‘Laat Holland stikken in zijn centen’

Het oeuvre van Willem Elsschot is klein, de actualiteit is groot. Vijftig jaar na zijn dood kan de schrijver nog heel goed mee, niet alleen in Vlaanderen, ook in Nederland.

Antwerpen staat deze zomer in het teken van Willem Elsschot, de auteur die daar in 1882 als Alfons de Ridder werd geboren en er op 31 mei 1960, vijftig jaar geleden, overleed. Zoals gebruikelijk had hij net ‘zijn brieven gepost’ - Vic van de Reijt zal in zijn voor komend najaar aangekondigde biografie uit de doeken doen wat onder die onschuldige formulering zoal schuilgaat - toen hij op straat in elkaar zakte. Voorbijgangers brachten hem naar huis en legden hem op een sofa. 'Dank u, heren’, waren zijn laatste woorden.
'De stad van Elsschot’ is deze dagen onder verwijzing naar Elsschot omgetoverd tot een gigantisch reclame-evenement voor zichzelf - de listige en buitengewoon succesvolle reclameman De Ridder, oprichter en directeur van La Propagande Commerciale, zou het bedacht kunnen hebben. Daarnaast organiseert het Letterenhuis een expositie waarop nooit eerder getoonde brieven uit de zakelijke correspondentie van De Ridder zijn te zien; verder zijn er 'Dwaallichtwandelingen’, theatervoorstellingen en natuurlijk de nodige lezingen, waarin diverse specialisten zich onder meer buigen over de vraag of zijn werk werkelijk geen passages bevat 'die spontaan geeuwen rechtvaardigen’.
Ook de multidisciplinaire instelling Schunck* in Heerlen organiseerde een ambitieus Elsschot-weekend waarin leven en werk van de auteur van alle kanten bekeken werden. Dat gebeurde onder het niet erg strijdvaardige motto: 'Heeft het werk van Willem Elsschot nog toekomst?’ Mij werd gevraagd Elsschot 'anders’ te lezen, ik moest de stem van de tegenpartij laten horen, een dissonant in het jubelkoor van Elsschot-bewonderaars. Want de jubilerende auteur mag in Nederland en Vlaanderen dan wel geprezen worden om zijn helderheid, bondigheid en humor, het blijft de vraag of zijn werk vanuit internationaal perspectief niet wat mager oogt, of zijn toon inmiddels niet wat belegen klinkt, of zijn tobberige Laarmans niet een figuur uit een ander tijdperk is om wiens nerveuze strapatsen we alleen nog maar meewarig kunnen grinniken.
Het is waar dat Elsschots oeuvre beperkt van omvang is. Het Verzameld werk, de kritische leeseditie bezorgd door het Constantijn Huygens Instituut, beslaat weliswaar elf delen, maar na aftrek van alle commentaar hou je niet meer dan zo'n 750 bladzijden over. Een grote roman zit daar niet bij. Lijmen/Het been - door de auteur nadrukkelijk als eenheid bedoeld - telt 250 pagina’s. Zijn meeste titels zijn verhalen of novellen van minder dan honderd pagina’s. Hebben kwade tongen die beweren dat Elsschot een auteur voor luie lezers is dus toch het gelijk niet een beetje aan hun kant?
Ik las de verhalen die ik nooit eerder gelezen had, herlas de klassieken en kwam al snel tot de conclusie dat er van dat 'anders’ lezen niet veel terecht zou komen, het grootste deel van dit kleine oeuvre is nog altijd springlevend. Elsschots taal is van een grote natuurlijkheid. In veel passages hoor je de directe aanspreekvorm van de reclameman, zijn zinnen worden voortgestuwd door het ritme van de ademhaling en gekleurd door de klank van de stem.
Elsschot zegt zelf van sommige boeken dat hij ze in een paar weken heeft geschreven, maar vast staat ook dat hij vervolgens nauwgezet aan formuleringen bleef schaven, dat hij bij Nederlandse vrienden eindeloos informeerde naar de gangbaarheid, de precieze betekenis en de stilistische waarde van bepaalde woorden. Die inspanningen leidden tot een ongekende lenigheid, tot precieze en originele beelden - ook in zijn mindere boeken.
