Plotselinge schokken van diep inzicht die door je hele lichaam golven. Het gevoel dat alles anders is dan je dacht en tegelijkertijd eindelijk écht klopt. Een bijna mystieke ervaring. En dan de overtuiging: dit verandert alles. Je wil per direct natuurkunde gaan studeren. Je wil naar de deeltjesversneller van cern in Zwitserland. Het is onmiskenbaar: je bent een kwantum-groupie geworden.

Zo ging het althans bij mij. En ik ontdek steeds meer andere groupies in mijn omgeving. We zijn geen natuurkundigen. Sterker nog: we snappen het grootste gedeelte van de kwantumtheorie maar half. We kopen het nieuwe boek van kwantumfysicus Carlo Rovelli, Helgoland (2020). Ons innerlijke vuur vlamt hevig op wanneer we lezen dat de ‘fysische wereld lijkt te zijn opgelost in lucht (…). De werkelijkheid is in stukken gebroken in een spel van spiegels.’ Andere delen slaan we over: te moeilijk voor ons.

De volgende dag gaan we naar ons werk, laten we de hond uit en lijkt er niets te zijn veranderd. Hoe kan dat? Waarom heeft niet iedereen het over kwantum? Hoe kan het dat wetenschappers kwantumfysica de grootste revolutie van onze tijd noemen, een volledig nieuw begrip van de werkelijkheid zelfs, terwijl we daar vrijwel niets van terugzien in ons eigen leven?

Ik besluit op onderzoek te gaan en begin bij kwantumfysicus Carlo Rovelli. Al eerder was ik weggeblazen door zijn boek Het mysterie van de tijd (2018). Toegankelijk en mooi schrijven over natuurkunde is zeldzaam, maar hij kan het. Helgoland is zijn boek over kwantumfysica. Twee keer lees ik het in opperste concentratie. Op elke pagina onderstreep ik zinnen en maak ik aantekeningen. Pas dan durf ik hem te interviewen via een Zoom-gesprek. Hij bevindt zich in Ontario, Canada, en verschijnt op mijn scherm: een beetje rommelige bos grijs haar en zachte donkerbruine ogen. Zorgvuldig kiest hij zijn woorden in foutloos Engels met een Italiaans accent. ‘Kwantum kun je vergelijken met de revolutie van Copernicus. Niets veranderde in die tijd direct in ons leven, maar omdat we begrepen dat de aarde rond was, veranderde tegelijkertijd alles. Het was een complete heroriëntatie van onszelf en van ons wereldbeeld. We begrepen dat we niet het centrum van het heelal zijn, maar dat we leven op een rots die ronddraait in de ruimte.’

In Helgoland beschrijft Rovelli de geschiedenis van de kwantumfysica, die begint met een briljant idee van de 23-jarige Werner Heisenberg. ‘Het soort idee dat alleen kan ontspruiten in het brein van een grenzeloos radicale twintiger… Een idee dat de mensheid volgens mij nog steeds niet heeft verwerkt’, schrijft Rovelli.

In plaats van te zoeken naar nieuwe bewegingswetten die de door Niels Bohr ontdekte banen en sprongen van elektronen in een atoom zouden kunnen verklaren, doet Heisenberg iets radicaal anders. Hij ziet af van het idee dat een elektron een object is dat langs een baan beweegt. Hij probeert niet langer de beweging van het elektron te beschrijven, maar hij besluit alleen te beschrijven wat van buitenaf te observeren is, de zogenaamde observabelen: in dit geval de intensiteit en de frequentie van het door het elektron uitgezonden licht. Hij vervangt de fysische variabelen, alle grootheden die de beweging van het elektron kunnen beschrijven, door tabellen, door getallenmatrices. In plaats van één enkele plaats waar het elektron zich bevindt, ontstaat op deze manier nu een hele matrix van mogelijke plaatsen. Heisenberg stuurt zijn idee in ruwe vorm naar Max Born, de hoogleraar bij wie hij assistent is. Deze ziet meteen dat Heisenbergs idee van groot belang is. Hij begrijpt dat deze theorie draait om kansen, om waarschijnlijkheden.

