TONEEL II

Kwartiertje kijken

Fraulein Else

Juffrouw Else, net negentien, dochter van een joodse advocaat in Wenen, doet vakantiewerk in een Italiaanse badplaats. Ze krijgt een expresbrief van haar moeder. Vader zit in de problemen, oude problemen, Else weet er alles van: beleggingswoeker met geld van klanten, er dreigt een arrestatie. Of Else bij de schathemelrijke joodse kunsthandelaar Dorsday een groot bedrag wil lospraten. Dorsday hapt, maar stelt een voorwaarde. Een kwartiertje kijken naar Else. Naakt. Zij, dus. Of híj in de kleren blijft hangt ongetwijfeld van de locatie af. Zijn hotelkamer. Of een plek in de open lucht. Else mag het zeggen. En Else is sprakeloos. Hoewel, niet echt verbaasd. Ze kent de vunzigheden harer masculiene tijdgenoten.
We schrijven 1924. Juffrouw Else is de titelfiguur van een novelle, geschreven door de Weense arts en succesauteur Arthur Schnitzler (1862-1931). De vorm is in die tijd vernieuwend: we lezen permanent de gedachten van de hoofdpersoon, ook de uitspraken en handelingen van andere personages, gefilterd door haar ogen, oren en buik. Theu Boermans, die in afwachting is van gerechtelijke uitspraken over zijn Theatercompagnie, regisseert in het Compagnietheater de tekst onder de titel Fraulein Else. Katja Herbers speelt Else. Fräulein Else van Schnitzler is weliswaar een novelle maar de auteur zag er zelf meteen solotoneel in, met in de titelrol zijn lievelingsactrice Elisabeth Bergner, die het verhaal - in zwaar bekorte vorm - één keer en public heeft gelezen, in 1926, in de plenaire zaal van de Berlijnse Rijksdag. Bij zijn leven heeft Schnitzler zijn Else nooit op een toneel gezien. Hij genoot wel van het verkoopsucces: vijf jaar na het verschijnen stond de teller op zeventigduizend.
De literaire kritiek bejubelde Fräulein Else, maar volgens Schnitzler om de verkeerde reden: als een chronique scandaleuse van een lang verzonken tijd. De tijden zijn misschien veranderd, aldus Schnitzler in 1924, maar de burgermensen geenszins. Ze kunnen hun schurkerijen nu uitvoeren zonder remmingen, want het risico dat ze ontmaskerd worden is eerder kleiner geworden. Else geeft de kunsthandelaar zijn zin. Niet op de locaties die hij bedacht, maar in de muziekzaal van het hotel. Waar men Schumann speelt. En zij wegzinkt in een overdosis Veronal.
’t Barre Land speelde mej. Else een paar jaar terug in combinatie met een andere monologue intérieur van Schnitzler, lt. Gustl, ook over eergevoel, maar dan niet in het zedelijke maar in het militaire, een kwart eeuw eerder geschreven, midden in ‘de verzonken tijd’. Door de constructie van die voorstelling werd het een tijdloos tijdsstuk, commentaar op regels en codes met de kracht van een universele breekbaarheid. Hoewel heel stil en liefdevol, ook zeer geaard, fysiek en expressief geacteerd, steeds met z'n tweeën op de speelvloer. Katja Herbers staat er alleen voor, in een griezelig voyeuristisch spiegeldecor, met een trap waarop ze oefent in stijlvol lopen, een balkon van waar ze de burgerij bespiedt, een kamer die haar dodencel zal worden. Ze doet iets heel moois wat ook heel erg lastig is: ze legt de uiteenlopende stemmingen van Else als een soort landkaart van haar bruisende emoties achter en naast elkaar, ze klutst de stemmingen niet door elkaar. Je blijft als toeschouwer daardoor dwars door die vroeg rijpende bakvis heen kijken, tot het daarbinnen bij haar zwart wordt en ze aan de afgrondrand van de hysterie geraakt. Dan wordt alles voor een toneelspeler sowieso levensgevaarlijk, maar ook dan houdt Katja Herbers ijzingwekkend scherp de controle, koorddanseres zonder vangnet, klein figuur - groot actrice, beheerst tot in het comateuze Veronal-gefluister, waarbinnen haar trots langzaam uitwaait, als het eenzame zielenkaarsje dat Else was. Mooi!

Te zien t/m 13 februari, Compagnietheater, Kloveniersburgwal, Amsterdam 020-5205320