Daniël Rovers, Bunzing

Laat je nakijken

Daniël Rovers

Bunzing

Vantilt, 189 blz., e 17,50

Daniël Rovers heeft in deze verzamelbundel essays een sterke voorkeur voor schrijvers die tegen «de waan van de dag» in het geweer komen, die «dagelijkse vormen van communicatie» ondermijnen en die teksten maken die «even door de tenthuid steken die ons durend van de werkelijkheid scheidt». Hoe zou hij dat laatste bedoelen? Leef ik gescheiden van de werkelijkheid? Was dat maar waar! Bedoelt hij dat ik niet meer de werkelijkheid kan zien zoals die is omdat ik door een waas (een tenthuid) kijk van ideologie en vooroordeel, die mij door de media (ja, altijd die media!) zijn opgelegd? Maar dan ben ik in ieder geval helemaal niet afgescheiden van de werkelijkheid, die ideolo gieën en vooroordelen horen tot mijn werkelijkheid, hoe je het ook wendt of keert. Meent hij werkelijk dat er zoiets bestaat als een zuivere, echte, ware, edele werkelijkheid die zich los heeft gezongen van de bedorven werkelijkheid? En dat we via literatuur op zoek moeten naar die zuivere werkelijkheid? Dat literatuur door het tentdoek heen naar de ware werkelijkheid zoekt? Kom op Rovers, dan kun je beter meteen lid worden van de een of andere kerk!

Zo’n boek is dit dus. Ik sla de hele tijd aan het debatteren, zet om de haverklap «gelul» in de kantlijn, of «laat je nakijken joh». Kortom, dit boek houdt de aandacht flink gevangen.

Neem nu zijn betoog over de poëzie van Kregting. Die beweerde zelf ooit dat zijn werk in het geweer komt tegen de moderne vanzelfsprekendheid die al het «werkelijk afwijkende», aldus Rovers, en het schokkende uit de weg gaat. Ik wil niet blijven zeuren, maar wat is toch precies het verschil tussen het afwijkende en het «werkelijk afwijkende»? En wie bepaalt precies wat het «werkelijk afwijkende» is? Vermoedelijk een jury met Rovers als voorzitter.

Ja, toegegeven, daar ging ik al weer boven op de kast, en met dit boek is dat een kleine moeite, dat is er een groot voordeel van. Rovers zet zijn beschouwing over de poëzie van Kregting voort met een smalende uiteenzetting over het Nederlandse «poldermodel». Spottend heeft hij het over de «dikke wollen deken van de consensus» en al dat eeuwi ge ge-overleg dat uiteindelijk toch maar mooi de Betuwelijn opleverde. Gelijk heeft hij om de uitkomst van dat overleg op de hak te nemen, maar wat is er precies tegen overleg in de politiek? Geen overleg dan maar? De wens van de meerderheid doordrukken? Ongegeneerde popi-politiek? Dan wel met Rovers als voorzitter, vrees ik. Hij ziet dit politieke consensusmodel overigens ook ineens terug in de Nederlandse poëzie en neemt als bewijs twee zinnen van Kopland (altijd Kopland!) en Eva Gerlach. Zal ik een paar zinnen van Louis Paul Boon of Hugo Claus als bewijs van compromisschrijven in België citeren? Kleine moeite.

Kortom, Rovers beweert veel, maar argumenteren ho maar. Hij noemt het werk van Kregting «strijdlustig, anarchistisch», maar verzuimt aan te geven waarin die strijdlust precies zit. Hij beweert dat dit werk tegen communicatie in het geweer komt, maar dan zou je evengoed kunnen concluderen dat het dus niet strijdlustig is maar in zichzelf verzonken. En bij anarchie stel ik me iets anders voor dan de uitermate strak georganiseerde gedichten van Kregting, die weliswaar minder goed direct «leesbaar» zijn, maar in strofenbouw, zinslengte en ook verdere poëtische vormgeving niet afwijken van wat gebruikelijk is.

Rovers probeert niet altijd iets te verdedigen tegen de boze buitenwereld of die buitenwereld aan te vallen. Zijn korte essay over Nanne Tepper is prachtig, juist omdat hij geen betoog afsteekt over het ideologische gehalte van diens schrijven, maar zoekt naar de grond slagen van diens schrijverschap: de vermenging van realisme en symboliek. Hier begint hij ineens tastend te schrijven en legt zo de sensitieve kracht van de stijl van dit werk open. Hetzelfde geldt voor zijn uitvoerige essay over Mutsaers. Maar als hij het werk van een schrijver in het licht ziet van de een of andere poëticale theorie gaat het mis. Dan moet dit werk wijken voor allerlei bedoelingen die er al of niet in gelegd zijn en worden gedichten ineens illustraties bij hoogst discutabele theorieën. Zie het essay over het werk van Van Bastelaere.

Rovers klaagt te veel in dit boek, terwijl hij toch ook heel mooi kan bewonderen. En hij suggereert voortdurend dat alles in België beter is dan in Nederland. Nederlandse schrijvers als Oek de Jong, Abdelkader Benali, Herman Franke en A.F.Th. van der Heijden schreven bijvoorbeeld volgens hem alweer niet de Great Dutch Novel. Hij doelt op een roman die «alle lagen van de bevolking representeert, een roman die onversaagd een greep doet naar de familiale, eco nomische en politieke werkelijkheid».

Ik bid niet vaak, soms voor een overwinning van Heerenveen, maar vanaf vandaag beloof ik plechtig dat ik voortaan eens in de week tegen iets onuitsprekelijk vervelends, iets verschrikkelijks op de knieën zal gaan. Dat ik hartstochtelijk zal bidden tegen de verschijning van zo’n roman. Geef ons heden en in de toekomst, o heer, in ieder geval niet zo’n roman.