Kwetsbare kolossen ‘architecten die nooit iets anders hebben gebouwd dan glimmende spiegelpaleizen, werpen zich opeens op als hergebruik-deskundigen’

Nog steeds worden er oude fabrieken en watertorens gesloopt. Maar niet meer zonder slag of stoot. Nu op 27 februari het Jaar van het Industrieel Erfgoed eindigt, mijmert Peter Nijhof, bevlogen ijveraar voor herbestemming, over de ‘ziel’ van oude fabriekscomplexen.
De illustraties bij dit interview zijn afkomstig uit het boek R. Nijhof als industrieschilder. Waanders Uitgevers, Zwolle. R. Nijhof is de vader van de geïnterviewde Peter Nijhof. Hij overleed in 1996.
OP HET EERSTE gezicht staat er vlak bij de kerk van Nieuwerkerk aan de IJssel een gladgerenoveerde graanmaalderij. Aan de achterzijde bevat het gebouw twaalf koopappartementen en de plaquette vermeldt trots: ‘Herbestemming industrieel erfgoed’.

Vier jaar geleden verloor de oorspronkelijke maalderij haar functie. De gemeente wilde er een nieuwbouwflat neerzetten omdat verbouw tot woningen te moeilijk bleek en de heipalen verrot waren. Onder druk van de bevolking werd een compromis gevonden: het gebouw ging tegen de vlakte, de oude voorgevel werd nieuw opgemetseld en binnenin kwamen nieuwe woningen.
Eind november was Peter Nijhof, de godfather van de bescherming van het Nederlandse industrieel erfgoed en schrijver van dertig boeken, een van de sprekers bij de feestelijke opening. ‘Ik zat in een lastig parket’, zegt hij achteraf. 'Van herbestemming is helemaal geen sprake, het is in feite modelbouw, schaal één op één. En in Nederland gelden twee geboden: gij zult geen replica’s bouwen, en: gij zult niets aan bestaande gebouwen veranderen zonder te laten zien dat het om nieuwe toevoegingen gaat. Als oprichter van het Projectbureau Industrieel Erfgoed kan ik echter niet honderd procent zuiver in de leer zijn, want voor de Nieuwerkerkers is deze historiserende nieuwbouw vreselijk belangrijk. Zij ervaren de maalderij als authentiek, als een antwoord op de uitdijende anonieme nieuwbouwzee. Persoonlijk zou ik er wel graag een bordje bij zien: “Dit is niet wat het lijkt.”’
Sociaal-geograaf Nijhof werd eind jaren zeventig in Engeland gegrepen door de schoonheid van oude fabrieken. Industrieel archeologen werkten al vanaf 1955 aan inventarisatie en behoud van complete industrielandschappen. Terug in Nederland begon Nijhof oude fabrieken te fotograferen. 'Ik reisde veel voor mijn werk en als ik ergens was, huurde ik steevast een fiets en volgde de waterwegen de stad uit. Want water is een kenmerkend element voor het industrieel erfgoed van Nederland. In die tijd had niemand aandacht voor die gebouwen. Het zag ernaar uit dat alles binnen tien jaar verdwenen zou zijn. De kentering kwam pas halverwege de jaren tachtig; nu zijn er meer dan zestig particuliere organisaties die het industrieel erfgoed verdedigen.’
HET IS GEKKENWERK om de hele roerende en onroerende industriële erfenis te bewaren. Op advies van een commissie onder voorzitterschap van Peter Nijhof koos het toenmalige ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur voor het uitgangspunt 'De kunst van het vernietigen’. 'De keuze voor selectieve vernietiging heeft veel stof opgeworpen, maar we hebben gewoon te veel. Ons grootste probleem is niet behoud, maar selectie. Om gericht te kunnen bewaren moesten we eerst weten wat we hadden.’ In 1986 huurde Monumentenzorg Nijhof in om de coördinatie te leiden van het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). In zeven jaar legde het MIP de bouwkunst en stedebouw uit de periode 1850-1940 vast.
Nog steeds verdwijnen aan de lopende band oude fabrieken, stoomgemalen en watertorens, maar dat gebeurt niet meer zonder slag of stoot. Nijhof is dan ook een gematigd tevreden man. 'Oude fabrieken zijn populair geworden. Het Jaar van het Industrieel Erfgoed, dat op 27 februari ten einde loopt, heeft daaraan veel bijgedragen. De schaduwzijde is dat er allerlei graaiers op afkomen. Architecten die nooit iets anders hebben gebouwd dan glimmende spiegelpaleizen, werpen zich ineens op als deskundigen op het gebied van hergebruik. Projectontwikkelaars kopen oude kerken op om er dure appartementen in te bouwen. Onlangs kreeg ik een full-colour brochure over vier watertorens die te koop werden aangeboden. Dat was tien jaar geleden ondenkbaar.’
