Oefeningen in nietsdoen

Laat de avond komen

Ineens zijn we in quarantaine, dus ineens moeten we niksen. Doodeng. Gelukkig is hier veel over geschreven. Het mooist zevenhonderd jaar geleden, door de Japanner Yoshido Kenko.

Artikelen in De Groene Amsterdammer over de coronacrisis zijn voor alle lezers gratis te lezen. Interesse om meer te lezen?

1.

In 2012, het olympisch jaar, pakte het Tate Modern in Londen uit met een tentoonstelling van Engelands duurste kunstenaar – Damien Hirst. Alles stond er. De haai op sterk water, de in tweeën gezaagde koe, de diamanten schedel. Ik bleef plakken voor een werk dat bestond uit een simpele houten stoel – het type waar je alleen rechtop op kunt zitten – en een grote tafel, leeg, op een uitpuilende asbak na. De metafoor, in al zijn banaliteit, was niet te missen: ongezond, monomanie, zelfdestructie.

Ik leefde ervan op. Niet van die metafoor. En die asbak mocht wat mij betreft weg. Mijn laptop ervoor in de plaats. En dan die goede stoel, die lege tafel, niets dat me afleidt; gewoon heerlijk hard ongestoord kunnen werken.

2.

Had ik wel eens nagedacht over nietsdoen? Niets is zo eng onnatuurlijk als een vacuüm, wordt wel gezegd. De menselijke geest is niet opgewassen tegen Niets – dat het universum altijd al heeft bestaan is niet te vatten, we kunnen niet beter dan het Niets te vullen.

Natuurlijk had ik, zoals iedereen, mijn fantasieën over hoe ik mijn favoriete columnist zou scheppen op een zebrapad, en hoe ik dan tijdens de paar maanden nietsdoen in de gevangenis in alle rust zou kunnen werken aan een nieuwe roman, of eindelijk de gehele Russische bibliotheek uit kon lezen. Céline ontdekken. Maar dan verlang je alleen naar de leegte zodat je ’m kunt vullen. Het echte nietsdoen is een kunstvorm op zich, waarop wij als moderne mens niet zijn afgesteld. Vandaar dat de lege uren van deze quarantaine ons overvallen en bang maken, en professionals uit de geestelijke gezondheidszorg zich uitspreken over de gevaren van het ledige thuis. Niet iedereen kan niets aan.

Gelukkig liggen bij de kassa van de boekhandel op het Roeterseiland, een van de laatste die nog open is in Amsterdam, twee Niksen naast elkaar. Niksen: Lang leve het lanterfanteren (Spectrum, 160 blz.), van Maartje Willems en Lona Aalders en Niksen: De Dutch art of luieren (Kosmos, 240 blz.) van Olga Mecking.

(Ik koop er vlug ook Eerste liefde van Toergenjev bij, omdat ik een snob ben en uitsluitend boeken kopen die bij de kassa liggen aanvoelt alsof je alleen naar de supermarkt gaat om de chocoladerepen boven de lopende band te kopen.)

Vorig jaar schreef Mecking, een Poolse journalist in Nederland, een stuk voor The New York Times over waarom niksen he-le-maal het ding van nu zou moeten zijn. Het stuk werd 150.000 keer geretweet, schrijft ze in het boek dat eruit voortgekomen is. Wat niksen precies is, is het beste uit te leggen door te zeggen wat het niet is, zegt Mecking; het is niet werken, het is geen emotionele arbeid, in de zin dat je je zorgen en verwachtingen door je hoofd laat gaan terwijl je op de bank zit. Het is geen mindfulness, want dat vereist vaak een actieve concentratie op je lichaam, je ademhaling of het huidige moment van je gedachten. Het is geen luiheid of verveling en niksen is absoluut ook niet het lezen van boeken, een tv-serie wegbingen of op je telefoon scrollen.

Mecking beschrijft het voorbeeldige niksen als: ‘Ik zit op de bank naar mijn tapijt te kijken, mijn blik valt op de tuin en ik zie dat de rozen ondanks het koude weer nog steeds bloeien. Mijn man heeft wat muziek opgezet en ik luister naar de stem van de zangeres en de beat van de drums.’

