollensokken kunnen voorgoed in de kast’, belooft de hoofdredacteur goedmoedig in het zomernummer. Inderdaad staan tussen merkwaardige bijdragen als 'Koffie: satansdrank of wondermiddel?’ en reclame voor de White Lodge ('gericht op verruiming van inzicht in de samenhang tussen zichtbare en onzichtbare levensniveaus’) ook een gezellige reportage over een koeienopvanghuis. Verder blijkt de traditionele scheldkanonnade op onspiritueel geacht 'nepvlees’ vervangen door een recept voor 'een snelle pindagehaktbal’.
'Wij verkopen wat de consument wil’, citeert Leven en Laten Leven zelfs goedkeurend de bedrijfsleider van Cebeco Meat Products. Deze eens gezworen vijand overweegt tijdelijk over te gaan op sojaburgers, tahoekroketten en linzenkarbonades. 'Want als de mensen vanwege hun gezondheid massaal overstappen op vleesvervangers, dan verkopen we die. Zo simpel is dat.’
We leven waarlijk in vreemde tijden: terwijl de veestapel collectief de vuilverbranding in wordt gekiept, slaan postmoderne vegetariërs en slagers de handen ineen. Alleen voor de dieren verandert er niets. Tegen hun premature dood is nog steeds geen kruid gewassen.