Naast de concepten van observabelen en kansen is er nog een derde kernelement van de kwantumtheorie: korreligheid. ‘Kwanta’ betekent korrels en Rovelli legt uit dat de wereld op zeer kleine schaal ‘korrelig’ is. De term komt van Einstein, die in 1905 opperde dat licht bestaat uit elementaire ‘korrels’, elk met een vaste energie. Het zijn de eerste ‘kwanta’, tegenwoordig noemen we ze fotonen. Einstein besefte toen al dat de problemen die door deze verschijnselen werden opgeroepen zo serieus waren dat de hele mechanica eigenlijk op de schop moest. Om die reden noemt Rovelli hem dan ook de ‘geestelijke vader van de kwantumtheorie’.

Ten slotte is er het verschijnsel dat kwantum volstrekt vreemd en bizar maakt: de kwantumsuperpositie. Rovelli legt het als volgt uit: ‘Je hebt met een kwantumsuperpositie te maken wanneer twee tegengestelde eigenschappen als het ware tegelijkertijd gelden. Een object kan bijvoorbeeld hier en ook daar zijn. In zekere zin bevindt het zich op beide plaatsen.’ De kwantumsuperpositie gaat tegen al onze intuïties in. Hoe kan een object nou op meerdere plaatsen tegelijk zijn? Dit kan alleen maar zo zijn als er in feite geen objecten zijn. ‘Eigenschappen van objecten zijn relatief en bestaan alleen op het moment dat er interactie is.’ Rovelli vergelijkt het met snelheid. ‘We weten dat snelheid een fysische eigenschap is van een object ten opzichte van een ander object. Accepteren dat de aarde een bol is betekent accepteren dat de begrippen boven en onder relatief zijn, want afhankelijk van de plaats waar we ons op aarde bevinden. De kwantumtheorie trekt deze relativiteit in radicale zin door: alle eigenschappen van alle objecten zijn relationeel en bestaan alleen maar in relatie tot elkaar.’

Het kwantumfenomeen dat misschien nog wel het meest tot de verbeelding spreekt en dat een gevolg is van deze radicale relationaliteit is verstrengeling. Dit is het verschijnsel dat twee kwanta, twee hele kleine deeltjes, die elkaar in het verleden zijn tegengekomen, een bepaalde band met elkaar houden, ‘zoiets als twee verre geliefden die elkaars gedachten raden’, schrijft Rovelli poëtisch. Voor hem is de belangrijkste les van de kwantummechanica dat we de wereld beter kunnen begrijpen als we denken in termen van relaties in plaats van in termen van objecten.

Als dit alles je boven de pet begint te gaan, maak je dan vooral geen zorgen. Je bent in goed gezelschap. Einstein deed immers de befaamde uitspraak: ‘Iedereen die denkt dat hij de kwantumtheorie begrijpt, heeft hem niet begrepen.’

Robbert Dijkgraaf: ‘Kwantumtheorie is als een foto. Van dichtbij zie je de pixels, maar van een afstand is het gewoon één grijs vlak’

Toch is men het er in de wetenschap inmiddels over eens dat de kwantumtheorie ons het beste beeld geeft van de werkelijkheid. Alle experimenten tot nu toe hebben de theorie ondersteund. Hoe kan het dan dat we kwantumeffecten, zoals verstrengeling, in de praktijk vrijwel nooit zien? Robbert Dijkgraaf, de bekende hoogleraar theoretische natuurkunde aan het Institute for Advanced Studies in Princeton, bevestigt dat de subtiliteit van de kwantumtheorie meestal niet zichtbaar is voor ons: ‘Alles in de werkelijkheid verloopt volgens de kwantumtheorie. Maar wij mensen bestaan uit hele grote aantallen van die kleine deeltjes, wij zijn macroscopische objecten. Het is een beetje alsof je van heel dichtbij naar een foto kijkt, dan zie je al de afzonderlijke pixels, maar van een afstand is het gewoon één grijs vlak. Die pixels zie je alleen als je inzoomt.’ Rovelli vergelijkt de korreligheid van de kwanta met de woeste golven van de oceaan, die zich vanuit de ruimte als een stilstaand blauw vlak aan ons voordoet. Dat stilstaande blauwe vlak betekent niet dat de golven van de oceaan niet bestaan.

