Philip Roth en het autobiografische spel

‘Laat het niet uitgeven’

Het werk van Philip Roth bevat een kluwen van alter ego’s die op elkaar zijn gebaseerd en naar elkaar verwijzen. ‘Jij bent geen autobiograaf.‘

Medium 03155416

Superieure ironie, dat was het. Na dertig jaar schrijverschap, na de ene na de andere roman waarin hij putte uit zijn autobiografie, na het uitbundig inzetten van alter ego’s als Nathan Zuckerman en Peter Tarnopol, joodse schrijvers die een levensloop hadden die verdacht veel overeenkomst vertoonde met die van hemzelf – na dit alles publiceerde Philip Roth in 1988 The Facts. Ondertitel van het boek: A Novelist’s Autobiography. In een ‘vooraf’ daarbij laat Roth weten dat hij nu eens omgekeerd te werk wilde gaan: niet zijn levensfeiten gebruiken om de fantasie in te duiken, maar dat wat hij met zijn fantasie heeft bewerkt terugbrengen tot de oorspronkelijke, pre-gefantaseerde feitelijkheid.

Waarom Roth zichzelf zo, zonder vermomming, in proza wil presenteren? Omdat hij, na al die maskers die hij heeft opgezet in zijn werk, al die gedaanteverwisselingen waaraan hij zich heeft onderworpen in ‘een toestand van hulpeloze verwarring’ verkeerde. En wat doe je na een zenuwinzinking? Je probeert weer grip te krijgen op je leven, zoals dat heet. Omdat hij zijn leven telkens gebruikt had voor transformaties moest hij het op een rudimentaire manier weer in kaart proberen te brengen. ‘Nu begon ik’, schrijft Roth, ‘om weer op mijn plaats te vallen in mijn vroegere leven, om mijn vitaliteit te hervinden, om mezelf in mezelf te transformeren, de ervaring ongetransformeerd weer te geven.’

Wat volgt in The Facts zijn episoden over zijn jeugd in Weequahic, de joodse wijk van Newark, het joodse gezin waarin hij opgroeide (vader werkzaam in het verzekeringswezen, moeder huisvrouw, één oudere broer), de middelbareschooltijd op Weequahic High School, zijn studententijd in de jaren vijftig, de ontdekking van de meisjes en de lust, zijn destructieve eerste huwelijk met een manipulatieve vrouw die hem volledig emotioneel (en financieel) uitzuigt. Hij beschrijft hoe zijn ouders eerste generatie-Amerikanen zijn en hoe Amerikaans hij en zijn joodse vriendjes zich voelen in de melting pot die Newark is. Hij herinnert zich hoe hij aan Bucknell University, waar hij Engelse literatuur studeert, een literair tijdschrift opricht en verhalen gaat schrijven. Als hij zijn studie vervolgt in Chicago begint hij in serieuze bladen te publiceren, wat culmineert in zijn debuut, de verhalenbundel Goodbye, Columbus in 1959. Zelfingenomen met zijn groeiende succes verovert hij de sjikse Josie – ‘stapelkrankzinnig vanbinnen en onverstoorbaar blond vanbuiten’ – met wie de vechtrelatie die ze van begin af aan hebben in 1963 uitmondt in een vechtscheiding. De pesterijen en het gesteggel om alimentatie gaan door tot haar dood in 1968 bij een auto-ongeluk.

Het is vrijwel alles bekende stof: in Portnoy’s Complaint, My Life As a Man, de Zuckerman-trilogie (gebundeld als Zuckerman Bound) en ook in romans die na The Facts zullen verschijnen, worden joodse wijk en jeugd telkens weer gememoreerd. Er is wel een groot verschil. Waar Alexander Portnoy en Nathan Zuckerman zich ontworstelen aan de benauwenis van hun milieu, zich afzetten tegen hun dominante vaders en gedienstige moeders, waar ze rebelleren en hun ouders soms knettergek maken, daar is de ‘echte’ ‘Phil’ uit The Facts ‘een heel gezeggelijke, brave, betrouwbare jongen met brave, betrouwbare vrienden’. En benauwenis? Hij herinnert zich alleen hoe warm en liefdevol het vroeger thuis was.

Josie (niet haar echte naam) was zijn omgekeerde muze: Roth trouwde met haar nadat zij op onnavolgbare wijze een zwangerschap had gefingeerd: ze had het zogenaamde ‘bewijs’ daarvoor (urine die uitslaat bij een zwangerschapstest) op straat van een onbekende zwarte vrouw gekocht. Hij portretteert haar omstandig in When She Was Good en in My Life As a Man; de urinetruc wordt in de laatste roman uitgebreid beschreven. Maar hoe rampzalig dat huwelijk ook was, in The Facts werpt Roth er toch een verzoenend licht op. Die wisseltruc met de urine en Josie’s leugenachtigheid: het was zijn beste leerschool als schrijver. Jawel, hij was na de scheiding zo razend dat hij wel in psychoanalyse móest om erger, dat wil zeggen: moord, te voorkomen. Maar die analyse en Josie’s dood (en niet zijn smorende joodse jeugd) maakten dat hij in 1969 Portnoy’s Complaint kon schrijven, die tierende, schunnige monoloog van een seksueel geobsedeerde joodse jongeman die zijn grote doorbraak betekende. Wat hij de zwijgende psychiater daarin uiteindelijk laat zeggen, zo voelde het helemaal na de verlossing van zijn ex-vrouw: ‘Und nun kunnen wij wellicht aanvangen.’

