Media

Kwakzalverij

De eisen die de overheid stelt aan fabrikanten worden steeds strenger. Of het nu gaat om pluche beesten, fietsonderdelen of vegetarische hamburgers, al die goederen moeten voorzien zijn van veiligheidscertificaten en productbeschrijvingen.

En, belangrijker, de producenten zijn aansprakelijk wanneer een baby het oogje van de pluche aap toch weet los te peuteren, de stuurpen van de fiets afbreekt of er sporen van varkensvet in het nepvlees blijken te zitten. Niet dat met deze regulering alle problemen zijn opgelost, maar de productvoorschriften bieden de kritische consument in ieder geval enige houvast en bescherming tegen geknoei en kwakzalverij.

In de media ontbreken zulke productvoorschriften. In democratische landen als Nederland is de journalistiek een vrij beroep, waaraan geen enkele beperking wordt gesteld, geheel in de geest van de grondwettelijke bepalingen over de vrijheid van meningsuiting en aanvullende - deels Europese - bepalingen en uitspraken. Pogingen om de journalistieke praktijk toch aan bepaalde regels te binden - in de vorm van beroepsregistratie, een wettelijk recht op weerwoord of de invoering van een dwingende beroepscode - zijn sinds de Tweede Wereldoorlog vrijwel overal stukgelopen. De journalistiek is daarmee aan geen andere regels gebonden dan de gewone burger; haar grenzen zijn te vinden in het wetboek van strafrecht en het burgerlijk wetboek.

De vrijheid van de journalistiek is een onschatbaar goed en iedere poging om deze van bovenaf - of zelfs onder elkaar - in te perken moet rigoureus van de hand worden gewezen. Met één uitzondering: media zouden verplicht moeten worden expliciet aan te geven aan welke uitgangspunten en regels zij zichzelf hebben verbonden, bij wijze van productbeschrijving, die de lezer en kijker in staat stelt zich een oordeel te vormen van de waarde van het product dat wordt geleverd, in de vorm van een krant, een programma of een site. Want waarom zou een consument wél recht hebben op een icoontje van een tandenborstel bij een reclame voor zoetwaren, maar niet op een bijschrift dat er voor artikelen of uitzendingen is betaald?

Een wettelijke verplichting voor kranten, tijdschriften, programma’s en websites zichtbaar te maken aan welke regels zij zich gebonden achten en waarop zij dus juridisch aanspreekbaar zijn, dient niet alleen de lezer en kijker, de burger en consument, maar bovenal de journalistiek zelf. Immers, geen ander beroep wordt op zo'n schaal geprostitueerd en misbruikt. Schier eindeloos is het aantal externe partijen dat probeert mee te surfen op het vertrouwen dat de samenleving jegens de professionele journalistiek op grond van haar streven naar onpartijdigheid en evenwichtigheid mag koesteren. En telkens blijken deze partijen - bedrijven, politici, investeerders, instellingen - in staat media te vinden die zich zoiets laten aanleunen en bereid zijn pagina’s en programma’s te maken in ruil voor wederdiensten in de vorm van reizen, advertenties of zelfs cash.
Neem nu zo'n talkshow als Business Class van Harry Mens en zijn dochter Suze, iedere zondagmorgen te zien op RTL7. Het lijkt een journalistiek programma, maar de kern ervan bestaat uit gesprekken met mensen die voor dat vriendelijke interview dik hebben betaald. In de loop der jaren heeft een aantal oplichters en criminelen gretig van deze formule gebruikgemaakt, soms met ernstige gevolgen. Uit naam van de slachtoffers van hun praktijken keerde zelfs De Telegraaf zich onlangs openlijk tegen Mens. Deze blijft evenwel bij zijn werkwijze: toen het Vara-programma Rambam afgelopen zomer aantoonde dat zelfs onwaarschijnlijke fantasten, zoals een gefingeerde ‘producent in kleding uit koeienmest’, moeiteloos bij Business Class binnen kon komen, verweerde hij zich met het argument dat hij 'hartstikke kritisch’ was: 'Als ze 14.500 euro willen betalen aan een item zal het wel goed zijn, toch?’

Het zou een wereld van verschil maken wanneer RTL7 verplicht zou zijn aan het begin van programma’s als Business Class aan te geven dat er voor de inhoud van het programma betaald is; of wanneer Sp!ts bij een spread zou opnemen dat die dubbele pagina’s gefinancierd zijn door belanghebbenden; of wanneer een reisblad bij de artikelen zou moeten vermelden welk reisbureau, nationaal verkeersbureau of welke vliegtuigmaatschappij aan dat stuk heeft meebetaald.
Zo ver is het echter nog niet. Misschien zijn er nog wat tussenstappen nodig om duidelijk te maken waar het om gaat. Misschien ligt hier een taak voor de NVJ of het Genootschap van Hoofdredacteuren, of misschien zelfs het Openbaar Ministerie: een proefproces tegen Business Class, een bodemprocedure op grond van misbruik van het vertrouwen in de journalistiek, vergelijkbaar met de processen tegen kwakzalvers en merkvervalsers. Zo'n proces zou niet alleen een flinke steun zijn in de rug van de strijd tegen dergelijke openlijke prostitutie, maar ook een halt kunnen toeroepen aan andere, minder zichtbare, sluipende vormen van misbruik van de journalistiek.