Kwikzilvergeest

ER STAAT wonderlijk veel in Nacht- en dagwerk van Martin Reints. Wonderlijk, want het is maar een dun essayboek en het is ook zeker niet dik aangezet. Het is juist luchtig van taal en toon. Reints viel als dichter al op door een obsessieve terughoudendheid met woorden én emoties. In zijn beschouwingen loochent hij dit stijlkenmerk niet, al is hij altijd voelbaar aanwezig. Is het dan wel wonderlijk dat het rendement hoog is?

Die terughoudendheid houdt geen zuinigheid in. Eerder is er zorgvuldig uit het vele gekozen. Wat in woorden is gevangen, scharniert tussen werelden aan mogelijkheden. Ins Blaue hinein is niets voor Reints en hij schrijft niet zo veel anders dan een mens praat. Je ziet hem denkend op weg naar een ook hem nog onbekend einde. We zien hem streven naar schoon denken, een denken dat niet is vertroebeld door geschwärm of geschmier maar rustig zijn gang gaat.
Deze dichter-denker bewandelt geen platgetreden paden en hij verkoopt geen knollen voor citroenen, uitdrukkingen die hem vast tegenstaan want hij is wars van sleetse beeldspraak of clichés. Zijn woordkeus en zijn gedachtenvorming lijken terloops te ontstaan, wat hem licht maakt en geestig, zo niet droogkomisch. Je merkt nauwelijks dat hij experimenteert, zo weinig sensatiebelust is zijn manifestatie van denkplezier. De ontregeling die hij teweegbrengt, voltrekt zich dan ook voor je het in de gaten hebt. Word je er euforisch van, dan is dat jouw verantwoordelijkheid, maar het komt door hem.
EUFORIE kan optreden wanneer hij een openbare poëzieanalyse geeft met een impliciete les close reading. Reints is een goede docent; hij laat zijn lezers subtiel meelezen. Maar euforie kan ook toeslaan op huis-, tuin- en keukenvlak, als hij opmerkt dat de uitdrukking centrale verwarming beter ‘gedecentraliseerde verwarming’ kan luiden nu de kachel als kern uit onze woning is verdwenen. Hij beziet iets waar je snel overheen kijkt en komt tot een slotsom die van acuut belang is. Aan hiërarchie geen boodschap. Van alles is poëzie te maken; alles kan een kern zijn voor waarheid.
'Denkt moeilijk, in de auto. Alles flitst door je kop (…), met geen andere samenhang dan de samenhang die er tussen alles is’, is een typische Reints-frase. Zijn eerste dichtbundel heette Waar ze komt daar is ze, al meteen tautologisch eenvoudig maar prikkelend, want wat is dat, 'zijn’, 'er zijn’? Voor minder grote vragen doet Reints het niet, hoe bescheiden hij ook lijkt. Hij benadert die vragen met de logica van een filosoof, stapje voor stapje.
In Waar ben ik? is hij expliciet in de aanval in wat een intellectueel zelfportret genoemd mag worden. 'Het bewustzijn’, schrijft hij daar, 'wordt tegenwoordig wel eens als iets minderwaardigs gezien. Meerijden op de golven van het niet-bewuste zou avontuurlijker en meer van deze tijd zijn en het zou belangwekkender werken opleveren dan wanneer je probeert na te denken. Mij lijkt de verheerlijking van de bewusteloze surfpartij net zo idioot als een pleidooi om voor de kick een deel van je lichaam te amputeren, maar ook dat gebeurt in onze tijd. Veronachtzaming van het bewustzijn is een vorm van zelfhaat.’ Volgt het credo: 'Ik besta uit het bewustzijn dat ik deel uitmaak van mijn omgeving - en voor zover ik mijn omgeving ken, weet ik wie ik ben.’
Het gaat erom al denkend plaatsbepalingen te formuleren, vanuit een hier en nu zo concreet mogelijke sporen te trekken in de ijle materie van de tijd. Bij Reints wordt steevast een ideëel tussengebied afgetast. Hij verkent de verschillen en overeenkomsten tussen wat je ziet en wat in je hoofd zit, tussen bewustzijn en onderbewuste, tussen het constateerbare en fictie, tussen poëzie en taal, tussen poëzie (moeder van de herinnering) en plan (die van de toekomst).
Een hommage aan Karel Appel spitst hij toe op diens verwijzing naar de in-between-situation tussen expressie en materie, waar kunst ontstaat. Maar ook bij jeugdherinneringen gaat het om het preciseren van schemergebieden. Reints woonde als kind in de stad maar niet in het centrum, en wat was dan precies 'stad’? Hij beschrijft een tramtocht centrumwaarts, en daarbij de sensatie van verplaatsing.
