De zaak-Hooijmaijers

Laat deze jongen ’t maar regelen

Met de terugtredende overheid kwam een ander type bestuurder bovendrijven: politicus werd ondernemer. Het demasqué van Ton Hooijmaijers laat zien dat veel hoge bestuurders de weelde van macht en geld niet aankunnen.

Medium hooijmaijers

In het voorjaar van 2007, vlak voor de kredietcrisis uitbrak en toen het geld nog tegen de plinten klotste, moest ik voor een freelanceklus een interview doen met de gedeputeerde Ruimtelijke Ordening en Financiën van de provincie Noord-Holland. Hij was politiek verantwoordelijk voor een prestigieus project aan de oever van het IJsselmeer, waardoor een ingedut stadje zou worden opgestoten in de vaart der volkeren.

Door een wegomlegging in Haarlem kwam ik iets te laat op mijn afspraak. Ik bespeurde stress bij zijn secretaresse. Vervolgens zat ik een half uur op de gang te wachten voordat ik toegelaten werd tot de werkkamer van de baas. Die stak onmiddellijk, driftig op en neer benend voor zijn bureau, een monoloog af. Ik zat braaf mee te schrijven, want voor zo’n schnabbel moet je je dienstbaar opstellen. Ook journalisten verkeren wel eens op de rand van hun eigen mores. Ik geef het toe, ik verdiende vet met deze opdracht voor een glimmend boekje voor een vastgoedbedrijf. Weliswaar met een keurige signatuur, althans voor zover ik dat van buitenaf kon overzien – of had willen overzien.

Toch werd het me te gortig toen hij uitsluitend sprak in termen van ‘ik’ en ‘mijn geld’. Op mijn onderbreking ‘waarom spreekt u over úw geld terwijl het gemeenschapsgeld is?’ zette hij prompt zijn veren op. Hij begreep niet wat ik zei, nee ik begreep er helemaal niets van! Ik werd de deur uit gebonjourd en dacht: wat is dit voor een bullebak?

Vergeten was deze ervaring totdat de naam van de man – Ton Hooijmaijers – oktober 2008 in het nieuws opdook vanwege een dreigend verlies van 78 miljoen euro die de provincie had uitstaan bij onder andere de IJslandse Landsbanki. Het bleek de opmaat te zijn van een beerput die open ging: creatieve declaraties, geldsmijterij met de provinciale creditcard, manipulatie, omkoping en valsheid in geschrifte.

Ook hij bleek zo’n bestuurder te zijn die vanuit uitbreidingsdrang en een grenzeloos geloof in het eigen kunnen de realiteit uit het oog verloren was. Dergelijke megalomanie kwam pas aan het licht toen door het ineenstorten van heel wat financiële kaartenhuizen toezichthouders gedwongen werden kritisch te kijken naar het functioneren van bestuurders in publiek-private samenwerkingsverbanden. Dat toezicht vond niet plaats, of niet scherp genoeg, in de periode dat én het geld niet op kon én er een heilig vertrouwen bestond in de marktwerking waarmee de semi-overheid sinds begin jaren negentig aan de weg timmerde. Er werd nauwelijks ingecalculeerd dat het systeem volop ruimte bood aan figuren die geen verschil kennen tussen mijn en dijn – tussen eigenbelang en het algemeen belang.

Hooijmaijers begreep oprecht niet wat er verkeerd was toen hij sprak over zíjn geld dat híj investeerde in projecten waar zijn collega’s uit de stroperige poldercultuur alleen maar van konden dromen. Hij oogstte in zijn hoogtijdagen veel bewondering en respect, waardoor hij weer bevestiging kreeg voor zijn succesvolle aanpak. Laat deze jongen het maar regelen, want hij was geen aarzelende kantoorklerk maar een echte Macher.

Nog steeds snapt hij het niet, zo werd duidelijk tijdens de recentelijke rechtszitting. Hij had zich, aldus het vonnis, laten omkopen voor ‘zeker 491.835 euro’ – een tot op de komma berekend bedrag dat minimaal aangetoond kon worden en waarschijnlijk hoger ligt. De rechter oordeelde dat hij ‘zijn eigen winstbejag zwaarder had laten wegen dan zijn voorbeeldfunctie als politicus’, en bovendien geen blijk had gegeven van ‘het laakbare van zijn handelen’.