Mecking citeert een mail van schrijfster en kunstenares Jenny Odell: ‘Ik zie “nietsdoen” niet als een manier om jezelf te beschermen of alleen maar te troosten; ik zie het eerder als openstaan voor je directe omgeving, een aanpassing van het zelf aan zijn omgeving.’

Maartje Willems en Lona Aalders definiëren niksen als ‘op een onbewaakt moment niets te doen hebben en niet iets verzinnen om te doen’. Het vergt oefening om het te doen, schrijven ze, omdat je jezelf vaak vermanend herpakt en vindt dat je iets nuttigs moet gaan doen. Dat soort aangeleerde gedachten moet je negeren, zeggen ze. Het enige dat je voor Niksen nodig hebt is Tijd, Rust in je hoofd en een goede plek.

Dat snapt iedereen. Interessanter is dan waarom niksen bij uitstek ‘the Dutch art’ zou zijn. Mecking schrijft zo lieflijk over Nederland dat elk tegenwoord bijna oikofoob aanvoelt. Nederlandse kinderen ontbijten met hagelslag op wit brood, schrijft ze, volwassenen eten bitterballen en borrelen omdat ze op ‘gezelligheid’ gericht zijn. ‘Nederland is door Lonely Planet gekozen als een van de tien beste reisbestemmingen voor 2020. Alles wat je over dit land leest, is waar. De oude huizen langs de grachten? Die zijn er echt. De tulpenvelden? Ze zien er precies zo uit als op de foto’s. De windmolens? Ja, ook echt. Toen mijn vader en ik halverwege de jaren negentig Nederland bezochten, hebben we ze geteld, maar het waren er gewoon te veel.’

3.

De kunst van het nietsdoen: ik zit op mijn gele bank naar de glans van het zonlicht op mijn vloer te kijken, mijn blik valt op het zachte pastel van de kaft van Toergenjev. In de verte hoor ik de wieken van ontelbare windmolens… Nee, geintje – en cynische geintjes bedenken telt niet als nietsdoen.

4.

Behalve de twee Niksen ligt er nog meer in de boekhandel. Bijvoorbeeld Het nieuwe nietsdoen van Gerhard Hormann (Just Publishers, 240 blz.) – zestiende druk! staat op het omslag (‘Geloof me: nietsdoen is écht een kunst. Het is spitsroedenlopen, tegen de stroom in zwemmen, laveren en improviseren’) – en De magie van het nietsdoen: Wat loslaten echt betekent door Jeffrey Wijnberg (Scriptum, 130 blz.). In die laatste worden vijf vormen van nietsdoen onderscheiden:

  1. Geen mening
  2. Geen competentie
  3. Geen oplossing
  4. Geen hulp
  5. Geen plan

Misschien is het nietsdoen van Wijnberg de tao, of anders gewoon fatalisme: meningen leiden tot ruzie, legt hij uit, je bent niet competent om alle problemen op te lossen, ‘het leven kent zelf maar één oplossing en dat is de dood’, je kunt mensen beter niet helpen want ze moeten leren zichzelf te helpen en bovendien, de geholpene kan jou als paternalistisch gaan beschouwen, en plannen maken heeft geen zin, want die worden toch alleen maar gedwarsboomd.

Hoewel ze allemaal sympathiek zijn, staat in geen van de nietsdoenboeken iets wat je echt niet zelf had kunnen bedenken, en misschien zit daarin nu juist hetgeen dat van nietsdoen zo’n typisch Nederlands verschijnsel maakt, namelijk dat er een markt voor is. Nederland voldoet aan de ideale voorwaarden voor nietsdoen: we zijn rijk en die welvaart brengt zijn eigen stress met zich mee. We zijn hard werken als een statussymbool gaan zien, een volle agenda is een teken dat je een succesvol en sociaal mens bent, en ontspanning dient een groter doel te hebben: het sporten voor een beachbody, het koken van heel gezond eten, want gezond is een lifestyle, of het reizen naar bijzondere locaties die op zijn minst heel instagrammable zijn, en jou het liefst een unieke, authentieke experience geven. Het zijn boeken die alleen verkrijgbaar zijn in een maatschappij waar mensen de verzekering en de financiële ruimte hebben om een stapje terug te doen. De boeken duiden niet een fenomeen, ze maken er deel van uit.