Dijkgraaf raakt erg enthousiast over wat in zijn ogen misschien wel de grootste toepassing van de kwantumtheorie is: die van de oorsprong van het heelal. ‘Dat is nog een beetje speculatief, maar er zijn veel aanwijzingen dat het heel vroege heelal in een fase is geweest waarin het heel klein was, misschien de grootte van een tennisbal. In die vroege beginfase waren er dus kwantumeffecten en die effecten zijn nu nog als een soort imprint terug te zien in de grote structuur van het heelal. Dus de vraag waarom er iets is en niet niets lijkt verklaard te kunnen worden door al die gekkigheid in de kwantumtheorie. Zelf vind ik dat een prachtig filosofisch punt: van de kleinste deeltjes is uiteindelijk het hele universum gemaakt. Tegelijkertijd betekent dat wel dat al die subjectiviteiten, de kabbelingen, de fluctuaties van de kwantumtheorie er ook wel weer een beetje uit gevroren zijn. Daarom kijken we naar de sterrenhemel en zien we een ster, terwijl het ergens anders donker is. Het is niet zo dat die ster opeens ergens anders komt te staan. De zon blijft bijvoorbeeld gewoon op dezelfde plek staan. We zien dus de imprint van de kwantumtheorie, maar niet de kwantumtheorie zelf. Het is als een soort klein fluisterstemmetje dat je alleen kunt horen als je in een lab gaat zitten en het kunstmatig heel stil maakt.’

Toen zo’n honderd jaar geleden de kwantumtheorie ontstond, hielden natuurkundigen als Bohr, Einstein en Heisenberg zich bezig met de filosofische interpretatie van de nieuwe theorie. Want wat betekende dit nu allemaal voor de wereld, voor ons? Daarna volgde een langere periode waarin de houding was: ‘Shut up and calculate’, vertelt Dijkgraaf. Hij denkt dat omdat de kwantumtheorie nu heel voorzichtig een onderdeel wordt van ons dagelijks leven (‘misschien hebben we over tien jaar wel allemaal een kwantumtelefoon’), en deze vragen weer terugkomen. Wat Dijkgraaf betreft is er echter geen consensus over wat de kwantumtheorie in filosofisch opzicht betekent.

‘Ik voel me bij geen van de filosofische interpretaties echt senang’, zegt hij. ‘Ik accepteer dat dit op dit moment de beste manier is waarop we de werkelijkheid kunnen beschrijven. Einsteins uitdrukking dat god niet dobbelt, is inderdaad een lastig punt. Want stel je voor: je bent god en je kunt de werkelijkheid vormgeven. Jij kunt de natuurwetten kiezen, jij kunt helemaal het mechanisme bepalen van de werkelijkheid. Waarom zou je dan dit kiezen? Dit is toch te gek voor woorden? Iedereen die iets maakt, maakt een plan en voert dat uit. Die gaat niet zeggen: ik ga bij iedere stap een dobbelsteen opgooien. Geen enkele architect werkt zo, geen enkele schrijver. Je wil een plot hebben. En het enige wat ik dus kan begrijpen, en dat is misschien een soort gekke troost, is dat deze benadering verklaart waarom je een heelal kunt scheppen zonder een keuze te maken. Want eigenlijk is die keuze door de kwantumtheorie gemaakt. Dat is ook wel prettig, want dat betekent dat je die waarom-vraag eigenlijk uit handen hebt gegeven. De prijs die je ervoor betaalt is dat alle stappen in de werkelijkheid in een soort gekke onzekerheid en ambiguïteit blijven, maar in de dagelijkse praktijk merk je daar dan weer niets van. Ik vind het allemaal heel erg onbevredigend.’

Op dit moment zijn er tal van filosofen die zich storten op de implicaties van de kwantumtheorie voor de werkelijkheid. Bernardo Kastrup is een van die filosofen, hij heeft een PhD in filosofie en een in computerengineering; bovendien is hij directeur van Essentia Foundation, een organisatie die zich bezighoudt met de moderne renaissance van het metafysische idealisme, de notie dat de realiteit in essentie geestelijk is. Ook met Kastrup praat ik via Zoom. Hij is voorkomend en vriendelijk en praat met een grote innerlijke gedrevenheid.