Het gebrek aan zelfinzicht dampte eveneens omhoog uit een interview met NRC Handelsblad, enkele uren nadat de rechter op 3 december drie jaar celstaf had geëist. Nee, zei Hooijmaijers, hij miste niet een intrinsiek besef van wat wel en niet kan, het ontbrak aan ‘duidelijke integriteitsregels voor bestuurders’. Er lag verdorie geen normenkader klaar toen hij in 2005 aantrad in het Provinciehuis. Dat hij met zijn werklust niet toekon met één chauffeur en één secretaresse, daar hadden zijn ambtenaren maar aan moeten wennen. Ze gedroegen zich ‘als dode vogeltjes’, terwijl onder hém andere tijden waren aangebroken: hij zette Noord-Holland op de kaart en onder hém werd de overheid een serviceloket voor het bedrijfsleven in plaats van een hindermacht. De onweerlegbare strafbare feiten ten spijt, zijn vinger wees nog steeds naar ‘het systeem’ of ‘de ander’ – ja, er was zelfs sprake van een complot van rancuneuze vijanden in de politiek die samen waren opgetrokken om hem ten val te brengen. ‘Het is de ongemakkelijke waarheid’, zei hij in het interview getergd.

Bijna kreeg ik medelijden met deze selfmade man die was opgeklommen van de mavo naar de havo, het vwo en de universiteit waar hij afstudeerde in bestuurskunde, en van het ondernemerschap naar de politiek (vvd). Zijn gedrag strookte immers met de nieuwe bestuurderscultuur: een terugtredende overheid die taken ging uitbesteden, waarbij van ambtenaren werd verlangd dat zij zich gingen opstellen als ondernemers. Zijn ambitie om als overheid geen hindermacht te willen zijn paste daar helemaal in.

Onder Hooijmaijers werd de overheid een serviceloket in plaats van een hindermacht

En daar had hij een punt. De klassieke Nederlandse ambtelijke cultuur traineert ondernemers eerder met regels dan dat zij hen faciliteert. Inspraakrondes voor burgers vertragen de besluitvorming vaak onnodig met jaren. Daarover zijn vele rapporten verschenen (van onder meer de wrr) en de Nationale Ombudsman heeft er een dagtaak aan. Die bestuurlijke stroperigheid vormde een van de aanleidingen voor de inrichting van een flexibele semi-overheid.

Zelf heb ik in 2006 een kijkje mogen nemen in de keuken van Haagse gemeenteambtenaren die zich bezighouden met vergunningen voor het midden- en kleinbedrijf. Het ging om een jonge ondernemer die een restaurant wilde starten maar die het niet voor elkaar kreeg om zijn papieren rond te krijgen, hoewel hij aan alle randvoorwaarden voldeed, van horecavergunningen, milieuregels, gemeentelijke bestemmingsplannen tot solvabiliteitseisen. Uit pure wanhoop meldde hij zijn casus aan bij de zogeheten Kafkabrigade, in 2003 opgericht om bureaucratische toestanden te onderzoeken waar geen touw meer aan vast te knopen is.

Bij een sessie waren alle spelers aanwezig. Diverse ambtenaren gaven toe dat ze bij een aanvraag meteen beginnen met het regelen van alle wettelijke uitsteltermijnen. Iemand zei: ‘Deze meneer wilde maar liefst op twee adressen zaken openen, en dat vonden we gewoon wat veel.’ Schoorvoetend beaamden ze dat er te veel regels waren waar ze zelf ook vaak geen snars van snapten, en dat ze het dossier maar hadden laten lopen.

Dit verhaal is niet gepubliceerd, want het was een besloten bijeenkomst waarop iedereen ‘veilig’ zijn zegje kon doen. Ik had me daarom voorgedaan als adviseur van de ondernemer en bij het voorstelrondje een verhaaltje bij elkaar verzonnen. Deze vorm van bedrog of misleiding behoort zonder meer tot de mores van veel journalisten. Normaal doe ik dat niet, maar omdat ik het relaas van de ondernemer nauwelijks had kunnen geloven wilde ik zelf wel eens horen hoe de stempelmacht van ambtenaren werkt. Met publicatie dupeerde ik bovendien de ondernemer.