Want wie leest zulke boeken? Niet mensen die gelukkig met hun werk zijn. Het zijn waarschijnlijk boeken voor mensen die er bewust voor hebben gekozen om even uit de race te stappen, die allicht tegen een burn-out zijn aangelopen en door hun lichaam, hun hoofd en hun bedrijfsarts tot stilstand zijn gemaand. Deze boeken valideren hun stilstand, zou je zeggen, ze zeggen dat het oké is even je wereld tot je bank te beperken.

Dat is ook precies wat er zo vervelend is aan de stilstand van de quarantaine: nietsdoen is heel aangenaam aan het einde van een lange dag hard werken, maar het is heel verlammend als je ermee moet opstaan omdat het je wordt opgelegd door krachten waar je geen vat op hebt.

5.

In Amerika schijnen burn-outs niet te bestaan, simpelweg omdat je er niet tegen bent verzekerd. Wie depressief is neemt antidepressiva, wie niet kan slapen van de knoop in zijn buik neemt een slaapmiddel. Vandaar dat in Amerika veel mensen zo lang mogelijk de quarantaine probeerden te ontwijken, omdat ze meerdere banen nodig hebben om de huur te kunnen betalen. Nietsdoen is onherroepelijk een welvaartsaangelegenheid.

6.

Jenny Odell schiet nietsdoen als vaccin in de ader van het Amerikaanse kapitalisme. Ze begint haar How to Do Nothing met een oude oosterse fabel van Zhuang Zi. Een houthakker komt in het bos een enorme boom tegen, maar vindt de boom onbruikbaar. De takken zijn te gedraaid en ongeschikt voor hout. Die nacht verschijnt de boom in zijn droom en zegt tegen de houthakker: ‘Hoe kom je erbij om mij te vergelijken met geschikte bomen?’ Want die geschikte bomen zijn allang omgezaagd, terwijl hij er nog staat. Zijn ongeschiktheid heeft hem laten overleven, daardoor is hij zo groot en oud.

How to Do Nothing verschijnt volgende maand als De macht van het nietsdoen in het Nederlands (Ten Have, 240 blz.) – vorig jaar stond het op allerlei beste-boeken-van-het-jaar-lijstjes in de VS. Het valt lekker met de deur in huis: ‘Niets is moeilijker dan nietsdoen. In een wereld waarin onze waarde wordt bepaald door onze productiviteit, ondervinden velen van ons hoe onze minuten worden afgepakt, geoptimaliseerd en worden toegeëigend als financiële grondstof door de technologieën die we dagelijks gebruiken.’

Net als de boom van Zhuang Zi vinden wij, als individuen, onze waarden door ons op te stellen als ‘ongeschikt’ voor de digitale wereld zoals bijvoorbeeld Shoshana Zuboff die heeft beschreven als ‘surveillance capitalism’. Want in dat systeem proberen onzichtbare – doch vaak beursgenoteerde – partijen altijd je aandacht vast te houden, je productiviteit te meten, je clickbait voor te schotelen en op myriade ongeziene manieren geld aan je te verdienen, door je op te sluiten in een digitale wereld waarin je alle gevoel voor tijd en locatie vergeet. Ze citeert de Britse ethicus James Williams, die op een congres over ‘ad blockers’ sprak over hoe de digitale wereld onze aandacht opeist: we noemen de maniertjes waarmee de aandachteconomie ons lastigvalt ‘afleidend’ of ‘irritant’, zei hij, maar dit is een onderschatting: ‘Op de korte termijn houden deze afleidingen ons weg van de dingen die we willen doen. Op de langere termijn accumuleren ze en houden ze ons weg bij de levens die we willen leiden, of, nog erger, ondermijnen ze onze capaciteiten voor reflectie en zelfregulering, waardoor ze het moeilijker maken om “te willen wat we willen willen”. Dus er zijn diepe ethische implicaties voor onze vrijheid, gezondheid en zelfs de integriteit van ons zelf.’ Een student van Williams liet zien hoe er op de gemiddelde pagina van LinkedIn 171 ‘afleidingen’ zijn ingebouwd.