VOOR HET ONTWERP van fabrieken grepen architecten rond de eeuwwisseling meestal terug op kastelen en paleizen. Dat leidde tot een eclectische neo-klassieke stijl die in Nederland tot voor kort verketterd werd. De afgelopen jaren groeide echter de waardering voor de negentiende eeuw en daarmee ook voor de neo-stijlen. Toch is van een echte omarming geen sprake. Zo gaf het Rijksmuseum zijn tentoonstelling over de vorige eeuw de boosaardige titel De lelijke tijd.
Bij de bescherming van industriële monumenten kwam de aaibaarheidsfactor van de neo-klassieke kantelen, halfronde ramen en bakstenen motieven goed van pas. Toen de herinnering aan de uitbuiting en de ellendige arbeidsomstandigheden was verflauwd, riepen die gebouwen vooral nostalgie op. Het zijn deze neo-klassieke panden die in trek zijn als representatieve kantoorruimte of luxe woonhuis. Problematischer is het behoud van grote fabriekscomplexen.
De Sleutels is zo'n bedreigd complex. Aan de oostelijke rand van het Leidse centrum verheffen de silo’s van de oude meelfabriek zich boven lage huisjes. In 1959 was De Sleutels nog goed voor 750.000 broden per dag, acht jaar geleden sloot de fabriek haar poorten. Henk Budel, oprichter van Stichting Industrieel Erfgoed Leiden, liet een video maken van de laatste dag dat de transportbanden liepen.
Aan behoud dacht toen niemand. De silo’s, pakhuizen, machinehallen, werkplaatsen en kantoren werden tussen 1896 en 1960 gebouwd in een sobere stijl. Ornamenten noch pleisterwerk verzachten de strenge functionaliteit van de met baksteen beklede kolossen. Het zijn omhulsels van machines en opslagruimtes. Niet meer, maar vooral ook niet minder. Dit brute functionalisme was in het begin van deze eeuw ongebruikelijk. Budel: 'Als we in 1988 meteen waren begonnen over behoud van De Sleutels hadden we waarschijnlijk alleen maar onbegrip ontmoet. Waarom zou je deze lelijke steenklomp willen bewaren? Schoonheid is dan ook niet ons belangrijkste argument voor behoud. Leiden was een typische Hollandse industriestad. Zoals Amsterdam is groot geworden door de handel en Rotterdam door de havens, zo heeft Leiden zijn vorm en betekenis gekregen door de industrie.
Een reportage over de mensonterende omstandigheden in de Leidse textielfabrieken leidde in 1871 tot het kinderwetje van Van Houten. Een eeuw later werden de fabrieken met ongekende verbetenheid gesloopt. De Sleutels vormt het laatste zichtbare restant van dat industriële verleden. Afbreken zou net zoiets zijn als demping van de Rotterdamse havens. Langzaam dringt dit door bij de Leidse bevolking. Een ingezonden brief in het Leidsch Dagblad luidde: “De meelfabriek moet blijven. Het is een prachtig gebouw omdat-ie juist zo lelijk is”.’
Na sluiting van de fabriek maakte projectontwikkelaar Van der Wiel Bouw een plan voor gedeeltelijke herbestemming, maar kreeg het financieel niet rond. Het college van B&W nam al in 1993 een geheim besluit om de fabriek tegen de vlakte te gooien en er een flat plus park aan te leggen. De groene singel om het centrum kon dan helemaal worden doorgetrokken, want begin jaren tachtig waren de grofsmederij en de katoenfabriek om die reden al gesloopt. Een strook keurig gemaaid gras is alles wat nog resteert van deze fabrieken. De enige kwaliteit van dit historiserende bedenksel is dat het groen is.