Kastrup heeft ‘natuurlijk het grootste respect voor Carlo Rovelli’, maar hij vindt de uitkomst van zijn ideeën problematisch. ‘Rovelli zegt dat de hele fysische wereld relatief is. Want als hij gelijk heeft en elk fysisch object is relatief, dan is de vraag die meteen daarna komt: relatief aan wat? Als materie altijd relatief is, dan heb je iets niet-materieels en absoluuts nodig om een referentie te bieden voor alles wat wél relatief is, om dezelfde reden dat je een wereld van puur beweging niet kunt hebben zonder iets dat beweegt ten opzichte van iets anders. Je kunt niet een wereld hebben waar alles wat bestaat relatief is. Dingen die deze relaties aangaan moeten wel absoluut bestaan. Maar Carlo zegt dat ze een relatie zijn. Alles wat je hebt zijn relaties en die relaties zijn zelf ook weer relaties tussen relaties, maar uiteindelijk houd je dan dus niets over dat echt bestaat. Je kunt met taal wel zeggen dat dit zo is, maar het heeft geen betekenis. Carlo probeert ons een wereld van pure abstractie te geven waarin wij zelf niet bestaan, want wij zijn relaties.’

Kastrup neemt Rovelli’s conclusie dat de fysische wereld relatief is bloedserieus, maar ziet geen ander alternatief dan daarop vervolgens te postuleren dat onder de fysische wereld een andere, niet-fysische wereld moet liggen die niet relatief is. Die wereld is dan de fundering voor de relaties waarvan de fysische wereld gemaakt is. Waar die fundering dan precies uit bestaat? ‘Bepaalde mensen zouden kunnen zeggen: het is puur informatie. Maar dat heeft ook geen betekenis, want informatie is een beschrijving van de mogelijke toestanden van een systeem en informatie bestaat niet op een zelfstandige manier. Informatie is altijd een beschrijving van iets. Of je zou kunnen zeggen: als het niet fysisch is, dan is die onderliggende wereld pure abstractie. Ik vind het lastig om te zien dat mensen in de academische wereld verloren raken in een oceaan van abstracties. En de motivatie daarvoor is telkens om een bepaalde materialistische intuïtie te behouden.’

Hij vervolgt: ‘Veel eenvoudiger is het om dat materialisme gewoon op te geven. Het andere ding waarvan we weten dat het bestaat is de geest, de natuurlijke geestelijke processen. Als je dat neemt als onderliggende werkelijkheid, dan heb je een compleet, coherent plaatje. Daarin is de fysische wereld relatief, omdat die slechts een beeld is van de absolute, onderliggende, geestelijke wereld. We weten dat die geestelijke wereld bestaat, namelijk in de vorm van onze eerste-persoon-ervaringen. Materie is niet fundamenteel; het is slechts een verschijningsvorm van de geest, net als tranen en kromgetrokken gezichtsspieren de materiële verschijningsvorm van innerlijk verdriet zijn. Daarmee valt alles op zijn plek.’

Kwantumfysicus Carlo Rovelli: ‘Waarom hebben we een fundament nodig? Het is een kinderdroom om zo te denken’

Hier begint mijn hoofd te duizelen. Gelukkig komt Kastrup op de proppen met een metafoor die de situatie van verstrengeling van twee kwanta in een superpositie voorstelt. ‘Stel: er is een voetbalwedstrijd die wordt uitgezonden op npo 2 en op rtl4. De twee zenders gebruiken ieder hun eigen camera’s en filmen de wedstrijd dus vanuit verschillende hoeken. Als je thuis zit kijk je naar de twee zenders en zie je verschillende beelden. Logisch, want de beelden komen van verschillende camera’s. Tegelijk zijn de beelden wel volledig gecorreleerd. Ze hebben een bepaald verband met elkaar. Ze zijn verstrengeld. Is dat nu zo mysterieus? Natuurlijk niet! De beelden zijn immers gemaakt van dezelfde wedstrijd. Het verschil is dat we in dit voorbeeld weten dat de beelden geen zelfstandig bestaan hebben. Het zijn verschijningsvormen van iets anders, van de onderliggende realiteit, namelijk van de wedstrijd zelf.’

Volgens Kastrup moeten we ook zo naar verstrengeling van kwanta kijken. Waarbij de beelden op televisie staan voor de materie en de wedstrijd zelf voor de onderliggende, absolute geest. De geest is volgens Kastrup de werkelijkheid in deze idealistische visie. ‘Waarom is dit zo’n gigantisch probleem geweest de afgelopen eeuw? Omdat men de intuïtie wil behouden dat de beelden primair zijn, dat materie primair is. Men wil ervan uitgaan dat de beelden, de materie, het Ding an sich zijn. Carlo Rovelli probeert daarentegen juist te zeggen dat de beelden niet primair zijn, dat ze relatief zijn, maar volgens hem is er daarna ook geen voetbalwedstrijd. Er is geen onderliggende, fundamentele werkelijkheid. Voor mij is dat magie. Als je twee gecorreleerde beelden hebt en je accepteert dat de beelden altijd relatief zijn, omdat ze niet primair zijn, dan moet je accepteren dat wat die onderliggende realiteit ook precies is er wel een onderliggende realiteit ís. Er ís een voetbalwedstrijd. Wat ook de aard of vorm van die wedstrijd is.’