Nietsdoen is daarom in Odells betoog een politieke kracht, omdat het je in staat stelt uit het surveillance capitalism te stappen en je te focussen op de natuur en de kleine, tastbare wereld om ons heen. Nietsdoen is voor Odell niet letterlijk niets – als je maar niet iets doet wat productiviteit of kapitaal genereert. Het is zodoende een tegengif tegen de ideologie en dogma’s van financiële groei en nieuwigheid, omdat het aandacht heeft voor het cyclische en het regeneratieve. Iets nieuws verzinnen is mooi, maar het is net zo waardevol om te zorgen voor iets wat al bestaat, zegt ze. Zelf beschrijft ze hoe ze met twee kraaien bevriend raakt vanaf haar balkon in San Francisco, hoe die haar leren te herkennen en haar groeten.

7.

Over nietsdoen en luxe: nergens wordt zo mooi niets gedaan als in Brideshead Revisited. Het is vast vloeken in de kerk, maar ik heb de verfilming altijd beter gevonden dan het boek. Niets ten nadele van Evelyn Waughs roman, maar die telt maar 330 bladzijdes. De tv-serie duurt bijna elf uur. Op een of andere manier lijkt die lengte beter te passen bij de traagheid en landerigheid waarmee Waughs steenrijke aristocratie haar lege dagen beleeft. Het nietsdoen zit bijna in het deftige Engels, met de klinkers die zo lang uitgerekt worden alsof ze de tijd moeten vullen.

8.

De kunst van het nietsdoen gaat minstens duizend jaar terug. Kenkō schrijft:

‘In het oude China leefde er een zekere Xu You, die straatarm was en zijn handen als beker gebruikte om water te drinken. Toen iemand dat zag, gaf hij hem een “zingende kalebas” cadeau. Op een dag had Xu You die kalebas in een boom gehangen en toen hij hoorde hoe de wind erin zong, vond hij dat zo irritant dat hij het ding weggooide. Waarna hij opnieuw zijn toevlucht nam tot zijn handen.’

9.

Niemand heeft zo mooi over ledigheid geschreven als Yoshido Kenkō, die aan het begin van de veertiende eeuw leefde. Hij was een officier van de wacht bij het keizerlijk paleis totdat hij zich, om onbekende redenen, terugtrok uit de maatschappij, de leer van Boeddha ging studeren en als kluizenaar leefde. Zijn enige nagelaten boek is al honderden jaren verplichte kost voor scholieren in Japan – komende week verschijnt het in Nederlands als De kunst van het nietsdoen (Van Oorschot, 200 blz.).

Zijn vertaler, Jos Vos, merkt op dat Kenkō weliswaar zijn religieuze geloften aflegde, maar zich nooit officieel verbond aan een tempel of klooster. Zodoende kon hij zich als tonseisha, of heremiet, bewegen in de wereldse en de religieuze gemeenschap, zonder aan strenge verplichtingen te hoeven voldoen, en met de vrijheid om over de mores en gebruiken van beiden te schrijven. Net als veel tijdgenoten was Kenko, schrijft Vos, ervan overtuigd dat hij leefde in een eindtijd, waarin de verfijnde culturele tradities van zijn land degradeerden. In zijn Tsurezuregusa, zoals het boek oorspronkelijk heet, schrijft hij hoe je een boodschap van de keizer overbrengt (nooit van je paard stappen), welke vissen beter zijn dan andere vissen (de karper staat buiten kijf), wat de hiërarchie is onder gevogelte (de fazant op eenzame hoogte), hoe je het beste een huis bouwt (zorg dat je een ruimte hebt die je ongebruikt laat), hoe je je dient te gedragen naar vrienden: ‘Wanneer iemand met wie je altijd lief en leed hebt gedeeld op zeker ogenblik opvallend stijf en gereserveerd begint te doen, zullen velen zich afvragen wat die ander opeens is overkomen, maar volgens mij wijst zulk gedrag juist op zijn voortreffelijkheid.’