'HET IS NOG groter dan in mijn herinnering’, mompelt Peter Nijhof terwijl hij druk fotograferend om de silo’s heen loopt. 'Dit complex is in tientallen jaren gegroeid en is alleen al door zijn maat uniek. Er zijn in Nederland nog maar vijf grote meelfabrieken. Dit jaar heeft Meneba Meel, de eigenaar van dit complex, nog een prachtig exemplaar in Sas van Gent verkocht aan een supermarktketen, die alles heeft gesloopt. Nu komt er een dertien-in-een-dozijn-supermarkt waar de gemeente apetrots op is. Terwijl ze zich diep zou moeten schamen. Ze heeft niet eens onderzocht of hergebruik haalbaar was. Sloop is kapitaalvernietiging van de bovenste plank.
De onlangs verschenen Tweede Architectuurnota van staatssecretaris Nuis geeft hoog op over duurzaamheid en ecologisch bouwen, maar het woord “hergebruik” is er niet in terug te vinden. Terwijl dat toch het meest duurzaam is, zeker bij dit soort gebouwen, die voor de eeuwigheid zijn geconstrueerd. Ik pleit voor een omkering van de bewijslast. Het feit dat een gebouw bestaat geeft het een rechtvaardiging. Nieuwe plannen moeten aantonen dat ze een verbetering betekenen.’
Meelfabriek De Sleutels verkeert nog in goede staat. Tot 1994 werden de silo’s verhuurd aan een Duits bedrijf dat er een deel van de Europese graanberg opsloeg. Nu hebben zo'n dertig bedrijven er een voorlopig onderkomen gevonden, waaronder een architectenbureau en Stichting Digitale Stad Leiden. Ze fungeren vooral als anti-kraakwacht, want de eigenaar heeft ondertussen een sloopvergunning aangevraagd. Hij wil er een huizenblok, een flat en een ondergrondse parkeergarage neerzetten.
Een bezoekje aan de Utrechtse meelfabriek HoogHiemstra zou leerzaam zijn voor het Leids gemeentebestuur. Ook dat gebouw stond op de nominatie om gesloopt te worden, maar de havermoutpakhuizen werden halverwege de jaren tachtig gekraakt. Met anderhalf miljoen gulden startsubsidie en een lening van één miljoen werd het pand verbouwd tot een verzamelgebouw waar tachtig bedrijven onderdak vinden. Voor de goedkope bedrijfsruimtes is een lange wachtlijst.
Architectonische waarden spelen voor Nijhof een ondergeschikte rol bij de beoordeling van monumenten. 'Dat het ketelhuis van De Sleutels unieke halfronde betonnen plafonds uit 1896 heeft, zal ik zeker als argument gebruiken als het te pas komt. Maar ik vind het niet wezenlijk interessant. Het gaat om het geheel, om het groeiproces van het gebouw met alle toevoegingen, aanpassingen en historische vergissingen.’
In zijn jeugd was Nijhof 'molengek’, maar hij verkocht zijn verzameling toen hij ervan doordrongen raakte dat veel gerestaureerde molens de geschiedenis vervalsen. 'Molens zijn bedrijfsgebouwen die doorlopend werden vertimmerd. Ze terugrestaureren naar hun “oorspronkelijke staat” levert kunstmatige panden op waarvan de technische geschiedenis is weggepoetst.’
HERBESTEMMING doet sowieso afbreuk aan de ziel van oude industriële gebouwen. 'Het liefst zou ik fabrieken in net-niet-vergane staat bewaren. Ingrijpen betekent onvermijdelijk dat je het deels kapot maakt. Stel dat De Sleutels in zijn geheel zou worden gerenoveerd, dan nog verdwijnen de laag meel die in decennia in de muren is gevreten en de bordjes “Verboden te roken” die nu nog overal hangen wegens het ontploffingsgevaar.
Documentaires als Niets is voor de eeuwigheid van Digna Sinke zijn net zo belangrijk als behoud van het gebouw zelf. Met trage camerabewegingen tast Sinke oude fabrieken af; pure poëzie. Een ander fraai voorbeeld is het fotoboek van het Duitse chemieconcern Bayer Leverkusen over zijn enorme bedrijfsterrein. Er hoorde een cd bij met geluiden van industrie en scheepvaart: toeters, schepen die lossen, ratelende kettingen. Maar zelfs dan blijf je dingen missen. Kort geleden was ik op een excursie bij Verkade in Zaandam en dan heb je de sensatie dat je weer ruikt wat er gemaakt wordt. Dat gebeurt steeds minder. Geur wordt tegenwoordig meteen beschouwd als stankoverlast.’
Moderne werkplekken lijken op elkaar; iedereen zit achter een beeldscherm. Ook de gebouwen worden steeds eenvormiger. Je kunt aan de buitenkant niet meer zien of het gaat om produktie, opslag of kantoorwerk. En die inwisselbare gebouwen staan op inwisselbare bedrijfsterreinen aan inwisselbare snelwegen.