Maar wat opvalt - als je er bewust op gaat letten, want eigenlijk valt het juist niet op - is dat je Elsschot niet op stoplappen kunt betrappen, niet op clichés, sjablonen, gemakzuchtige herhalingen. Elsschot moet zich als de reclame-expert Alfons de Ridder zo bewust zijn geweest van de verleidelijke, suggestieve, tendentieuze dimensies van de reclametaal dat hij daar als schrijver maximaal afstand van nam. Hij laat de spanning zien tussen die taal - de taal van de bewuste manipulatie - en de realiteit. Tegelijk dwingt dat demasqué hem ertoe zijn eigen proza van alle valse opsmuk te ontdoen.
Het cliché, in de druktechnische en de taalkundige betekenis van het woord, was zijn specialisme bij uitstek. Dankzij het cliché kon hij - als Alfons de Ridder - en konden zijn literaire protagonisten in zijn bekendste boeken efficiënt werken en hun potentiële slachtoffers overtuigen. Het cliché is behalve een druktechnisch middel immers ook een strategisch instrument: alleen wat de klanten herkennen als geijkte beelden van grootheid en aanzien, winst en macht vertrouwen ze; wat van het cliché afwijkt, wat precies, ongewoon origineel is, wantrouwen ze als intellectualisme. 'Je hebt soms iets van een intellectueel of zo en dat maakt de mensen achterdochtig’, waarschuwt Boorman Laarmans als die half geschoren en zonder 'donkere das’ op pad wil gaan; voor een 'man van zaken’ is het onberispelijke uiterlijk even belangrijk als 'de verpakking voor een product’.
Elsschot is De Ridder in de biechtstoel. Waarover hij privé niet kon spreken, moest hij onder pseudoniem schrijven. In Lijmen (1924) onthult hij voor het eerst de abjecte bedrijfsgeheimen van La Propagande Commerciale en neemt hij wraak op de verpakkingspraktijken die door zijn zakelijke alter ego evenzeer met groot talent werden bedreven als, op momenten van zwakheid, verafschuwd. Hij laat zien hoe ze de wereld vertekenen en mensen in de kredietval lokken.
Met zijn Algemeen Wereldtijdschrift voor Financiën, Handel, Nijverheid, Kunsten en Wetenschappen strijdt Boorman in de frontlinies van de globalisering. Zijn uitgangspunt is realistisch: 'mensen die vooruit willen’ weten 'dat publiciteit de wereld regeert’. Anno 2010 is het waarheidsgehalte van die zin alleen nog maar vele malen toegenomen. NRC Handelsblad van 4 juni meldt dat in ons land tienmaal zo veel mensen in de public-relations- en de communicatiesector werken als in de journalistiek, 150.000 tegen 15.000. Oftewel: tegenover iedereen die idealiter op zoek is naar de naakte waarheid staat een legertje van tien mensen om die waarheid te verhullen, te verdraaien en verfraaien, te vervalsen en uit te wissen.
Strijd om de macht, weet Boorman, begint met strijd om de interpretatie van de werkelijkheid: welk beeld van de wereld nestelt zich het stevigst in de hoofden van de mensen, motiveert hun handelingen, voedt hun dromen, stookt hun angsten op? Daarbij gaat het niet om redelijke argumentatie, het gaat uitsluitend om 'de grootste advertenties’, waarin alles is gericht op imponeren, het aanwakkeren van de hebzucht. Want 'ieder wil nummer één zijn of tenminste doorgaan voor nummer één’. Dus geldt voor meubelbedrijf Mayer & Strauss (in het hoofdstuk 'Business’ in Lijmen, dat men niet vaak genoeg kan herlezen), net als voor al zijn concurrenten, 'Crédit à tous! - Tout à crédit!’ De heren beginnen in het klein, maar wakkeren de koop- en consumeerlust van hun slachtoffers steeds verder aan, waardoor hun schulden onverantwoord oplopen. 'En als je dan een paar keer niet betaalt’ - Boorman spreekt een denkbeeldige jongedame toe - 'dan haalt Mayer zijn rommel terug, behoudt de reeds gestorte termijnen voor sleet en moeite en verkoopt alles opnieuw aan een ander paar dat getrouwd wil zijn.’