Je kunt er hardgrondig naar zoeken, maar Kenkō geeft geen definitie van wat het lovenswaardige nietsdoen precies is, of waarom het zo lovenswaardig is. De kunst van het nietsdoen bestaat uit 243 genummerde lemma’s, of elegante mini-essays, vaak niet langer dan een paar alinea’s, die in onderwerp van de hak op de tak springen. Een enkele keer (nummertje 72) geeft hij een lijstje van ‘weerzinwekkende dingen’:

‘Als er te veel spullen rondslingeren in een zitvertrek.
Een overvloed aan penselen bij je inktsteen.
Een overvloed aan boeddhabeelden in een privékapel.
Een overvloed aan rotsen en planten in een tuin.
Te veel kinderen en kleinkinderen in huis.
Te veel gepraat bij een ontmoeting.
Als er te veel goede daden worden vermeld in een smeekschrift aangeboden aan een tempel.
Hoe overvloedig ook, boeken op een boekenwagentje en afval op een afvalhoop zijn niet weerzinwekkend.’

Over de precieze publicatie is weinig bekend, maar historici gaan ervan uit dat De kunst van het nietsdoen postuum werd samengesteld uit losse notities die in zijn huis lagen. Wat Kenkō schreef wordt geschaard onder de hoogtepunten van ‘zuihitsu’, een meer dan duizend jaar oud literair genre van losjes aan elkaar gekoppelde essays en fragmenten, die voortkomen uit de losse gedachten en de omgeving waarin de auteur zich bevindt. De naam komt voort uit de samentrekking van ‘wil’ en ‘pen’. In het Chinees heet het mooier, namelijk ‘fudi ni shitagau’, dat ‘volg het penseel’ betekent: alsof de auteur sneller schrijft dan hij kan componeren, en dus achter zijn gedachten aan rent, die haast willekeurig op het papier komen.

10.

Ik staar uit het raam van mijn werkkamer. Van het huis waar ik op uitkijk, aan de andere kant van het water, zijn zeven van de twaalf balkons door de eigenaren bezet. Zoals David Hockney al zei: ‘Remember that they can’t cancel spring.’ Een van de balkonisten leest een boek, twee lijken er iets op een tablet te doen en de anderen staren voor zich uit. Ze lijken met alleen de zon en de blauwe lucht tevreden te zijn.

Zoals Kenkō schrijft: ‘“Niets bindt me nog aan het aardse”, heeft een zekere kluizenaar ooit gezegd. “Het enige dat me niet loslaat is de aanblik van de lucht.” Een gedachte die ik kan beamen.’

11.

Op Twitter merkte iemand op: ‘Dankzij deze quarantaine kan ik niet langer tegen mezelf liegen over al die dingen die ik altijd zei te gaan doen als ik eens echt helemaal niets te doen zou hebben.’ Kortom, duizenden mensen over de hele wereld zijn nu schuldig aan het niet-lezen van Prousts Op zoek naar de verloren tijd.

12.

Weerzinwekkende dingen in een quarantaine:

Als er een ochtendjas te formeel is dichtgeknoopt.
Een overvloed aan geopende tabbladen in Safari.
Een overvloed aan ochtendkranten op de keukentafel.
Elke dag aan een nieuw boek beginnen en niets uitlezen.
Te veel gepraat tijdens een Zoom-vergadering.
Te veel schoenen onder aan de trap.

13.

Kenkō schrijft:
‘Op een dag in de tiende maand ging ik op bezoek bij iemand die in een afgelegen bergdorpje woont voorbij Kurusuno. Ik baande me een weg over een smal, met mos overgroeid pad, tot aan zijn eenzame hutje. Er viel geen enkel geluid te horen, behalve het water dat neerdruppelde uit een bamboehouten pijp die helemaal onder de gevallen bladeren zat. De losjes gerangschikte chrysanten- en esdoorntakken op de altaarplank duidden op menselijke aanwezigheid. Kijk eens, dacht ik diep geroerd, zo kun je dus óók wonen, maar ik werd enigszins ontnuchterd door de aanblik van een enorme mandarijnboom achteraan in de tuin. Zijn takken waren beladen met vruchten en hij werd beschermd door een ferm hek. Had die boom er maar niet gestaan, dacht ik bij mezelf.’

