La Republique: hiërarchisch, ongelijk en bang

Parijs – Zowel Nicolas Sarkozy als François Hollande werpt zich op als ‘beschermer’ tegen de globalisering. Dat is niet voor niets, want Frankrijk is een bang land. Zo vreest zestig procent van de bevolking niet alleen zijn baan, maar om alles te verliezen en dakloos te worden.

Voordat de economische crisis toesloeg was dat al 48 procent. Die hoge cijfers verbazen, zeker voor wie beseft dat Franse werknemers gelden als de best beschermde ter wereld. Volgens onderzoeker Eric Maurin is de angst onder de middenklasse – zo’n vijftig procent van de bevolking – het hoogst. Weliswaar verdwenen in Frankrijk dankzij de crisis de afgelopen jaren 730.000 arbeidsplaatsen, het overgrote deel van de banen staat niet op de tocht. Zeker niet die van de middenklasse. Integendeel, zoals Maurin begin dit jaar nog eens onderstreepte. De werkloosheid treft de onderklasse. De Franse middenklasse floreert: ze blijft huizen en auto’s kopen. Kinderen uit de middenklasse doen niet voor de ouders onder.

Maar hoe kan het dan dat ze tegelijk zo bang is van de maatschappelijke ladder af te glijden? Statusangst is het kenmerk van een standensamenleving in democratische tijden, wist Tocqueville. Rangen en standen zijn niet langer erfelijk, maar staan iedere generatie op het spel. Volgens Maurin is Frankrijk in zijn diepste vezels altijd zo’n standensamenleving gebleven, hiërarchisch en ongelijk, alle republikeinse gelijkheidsidealen ten spijt. Sociale status telt er zwaar en gedrag is erop gericht om die status te verwerven en vervolgens te behouden.

Het probleem is dat het in Frankrijk in de afgelopen decennia steeds moeilijker is geworden om de oude status terug te winnen zodra je die eenmaal bent kwijtgeraakt. Dat illustreert Maurin met cijfers. In 1990 had een werknemer met een tijdelijk contract nog 35 procent kans het jaar daarop het felbegeerde contract voor onbepaalde tijd binnen te slepen, tien jaar later was dat nog maar 24 procent. Voor werklozen daalde die kans van 21 naar 13 procent. Het beeld doemt op van een samenleving van haves en have nots. De have nots zitten gevangen in langdurige werkloosheid of tijdelijke contracten, terwijl de haves zich angstvallig vastklampen aan hun goed beschermde baan en iedere hervorming beschouwen als een bedreiging. Afschaffen van arbeidsprivileges, zoals opeenvolgende presidenten hebben geprobeerd, werkt volgens Maurin juist averechts. Beter zorgen dat de zo gevreesde val wat minder hard aankomt. ‘Door werklozen een fatsoenlijke uitkering te bieden bijvoorbeeld, maar hun tegelijk na een bepaalde periode te verplichten om iedere baan aan te nemen.’