Zo zeker als Kastrup van zijn zaak lijkt te zijn, zo voorzichtig betreedt Rovelli het filosofische ijs. Rovelli vertelt dat hij zielsveel van filosofie houdt, maar niet van alle filosofie. Waar hij niet van houdt? Idealisme: ‘Natuurlijk respecteer ik Kastrup als filosoof en wetenschapper, maar ik erger me er ook een beetje aan, want ik denk dat hij kwantummechanica op een verkeerde manier gebruikt. Deze ideeën zijn onverenigbaar met de nog steeds groeiende evidentie dat alles wat we kennen, wijzelf inbegrepen, zich houdt aan reeds bekende natuurwetten.’ Rovelli ziet idealisme als verre van onvermijdelijk. ‘Zowel de fysische als de mentale variabelen kunnen meer of minder complexe natuurverschijnselen zijn (…) het hiaat tussen fysieke en mentale verschijnselen is veel minder dramatisch als we denken in termen van processen en gebeurtenissen, in termen van relaties.’

Rovelli heeft, net als Dijkgraaf, geen definitieve visie op de filosofische betekenis van de kwantummechanica en mengt zich liever niet in dit debat, maar wel heeft hij een persoonlijk favoriet werk. Het betreft een boek van Nāgārjuna dat beschouwd wordt als een van de hoekstenen van de Indiase filosofie. In The Fundamental Wisdom of the Middle Way werkt Nāgārjuna de centrale these uit dat dingen niet onafhankelijk van andere dingen bestaan. ‘Er is geen laatste of mysterieuze essentie die moet worden begrepen, die de ware essentie is van ons zijn. De laatste werkelijkheid, de essentie, is leegte. Maar ook dat perspectief bestaat weer alleen in afhankelijkheid van iets anders, ook de leegte is verstoken van essentie, is conventioneel. Geen enkele metafysica overleeft. De leegte is leeg.’

Het lezen van dit boek had een zeer sterk emotioneel effect op Rovelli. ‘Dit was precies waar ik naar op zoek was in de filosofie. Hoe kunnen we denken in termen van relaties? Relaties van wat? Je hebt toch dingen nodig voordat je relaties tussen die dingen kunt hebben? Nāgārjuna laat zó subtiel zien dat het juist andersom is. Je begint juist vanuit het feit dat er geen betekenis is in relaties, en één voor één neemt hij alle dingen weg die dingen zouden kunnen zijn. Geweldig. En dan komt het hoofdstuk dat me echt omver blies, over de leegte van de leegte. Hij zegt eigenlijk: jouw geest is op zoek naar een fundament. Maar waarom is dat eigenlijk een goede zoektocht? Waarom hebben we een fundament nodig? Het is een kinderdroom om zo over de wereld te denken. Zelfs dit argument dat ik je nu geef over de leegte: neem ook dat niet als fundament van de werkelijkheid.’

Het klinkt prachtig en tegelijkertijd abstract en desoriënterend. Want, zoals Kastrup opmerkte: wat heeft nu nog wél betekenis? Rovelli voelde het lezen van het werk van Nāgārjuna juist als een grote opluchting, als een soort boodschap: ‘Het is goed zo; je hoeft niet langer op zoek naar dat fundament.’

Het filosofische pleit van de betekenis van de kwantumtheorie is nog lang niet beslecht. Maar zouden we desalniettemin nu al kunnen leren van dit nieuwe, relationele denken? Daarbij doel ik niet op de welig tierende ‘kwantumnonsens’ die in omloop is en waar de geïnterviewde wetenschappers graag nadrukkelijk afstand van willen nemen. Zo wordt Rovelli regelmatig gemaild door mensen die dure ‘kwantum-medicijnen’ kopen, en ook in het bedrijfsleven en de wellness-industrie bewegen zich charlatans die onbeschaamd geld verdienen met misinterpretaties van kwantum. ‘Dat is gewoon diefstal. Er is niets mis met gefascineerd raken door de vreemdheid van deze theorie. Maar ik zie veel onzin verkondigd worden door mensen die zich beroepen op kwantum, maar die in feite rechtstreeks tegen de wetenschap in gaan. Dat is onterecht en ook gevaarlijk. Bovendien: de wetenschap zelf is al magisch genoeg!’