Bij gebrek aan uitleg over waar de kunst van het nietsdoen vandaan komt, lijkt in zulke anekdotes Kenkō’s manier van denken te schuilen. Het eenzame, onverzorgde hutje is prachtig; maar de boom in bloei is onheus. De boom kan er niks aan doen, maar de boom is weldadig, een kostbaar, waardevol verschijnsel en de juiste Weg is juist die waar je je van al het waardevolle ontdoet. Hetzelfde geldt voor de zingende kalebas uit de eerdere anekdote. ‘Niets is het waard over te praten of naar te verlangen’, schrijft Kenkō, omdat niets eeuwig is. Alles is tijdelijk. Nietsdoen is op die manier je neerleggen bij de tijdelijkheid van het bestaan, het niet-nastreven van alles wat werelds gewin is, want het wereldlijke heeft geen eeuwigheidswaarde. Zelfs een overvloed aan kennis of kunde is onbehoorlijk: ‘Verder geldt dat een overvloed aan bekwaamheden de ware heer in verlegenheid brengt.’

De fragmenten vormen geen dwingend narratief dat je naar een onherroepelijke boodschap leidt. Alsof ook dat voor Kenkō te veel de tijdelijkheid van het bestaan zou doorbreken, omdat een betoog naar een definitieve opvatting zou leiden. Het vreemde is dat het lezen van de elegante maar volkomen ontoepasbare notities Kenkō, zevenhonderd jaar na zijn dood, een edele vorm van nietsdoen is geworden, omdat zijn overwegingen zo ver af staan van ons moderne leven.

14.

Je kunt het beste uitleggen wat nietsdoen in tijden van quarantaine is, zoals Olga Mecking dat doet, door uit te leggen wat het niet is: het is niet elke twee minuten op het nieuws kijken, het is niet al je familieleden opbellen om te debatteren over hoelang dit nog gaat duren, het is niet dwangmatig Camus’ De pest lezen of Tiger King kijken omdat iedereen dat doet, het is niet in je hoofd lijstjes maken van hoe je de dagen gaat vullen.

15.

Het mooiste gedicht over nietsdoen dat ik ken komt van Jane Kenyon (1947-1995) en heet ‘Let evening come’. In de vertaling van Daan Bronkhorst begint het zo:

Laat het licht van de late middag
door de spleten van de schuur schijnen, langs
het hooi omhoog met de neergaande zon.

Laat de krekels beginnen met tsjirpen
terwijl een vrouw haar naalden pakt
en haar draad. Laat de avond komen.

Laat dauw zich verzamelen op de zeis in het
hoge gras. Laat de sterren opkomen
en de maan z’n zilveren hoorn openbaren.

Laat de vos teruggaan naar z’n zanderige hol.
Laat de wind gaan liggen. Laat de keet
binnen donker worden. Laat de avond komen.

In zijn volledigheid is het gedicht langer. Het eindigt met ‘Laat ’m komen zoals ie wil en wees/ niet bang. God laat ons niet zonder/ troost, dus laat de avond komen.’ Ik lees Kenyons gelijknamige bundel (1990) vast gekleurd, omdat ik weet dat ze jong is gestorven, maar de dichteres lijkt in het gedicht gelijk op te lopen met Kenkō. Het beeld beklijft: het perspectief is onmiskenbaar dat van de dichteres op haar veranda, of in de tuin, die de wereld over zich heen laat komen zonder haar bemoeienis en volledig openstaat voor haar omgeving. Het voelt aan als voorbeeldig nietsdoen.

16.

Het voorbeeldige nietsdoen: je zit op de bank, de zon draait in je nek, je hebt Toergenjev opengeslagen op je schoot, je hebt Brideshead Revisited opgezet zonder dat je er echt naar kijkt, je hoort de stemmen in het deftige Engels maar registreert niet wat ze precies zeggen en je laat de avond komen, zoals ie wil, en bent niet bang.