Mijn medelijden met Hooijmaijers heeft dan ook met iets anders te maken: met de manier waarop deze vader van drie kinderen in de gehaktmolen van de (digitale) media in stukjes wordt gesneden. Met graagte brengen media (óók onterechte) reputatieschade toe aan publieke figuren. Ook kwaliteitsmedia doen in hun scoringsdrift aan datamassage, het verkopen van halve waarheden, het aandikken van feiten en aan causale verbanden suggereren die er niet zijn. Dat de journalistiek het zelf niet altijd even nauw neemt met het integer uitoefenen van het vak, laten sommige vrouwelijke collega’s zien door misbruik te maken van hun ‘seksuele kapitaal’. Zij doen tijdens een interview bijvoorbeeld een knoopje extra open – of erger.

Over hoe dat spel kennelijk werkt, verklap ik hier een eigen ervaring. In 2002 zat ik tijdens een persreisje in Brussel tijdens de lunch naast een Belgische oud-minister van Buitenlandse Zaken. We hadden een gesprek over 9/11 en hij schepte een beetje op over zijn goede relatie met George W. Bush. We kregen er een meningsverschil over. In de bus terug naar ons hotel overhandigde een man van de organisatie mij met een raar glimlachje een enveloppe: ‘Hij’ – zijn naam zal ik niet noemen – ‘wil jou engageren.’ Ik begreep niet wat de man bedoelde, maar na het openen van de enveloppe ging het me dagen: een deftig visitekaartje van de oud-minister met daarop in vulpen geschreven het adres van zijn hotel, en: ‘vanaf 22.30 uur ben ik vrij’. Dit onbeschaamde voorstel verraadde een routine die in mijn optiek neerkwam op belangenverstrengeling van ‘de politiek’ met ‘de pers’. Hoe vaak dit het geval is, onttrekt zich natuurlijk aan het oog.

Als de Amerikaanse tv-serie House of Cards in enige mate een weergave van de werkelijkheid is, dan besef ik dat ik een kans heb laten liggen om bij deze speciale gelegenheid informatie uit deze man te trekken die een ander licht had kunnen werpen op de relaties tussen Brussel en Washington. Althans vanuit zijn perspectief: want wie misbruikt wie nou eigenlijk?

Natuurlijk, Ton Hooijmaijers stond voor zijn gedrag terecht voor de rechter. Hij is binnen de liberale bestuurdersstructuur niet bestand geweest tegen de weelde van de macht en de verleiding van een ruif vol geld zonder toezicht. Zoals een rechter geen meineed mag plegen, een politieagent niet door rood mag fietsen, een schooldirecteur cijfers niet mag opkrikken of een accountant onduidelijke posten niet mag wegcijferen, zo mag een politicus niet ritselen met publieksgeld. Ieder beroep heeft zijn eigen ethiek. En heb je een publieke functie, dan moet je zelf het goede voorbeeld zijn van wat je predikt. Een feministe die zich als een loops teefje aanbiedt aan een getrouwde man verliest net zo goed het morele gezag van haar boodschap. Voor iedereen geldt bovenal de wet. Als je die niet respecteert ben je strafbaar.

Hooijmaijers was niet de enige die sjoemelde. Alleen, niet iedereen loopt tegen de lamp. Misschien omdat sommigen handiger boekhouden, charmanter of juist grijzer zijn en derhalve minder vijanden maken. En gelukkig neemt de tolerantie af jegens de meritocratische pausjes en zonnekoninkjes die in de afgelopen jaren het vertrouwen van burgers in de overheid ernstig hebben ondermijnd.

‘Meer codes en regelgeving gaan zeker leiden tot nieuwe problemen’

Hoe voorkom je dat bestuurders buiten de oevers van hun positie of de wet treden? Is er zoiets als een publieke moraal op te leggen aan bestuurders en politici, als zij die kennelijk niet van zichzelf bezitten? Op het onoorbare geritsel wordt nu vooral gereageerd met méér controle, beter toezicht, meer wetgeving én morele regels. De vvd heeft een integriteitsverklaring opgesteld die politici moeten ondertekenen. De pvda vindt in voorzitter Hans Spekman haar interne inquisiteur. Om de rol van toezichthouders te versterken wordt al langer aanbevolen om meer diversiteit in de gelederen te eisen, zodat er minder gemakzuchtig geput wordt uit incestueuze informele netwerken. Ook wordt in allerlei gremia geopperd om toezichthouders beter te betalen zodat zij hun werk serieuzer nemen.