Zoals Clausewitz oorlog zag als voortzetting van de politiek met andere middelen, zo geeft Elsschot een beeld van de handel als voortzetting van de oorlog met andere middelen. Een handelspartner of een klant is een tegenstander, iemand die bespioneerd, misleid, in de val gelokt en overweldigd moet worden. Hij mag, onder de gevechtshandelingen, geen moment het gevoel krijgen dat hij nog een kans heeft om terug te vechten. 'Nooit een stilte laten vallen onder het lijmen’, zegt Boorman, 'stilte onder ’t lijmen komt overeen met adem scheppen van een drenkeling.’ En elders, in een schitterende paradox: 'Wees beleefd tegen je klanten, want het zijn je vijanden, vergeet het niet.’
In Het been wordt de strijd voortgezet, hoewel de inzet nu is veranderd. Maar van een fundamentele mentale omslag bij Boorman, van een nieuw verworven moreel besef, zoals wel vaker wordt beweerd, is geen sprake. De herinnering aan mevrouw Lauwereyssen verpest zijn oude dag, hij kan daar alleen van af komen door haar het geld terug te geven, desnoods met geweld. Hij eist gehoorzaamheid, hij is nog steeds de sterkste, hij wil 'een onderdanig woord’ van haar. Niks geen mededogen met die uitgebuite vrouw, het gaat inmiddels om 'de strijd tegen het been’, weet ook Laarmans. En het moment waarop zij het geld accepteert is niet het verlangde moment van 'absolutie’ maar van 'triomf’.
Niet alle boeken van Elsschot zijn even goed. Tot de mindere reken ik Een ontgoocheling, Pensioen en Het tankschip, hoewel ook die verhalen nog altijd passages bevatten waar je je vingers bij aflikt. Een lichte tegenvaller leverde de herlezing op van het verhaal dat algemeen tot de hoogtepunten van het oeuvre wordt gerekend, het melancholische Dwaallicht. Het is Elsschots zwanenzang (1946), het verhaal waarin Laarmans, gedreven door een mengsel van mededogen en zucht naar avontuur, respectievelijk 'geilheid’, drie Afghaanse matrozen door nachtelijk Antwerpen loodst op zoek naar een vrouw. Maar wat mij betreft ligt de veelgeprezen katholieke symboliek er te dik op.
Maar dan blijft er nog genoeg over. Kaas blijft onovertroffen. Als slapstick hoort het verhaal van de naar aanzien smachtende Laarmans in de traditie van Charlie Chaplin en Monsieur Hulot. Het slapstickachtige zit ’m in de incongruentie tussen de eisen die een bepaalde handeling aan de uitvoerder ervan stelt en diens onvermogen om aan die eisen op natuurlijke wijze tegemoet te komen. Ondanks alle mentale voorbereiding - nee, juist als gevolg daarvan - is Laarmans zo nerveus dat het hem onmogelijk lukt binnen de uitgestippelde lijntjes van zijn rol te blijven. Alle handelingen, ook de eenvoudigste, verliezen voor hem hun vanzelfsprekendheid. Bij elk woord, bij elke beweging voelt hij zich, trillend van de zenuwen, alsof hij examen moet doen, geen drempel durft hij over (letterlijk in de scène met de giechelende winkelmeisjes) zonder die passage minutieus en in vele varianten voor te bereiden. Hartverscheurend en onvergetelijk zijn de scènes waarin de beginnende carrièrist tegen wil en dank als aarzelende en stuntelende proefpersoon niet blijkt opgewassen tegen de omstandigheden - met een groeiende onzekerheid en nog meer schaamte tot gevolg.