Maar er zijn ook door kwantum geïnspireerde denkrichtingen die Rovelli toejuicht. Dan gaat het niet om direct toepasbare wereldpolitiek, maar eerder om een algemene denkrichting. Zo noemt hij Karen Barad, een feministische denker die intellectueel gereedschap gebruikt uit de kwantummechanica. In deze tak van het feminisme wordt benadrukt dat je je ervan bewust moet zijn dat alles wat je zegt altijd vanuit een bepaald, specifiek perspectief komt. Uitkomen voor dat perspectief vermindert niet je objectiviteit als wetenschapper, maar vergroot deze juist. Rovelli denkt dat dit een diepe en belangrijke boodschap is. ‘En uiteraard heeft die boodschap een diepe resonantie met de kwantummechanica. Die gaat tenslotte om de ontdekking dat dit idee van perspectieven ook geldt voor stenen en atomen. Je kunt de wereld niet beschrijven van buitenaf, je zult haar altijd van binnenuit beschrijven, in een bepaalde relatie met die wereld.’

Daarnaast schrijft Rovelli over een politiek van samenwerking in plaats van competitie, waarbij we ons bijvoorbeeld realiseren hoe arbitrair landsgrenzen zijn. Een politiek die benadrukt hoe we uiteindelijk allemaal met elkaar en met de natuur verbonden zijn, en hoe we niet kunnen overleven op aarde als we dit niet als centraal uitgangspunt nemen. Dijkgraaf vindt het een ‘mooie metafoor’, maar hij maant ook tot voorzichtigheid: ‘Het feit dat alle organismen op aarde een gemeenschappelijke voorouder hebben; het feit dat de atomen die in mij zitten uiteindelijk van verre ster-explosies komen; het feit dat er eenheid zit in de wereld – dat zit in mijn ogen allemaal al in de wetenschap. Daar heb je de kwantumtheorie niet voor nodig.’

Dijkgraaf vindt het geweldig dat mensen als ik, de kwantum-groupies, zich geïnspireerd voelen door de kwantumtheorie, maar soms heeft hij ook wel eens moeite met het wijdverbreide enthousiasme. ‘Mensen die dan zeggen: o ja, kwantum is zo fascinerend, want ik liep laatst in het bos en ik voelde dat ik contact had met mijn tante in China. Nee! Dat is jouw fantasie, dat is niet de werkelijkheid. De natuur lacht je uit. Daarmee maak je het bovendien ook weer klein. En het is in zekere zin ook een sneer naar mensen als Heisenberg en Einstein, die met bijna onmenselijke denkkracht die stap moesten maken. En dan is de conclusie: de wereld is meer verbonden dan je denkt. Op dat idee zijn de meeste religies gebaseerd. Dat is een heel menselijke gedachte. Het is natuurlijk mooi dat de wetenschap laat zien dat het idee waar is en misschien veel meer waar dan je denkt. Maar wel op een manier die je niet met een simpele metafoor kunt uitleggen. Het is gewoon keihard werk om dat te begrijpen. Je haalt daarmee het wonder van de natuur zelf weg. En wat je óók weghaalt is het onaffe gevoel en de worsteling in de wetenschap. Als een bergbeklimmer met heel veel pijn en moeite die eerste top heeft beklommen en eindelijk dat bergmassief ziet. En dat mensen dan zeggen: ja, mooi zeg, ik heb ook een keer in de duinen gelopen.’

Wetenschappelijke kennis komt met een prijs. De prijs van de evolutietheorie is dat de mens niet zo bijzonder is. De prijs van de kosmologie is dat de aarde niet zo bijzonder is. Volgens Dijkgraaf is de prijs die we voor kwantum betalen hoger dan welke dan ook: ‘Je moet eigenlijk loslaten dat er een oorzakelijk verband is in de wereld. Je moet de fundamenten van alles opgeven. En dat is een veel grotere stap. Alsof je tegen een wiskundige zegt dat het niet meer over getallen gaat.’