The Facts laat zien dat er een behoorlijke kloof bestaat tussen de autobiografische schrijver die Philip Roth geacht werd te zijn en zijn leven. Alleen is het maar de vraag of die werkelijke autobiografie waarachtiger is dan alle autobiografisch getinte fictie. Het vooraf van The Facts is een brief van Roth aan zijn alter ego Zuckerman. ‘Spaar me niet’, luiden de laatste woorden daarvan. Nou, dat doet Zuckerman ook niet in de brief aan Roth waar The Facts mee besluit: ‘Laat het niet uitgeven – je kunt veel beter over mij schrijven dan dat je “naar waarheid” over je eigen leven schrijft.’ Waarom heeft hij bijvoorbeeld discreet de namen veranderd van mensen die in het boek voorkomen? Dat was om ze geen pijn te doen. Slap gedoe, want in de romans waarin hij, Zuckerman, optreedt heeft hij er geen enkele moeite mee openhartig te zijn.

Inderdaad zijn de herinneringen die in The Facts worden opgehaald nogal keurig, om niet te zeggen vlak. Als lezer ben je dan ook geneigd met Zuckerman in te stemmen als hij schrijft: ‘Jij bent geen autobiograaf, je bent een representator. (…) Jij schept een gefantaseerde wereld die veel opwindender is dan de wereld waaraan hij wordt ontleend. Ik denk dat je zoveel metamorfosen van jezelf hebt geschreven dat je geen idee meer hebt wie jíj bent of bent geweest. Wat jij inmiddels bent geworden is een wandelende tekst.’

De timing van de publicatie van The Facts is nogal briljant. Met zijn debuut Goodbye, Columbus heeft Roth zich heel wat joodse woede op de hals gehaald vanwege de ‘antisemitische’ manier waarop hij zijn Amerikaans-joodse milieu afschildert. (Hij memoreert dat ook in The Facts, als hij een schrijverssymposium op de joodse universiteit van New York beschrijft. Typerende publieksvraag: ‘Meneer Roth, zou u de verhalen die u hebt geschreven ook schrijven als u in Hitler-Duitsland woonde?’) Die joodse woede was nog een stuk heviger na Portnoy’s Complaint tien jaar later. Nog weer tien jaar later, in 1979, ziet de eerste Zuckerman-roman het licht, The Ghostwriter, gevolgd door Zuckerman Unbound (1982), The Anatomy Lesson (1984) en de epiloog The Prague Orgy (1985).

Nathan Zuckerman is een joodse schrijver die schrijft over zijn joodse achtergrond en worstelt met de joodse reacties op zijn werk. In Zuckerman Unbound is hij beroemd, iedereen kent hem van zijn scabreuze roman Carnovsky, een genadeloze bestseller. Zuckerman woont in New York en kan geen bus nemen of hij wordt herkend, geen taxi of de chauffeur heeft Carnovsky op zijn dashboard liggen. De roman is, kortom, een hilarische uitvergroting van wat Roth is overkomen na Portnoy’s Complaint, en, breder, een oergeestige zedenschets van wat succesvol schrijverschap in het moderne Amerika kan behelzen. ‘Daar heb je Carnovsky!’ riepen de mensen op straat, en Zuckerman probeert het maar als een compliment op te vatten dat ze zijn uitbeelding voor een ontboezeming hielden.

Portnoy, Carnovsky, Zuckerman, Roth – het is een kluwen van personages die op elkaar zijn gebaseerd en naar elkaar verwijzen. Want dat is wat Roth is in The Facts, dat de zaken eerder ingewikkelder maakt dan dat ze worden verhelderd. Natuurlijk, Zuckerman is manisch, malend, maniakaal, heel anders dan de beschaafde, bedaagde Roth in The Facts. Maar in The Anatomy Lesson wil Zuckerman aan zijn manische zelf ontsnappen door dokter te worden. Braver kan een joodse jongen niet zijn. Hij is dan wel weer een dokter in spe die zich voordoet als een vuilbekkende pornokoning.

An unhappy childhood is a writer’s goldmine, wordt wel gezegd. Bij Roth doet geluk of ongeluk er niet zo toe: zijn autobiografie, en dan met name zijn jeugd, is er om mee aan de haal te gaan. De decors zijn vertrouwd, de intensiteit is er altijd, maar de voorstelling die Roth met de vaste ingrediënten opvoert is telkens weer een grote verrassing. En wat de ‘feiten’ zijn? Alleen primitieve lezers zijn op zoek naar het ‘waargebeurde’ verhaal.


Beeld: Sam Falk / The New York Times / HH

Philip Roth, Princeton University, 1964

My Life as a Man, € 13,50
When She Was Good, € 13,50
Goodbye Columbus, € 13,95