Het duizelingwekkende zondagschoollied 'Daar ruist langs de wolken’, een tekst die 'de gehele ruimte van ons voorstellingsvermogen’ vereist, zorgde voor zijn eerste dichterlijke ervaring. Het kind, zich van de ernst van de situatie bewust, liet zich bezetten.
Er wordt veel geteld en gerekend in Nacht- en dagwerk. Psychologie, de leer van de individuele drijfveren, mijdt Reints, geloof ik. De betrekkelijke abstractie die daaruit voortvloeit, ontaardt niet in bloedeloosheid. Wel ligt enige angstvalligheid op de loer, maar de lyricus die Reints ook is laat zich niet temmen. Zijn denken is lustig, nooit rechtlijnig, nooit saai. Het flaneert op tussengebieden, scheidslijnen: geometrische termen.
DE BESCHOUWINGEN, voor driekwart enkele bladzijden lang, voor het andere kwart uitvoeriger, verschenen eerder in tijdschrift of krant of anderszins, maar ze wekken geen van alle de indruk van een gelegenheidstekst. Met elkaar vormen ze een geschakeerd beeld van een soevereine geest. De overkoepelende titel, deels aan Constantijn Huygens ontleend, maant ietwat calvinistisch het leven, inclusief dromen, niet achteloos te laten passeren. Die titel, Nacht- en dagwerk, is vrijwel identiek aan die van Paveses beroemde autobiografie Het leven als ambacht. Vreemd, want Paveses onvermogen om op eigen wijze in het leven te gedijen of functioneren deelt Reints blijkens zijn geschriften niet. Het woord 'geluk’ welt nogal eens op als je hem leest.
Als hij ageert, is het tegen de gemakzucht van zware effecten - vrijblijvende, grote woorden, mooie sier - en tegen domheid, die dichter bij elkaar liggen dan je denkt. Hij gruwt van een zegswijze als 'voor de volle honderd procent’ en belijdt die hekel met zijn onvermoeibaar spontane maar scherpe blik, waaraan de grijstinten niet ontgaan.
De beschouwing 'Laarzen aan!’ is de meest satirische. Daarin wordt geschetst hoe de 'nieuwe natuur’ tot een verlengde van onze pretparkcultuur is geworden als gevolg van redderaars die bij mogelijk drassige wandelpaden een bord 'Laarzen aan!’ laten zetten. Een beetje wandelaar herkent Reints wanhoop. Al die hekjes en paaltjes onderweg zijn erg. Burgers wordt zelfs hun geheugen ontnomen want ze hoeven niet meer te bedenken wat je ook alweer zou kunnen doen wanneer het nat is.
(EEN BELANGRIJK onderdeel bestaat uit beschouwingen over andere dichters: Schierbeek, veel Faverey en in diens verlengde Wallace Stevens, en uitgebreid de geniale Constantijn Huygens, die zo verlangde naar de dood. Reints schrijft liefdevol over de zeventiende-eeuwer en notoir slechte slaper, weer zo'n randonderwerp waar hij bij voorkeur zijn verstand en inlevingsvermogen op los laat.
Bij Faverey moet Reints veel herkennen: ze zijn geestverwanten. Hij typeert Faverey gretig als vermijder van metaforen en meldt opgelucht: 'De tekst geeft geen aanleiding, zoals bij Stevens, de hand op te vatten als iets anders - en om tot een geslaagde lezing te komen is het ook niet nodig.’ 'Je moet natuurlijk uitkijken met die dingen’, zegt hij elders, alsof hij schrikt van een conclusie. Dat, de noodzaak uit te kijken, is zijn motto: voor je het weet heb je je losgezongen van waar het om gaat.
Een tweedemachts beschouwing, wat een bespreking van essays is, biedt geen ruimte tot speculatie. Het is ook nergens goed voor op zaken te wijzen die er niet zijn, terwijl er zoveel is. Toch één suggestie, zonder een kwikzilveren geest te willen vastpinnen. Op een enkeling als Hannah Arendt na komen er geen moderne filosofen ter sprake, maar tussen de regels door bespeur ik Heidegger, veel van diens zijnde-begrip. Zou Reints niet eens op zijn empathische wijze zijn filosofische invloeden willen ontvouwen? Ik zou dat graag lezen. Maar misschien is het wel mooier zo, impliciet.