Er ligt een wetsvoorstel van minister Ivo Opstelten bij de Eerste Kamer om frauderende bestuurders via de rechter een civiel bestuursverbod op te leggen. Maximaal vijf jaar mag een bestuurder ‘die in ernstige mate tekort is geschoten in zijn verplichtingen’ geen rechtspersoon meer besturen, om te voorkomen dat hij doodleuk weer elders hoog in de boom klimt.

Volgens historicus Ronald Kroeze, assistent professor aan de Vrije Universiteit, duidt de veroordeling van Hooijmaijers dan ook mogelijk op een paradigmawisseling: bestuurders en politici aanpakken via de rechter en niet alleen op morele gronden ter verantwoording roepen, zoals past in de Nederlandse traditie. ‘Corruptie zelf is geen strafrechtelijk vergrijp, het moet worden aangetoond via bijvoorbeeld valsheid in geschrifte. In ons land heeft corruptie in vergelijking met andere landen nauwelijks geleid tot strafrechtelijk onderzoek en vervolging – maar wel altijd tot morele afkeuring. Dat begint te veranderen’, zegt hij.

Kroeze promoveerde op de geschiedenis van corruptie in Nederland en concludeert dat er in de negentiende eeuw, en ook daarvoor, corruptieschandalen onder bestuurders waren. In de negentiende eeuw, toen de democratie opkwam, vertelt hij, waren er bijvoorbeeld schandalen omtrent verkiezingsfraude. Nu gaat het vooral over belangenverstrengeling. ‘Wát je verstaat onder het brede begrip corruptie – formeel gaat dat om iemand met een publieke functie die publieke middelen misbruikt voor privaat gewin – hangt af van de publieke cultuur in een bepaald tijdsgewricht.’

De veroordeling van Ton Hooijmaijers vindt hij vrij uniek. ‘Hij is de verpersoonlijking van de nieuwe zakelijkheid waar andere waarden bij horen, waarden die haaks staan op een cultuur waarin de ambtenaar dienend aan het publieke belang, met precisie en zorgvuldigheid – en daardoor traag – langs de regels opereert. Dat systeem moest willekeur in de omgang met publiek geld voorkomen. Hooijmaijers ging, zoals zo velen, dwars door die regels heen. Hij wordt daarvoor nu pas afgestraft omdat we vinden dat het niet meer kan, mede onder invloed van talloze andere schandalen bij onder meer woningcorporaties.’

In een reactie op de schandalen raakt volgens Kroeze good governance nu in zwang. ‘Meer codes en regelgeving gaan zeker leiden tot nieuwe problemen. Hoe meer je gaat vastleggen, hoe meer het idee versterkt wordt dat alles wat daarbuiten valt juist wel mag.’

Zeker gaan we de komende tijd meer frauderende bestuurders voor de rechter zien. Vorige week bleek bijvoorbeeld dat Hooijmaijers’ collega in het provinciehuis, Albert Moens van GroenLinks, in 2008 geld had aangenomen van het failliete groene energiebedrijf Econcern. Moens is inmiddels overleden en kan niet meer worden vervolgd.

Heeft Nederland zich in de afgelopen decennia ontwikkeld tot een soort Italië aan de Noordzee? Of lijkt dat zo omdat we meer vervolgen? Op de Corruptie Index van Transparancy International scoren we al jarenlang gunstig; we behoren tot de top-tien van de minst corrupte landen ter wereld en zijn een high trust country als het gaat om vertrouwen in de overheid. Maar volgens Kroeze zijn we een minder onschuldig landje dan we altijd dachten: ‘We hebben een geschiedenis van corruptie. En Nederland loopt internationaal zeker achter met wetgeving op het gebied van omkoping.’

Ook de rol van de media moet niet worden uitgevlakt: net als bij ambtenaren heeft traagheid en zorgvuldigheid plaats gemaakt voor een agressievere houding. Het neersabelen van publieke figuren, het plegen van karaktermoord – het is niet strafbaar maar wel verwerpelijk. Het is net als sjoemelen met publieksgeld een ondermijning van de publieke moraal.

Beeld: Olivier Middendorp/HH