Kwintaire sector

In zijn Kleine encyclopedie schetst Herman Vuijsje nieuwe inzichten over Nederland aan de hand van neologismen. Deze week: kwintaire sector. Bekwame toezichthouders op gefoezel van CEO’s mogen best wat kosten.

Mijn tweedehands aangeschafte Mobylette was in 1962 een grote sprong voorwaarts. Voortaan kon ik brommend naar school, maar ik moest wel uitkijken: mijn brommer was ‘opgevoerd’ en voor je ’t wist had je een bekeuring aan je broek.

Agenten stonden niet bekend als moeders slimsten, maar een opgevoerde brommer had zelfs Bromsnor kunnen herkennen, de agent uit Swiebertje die steeds door zijn gevatte dorpsgenoot in zijn hemd werd gezet. Bromsnor maakte deel uit van een lange reeks geüniformeerde sukkels, die begon met de Keystone Cops en nog steeds wordt aangevuld, bijvoorbeeld met de notoir imbeciele koddebeiers van South Park.

Zijn de reëel bestaande wetshandhavers zo veel slimmer? Ongetwijfeld, maar toch is het de vraag of ze slim genoeg zijn. Ook de boeven zijn immers een stuk gehaaider dan vroeger; ze beschikken over ongekende technische mogelijkheden en zijn niet meer te herkennen aan een maskertje en een boeventronie. Ze dragen een pak, heten ceo en voeren geen brommers meer op maar auto’s, via superintelligente en nauwelijks traceerbare software.

Intussen heeft van de Nederlandse rechercheurs nog geen twintig procent een hogere opleiding, schrijft ex-rechercheur Michiel Princen in zijn dit jaar verschenen boek De gekooide recherche. ‘De problemen in de samenleving zijn niet van mavoniveau en met mavo-geschoold personeel ga je ze niet oplossen. Het is IJsselmeervogels tegen Real Madrid.’

Bij andere instanties van toezicht en controle geldt dat wellicht nog sterker. Keer op keer blijkt bijvoorbeeld dat de bewakers van computerbestanden bij overheidsdiensten een hoog Bromsnor-gehalte hebben. In Nederland dan; in China ligt dat heel anders.

Pieter van Os citeerde vorig jaar in NRC Handelsblad een dure fiscalist, die ten behoeve van zijn superrijke cliënten de belastingdienst steeds te slim af was. ‘Als de dienst mensen zoals ik wil bevechten’, voegde hij eraan toe, ‘moeten ze mensen zoals ik in dienst nemen.’ Maar ja, daar hangt een prijskaartje aan.

In Nederland doen we het tegenovergestelde: op politie, inspectie en toezicht wordt bezuinigd. Een typisch geval van goedkoop duurkoop en penny wise, pound foolish. Ben Ale, hoogleraar veiligheid en rampenbestrijding aan de TU Delft, wees bijvoorbeeld op de milieuschade van de brand die in 2011 Chemie-Pack in Moerdijk verwoestte. ‘Die schade was tachtig miljoen euro. Daar kun je tachtig jaar voor inspecteren.’

In veel sterkere mate – hoeveel sterker weten we nog niet – geldt datzelfde voor de schade die nu is aangericht door de directie van Volkswagen. Behoud van werkgelegenheid was altijd een argument om het gefoezel van autofabrikanten door de vingers te zien. Nu geldt het omgekeerde: alleen onafhankelijke controle door bekwame inspecteurs kan de werkgelegenheid redden.

Wetsontduiking wordt in onze steeds complexere samenleving steeds ‘onnavolgbaarder’. Het bestrijden ervan wordt een steeds specialistischer vak. Dure deskundigen aan de productieve sector onttrekken om ze daarvoor in te zetten, lijkt een aanslag op de economie, maar kan in werkelijkheid haar redding betekenen. Ernst maken met toezicht en controle valt ook binnen een ‘economistisch’ paradigma heel goed te verdedigen.

Daar hoort ook bij dat toezichthouders volstrekt onafhankelijk moeten zijn. Joris Luyendijk heeft laten zien hoezeer de grote accountantskantoren die aan de vooravond van de financiële crisis triple A ratings toekenden aan doodzieke banken, met diezelfde banken verstrengeld waren en erdoor werden – en worden! – betaald.

Sinds de jaren negentig zijn toezichthouders de instellingen die ze moeten controleren als ‘klanten’ gaan beschouwen, schreef Ben Ale. Met schadelijke gevolgen voor de werkelijke klanten, de burgers. Bij Chemie-Pack hadden werknemers en omwonenden de ‘klanten’ van de inspectie moeten zijn – niet het bedrijf.

Ook andere vormen van belangenverstrengeling, zoals bijbaantjes en adviezen, doen afbreuk aan de onafhankelijkheid van toezichthouders. Controleurs moeten door waterdichte schotten gescheiden worden van de politiek, de markt en al helemaal van het te controleren marktsegment. Zij zouden beschouwd moeten worden als een eigenstandige sector binnen het economisch bestel. Daarmee zouden we niet alleen hun sterk toegenomen betekenis erkennen, maar ook hun belangrijke bijdrage aan welvaart en werkgelegenheid.

Bovendien zou deze sector daarmee zijn gerechte plaats krijgen in de economische langetermijnontwikkeling. Direct productieve werkzaamheden maakten daarbij steeds verder plaats voor gespecialiseerde diensten. Ooit werkte iedereen in de primaire sector: de landbouw en de jacht. Later kwam daar de secundaire sector bij, de verwerking tot eindproducten, en de tertiaire, de dienstensector.

In de jaren zeventig van de vorige eeuw kwam een kwartaire sector tot stand, doordat ook de zorg voor zwakke, zieke en oude mensen werd uitbesteed aan gespecialiseerde instanties. De arbeidsmarkt bood daarvoor ruimte door de technologische vooruitgang en de daarmee gepaard gaande stijging van welvaart en productiviteit.

De opkomst van een steeds omvangrijker en belangrijker conglomeraat van controle- en toezichtinstanties kan worden gezien als een volgende stap in dit proces van specialisatie en outsourcing: naar een ‘kwintaire sector’ van hooggespecialiseerde en goed gehonoreerde professionals met een eigen beroepsethiek en roeping. Deze kwintaire sector zou een begeerde werkplek moeten zijn, waar getalenteerde mensen op af komen omdat hun bijdrage aan veiligheid, welvaart en werkgelegenheid naar waarde wordt geschat.