In de loop der jaren is Nijhof de ruimtelijke en stadslandschappelijke waarde van oude fabriekscomplexen voorop gaan stellen. 'De twee schoorstenen van de elektriciteitscentrale van Utrecht langs de A2 hebben hun functie verloren en staan op het punt gesloopt te worden. Daarmee wordt een gebied van tientallen vierkante kilometers van zijn markeringspunt beroofd. Waarom stort de centrale het geld dat nodig is voor de sloop niet op een aparte bankrekening? De rente zou de onderhoudskosten voor een belangrijk deel dekken. De schoorstenen zouden zo als stedebouwkundig element worden “hergebruikt”. Zo'n bestemming voorkomt dat in elke lege watertoren luxe appartementen moeten worden gebouwd.
Of ik nostalgisch ben? Ik ben daar niet uit, het woord heeft ook zo'n negatieve lading. Het patina van doorleefde gebouwen fascineert me, maar meer nog houd ik van confrontaties en tegenstellingen. Het onverwachte, dat is voor mij de essentie van de stad.’
Het woord ontroering wil Nijhof na wat aandringen wel in de mond nemen. 'Het is een mijmerend besef van vergankelijkheid, van de rücksichtslose snelheid, de onomkeerbaarheid van veranderingen. De tijd verdicht. Processen die vroeger twintig jaar in beslag namen, zijn nu in vijf jaar voltooid verleden tijd. Bij lezingen laat ik dia’s zien van de Greenpoint-bordjes die aangaven waar je mobiel kon bellen. Misschien nog geen vier jaar geleden zijn ze geïntroduceerd. Nu al zijn ze achterhaald en verdwijnen ze in snel tempo. Dat worden collector’s items, net zoals geëmailleerde reclameborden.’
DE RESTANTEN van de industriële revolutie hebben eindelijk de erkenning gekregen die ze toekomt. Zelfs dorpen als Nieuwerkerk aan de IJssel zijn zuinig op hun industriële wortels. De grote vraag is wat voor soort gebouwen vandaag achteloos onder de slopershamer verdwijnt en waarvan toekomstige generaties zich hoofdschuddend zullen afvragen waarom we de waarde ervan aan het einde van de twintigste eeuw niet inzagen.
'We denken dat we nog een overvloed aan bouwwerken uit de jaren vijftig en zestig hebben, maar door sloop, verdichting en upgrading wordt veel vernietigd’, zegt Hans Ibelings van het Nederlands Architectuur Instituut. 'Elke week is er slecht nieuws. Uitgerekend in Rotterdam is langzamerhand geen hoogtepunt van de Wederopbouw meer te vinden waar niets aan is veranderd.’ In zijn boek De moderne jaren vijftig en zestig toont Ibelings de naoorlogse bouwstijl, die gekenmerkt wordt door ruimte en lichtheid. 'Het is onbegrijpelijk dat de revival van de muziek, mode en meubels uit die tijd zich niet uitstrekt tot de architectuur. We zijn zo gewend om die stijl saai te noemen dat we niet zien dat veel gebouwen een transparante frivoliteit tentoonspreiden. We zouden het vertrouwde winkelcentrum met de gevoelige blik moeten bekijken die we op buitenlandse reizen hebben.’
Voorlopig klinkt die wens nog utopisch, getuige de reactie op de sloop van het Maupoleum aan de Amsterdamse Jodenbreestraat. Het 'lelijkste gebouw van Nederland’ ging in 1994 onder luid applaus tegen de vlakte.
Ook Nijhof ziet de vernietiging van woningen, kantoren en fabrieken uit de Wederopbouw met lede ogen aan. 'Omdat ze nog geen vijftig jaar oud zijn biedt de Monumentenwet geen bescherming. Ook het draagvlak ontbreekt nog. Voorlopig zijn alleen freaks en profs erin geïnteresseerd.’
Dit jaar gaat Monumentenzorg zich bekommeren om de naoorlogse periode. Nijhof: 'We moeten een geheel nieuwe benadering ontwikkelen. We kunnen het kunstje van het Monumenten Inventarisatie Project niet herhalen. In de Wederopbouw gaat het nauwelijks nog om individuele gebouwen, maar om complete flatwijken, stadsuitbreidingen en open ruimtes. Hoe moet je die beschrijven, selecteren en bewaren?’