Het mooiste Elsschot-boek vind ik Tsjip, gevolgd door De leeuwentemmer. In deze op elkaar aansluitende verhalen, geschreven in 1933 respectievelijk 1940, bereikt Elsschots stilistische en compositorische vermogen een hoogtepunt. Komisch dat Ter Braak er weer niets aan vond. 'Te weinig Boorman.’ Du Perron ging nog verder, hij vond het 'een laag-bij-de-gronds kletsboek’. Die kwalificatie is Elsschot waarschijnlijk nooit onder ogen gekomen, op Ter Braaks reactie reageerde hij tegenover Carmiggelt teleurgesteld maar strijdbaar: 'Menno verwacht diepzinnigheid, filosofie. Maar als ik daar niets voor voel kan ik die niet geven.’ Hij had, met een vermoedelijk onbewuste variant op Flaubert, een boek 'zonder inhoud’ willen schrijven, een boek waarin het uitsluitend om de 'intensiteit’ zou gaan. En daarin, constateer ik, is hij volmaakt geslaagd.
Ook Tsjip is bij vlagen je reinste slapstick. Dat hij het boek al twee maanden na het verschijnen van Kaas voltooide - bij wijze van spreken in één vlaag van superieure zelfironie - is vooral daaraan te zien. Lees de scènes waarin een woedende Laarmans nota bene in het Vlaams correspondeert met de vader van 'de Pool’ die niets ziet in het huwelijk van zijn zoon met een niet-Pools en al helemaal niet met een niet-katholiek meisje. Of de scène waarin dochter Adèle om toch voor de kerk te kunnen trouwen de heilige geloofswaarheden uit een geleende catechismus van buiten leert. 'Of er één God is’, vraagt Adèle haar vader dan, maar Laarmans gruwt van 'dat dreigende enkelvoud’, hoewel hij moet toegeven dat hij van de rolverdeling van het minder dreigende 'één God in drie personen’, als een soort theologische trias politica, niets begrijpt.
Maar De leeuwentemmer is nog mooier. Het huwelijk van Adèle is op de klippen van het dogmatische Poolse katholicisme stuk gelopen. Zij hertrouwt met een Vlaming. Maar de Poolse vader palmt het kind in als dat een maand bij hem logeert. Dan ontbrandt er een epistolaire strijd om het kind, vooral gevoerd door opa Laarmans, die begrijpt dat hij zijn woede moet sublimeren tot list en diplomatie. Vergeefs, de Polen willen het kind niet meer afstaan aan die verderfelijke Vlaamse godloochenaars, dus zit er niets anders op dan het te kidnappen.
Willem Elsschot is geen revolutionair in maatkostuum. Hij is ook geen politiek schrijver en geen geëngageerd schrijver. Niettemin bewonderde hij Multatuli zeer. Multatuli, deze 'ware Prometheus’ - schreef hij nog in 1950 - heeft 'de fakkel van de opstandigheid en het non-conformisme hoog gehouden. Uit zijn as is de hele moderne Nederlandse literatuur opgeflakkerd. Zijn cultus is ons aller heilige plicht.’ Er zijn in Elsschots werk, vooral op het thematische vlak, ook wel parallellen met Multatuli. En er is op z'n minst één opmerkelijke allusie. In het gedicht over 'Van der Lubbe’ heet het: 'Laat het (Holland - co) stikken in zijn centen,/ in zijn kaas en in zijn krenten’ - wat wel een echo moet zijn van Multatuli’s woedende uithaal naar Droogstoppel als intro op het slot van Max Havelaar: 'stik in koffie en verdwijn’.
Karel van het Reve vond Elsschot de belangrijkste Nederlandstalige schrijver na Multatuli. Op Van het Reve’s Elsschot-essay in Een dag uit het leven van de reuzenkoeskoes valt veel af te dingen, Jeroen Brouwers heeft er dan ook geen spaan van heel gelaten. Maar toch, zeker als ik me beperk tot de eerste helft van de twintigste eeuw, kan ik me in zijn algemene oordeel heel goed vinden. Waarmee ik maar wil zeggen dat ze zich in Antwerpen noch Heerlen zorgen hoeven te maken: Elsschot kan ook in de 21ste eeuw nog heel goed mee.