Een huis voor James Baldwin

‘Laat je niet verdrijven’

De schrijver James Baldwin was het ideale uithangbord voor de Amerikaanse burgerrechtenbeweging, de homobeweging, het goede in de mens en de moraal in het bijzonder. Amerika was zijn gedroomde thuis. Waar hij niet kon wonen.

Het is die ene zin van James Baldwin, die het me aandoet. De zin staat in de twee essays in briefvorm, beter bekend onder de titel The Fire Next Time; niet per se mijn lievelingsboek, maar toch, de zin kan ik nooit lezen zonder dat mijn ogen beginnen te prikken.

Het zijn woorden die Baldwin begin jaren zestig schrijft aan zijn veertienjarige neefje, even Amerikaans en zwart als zijn oom James – al is het neefje niet in staat zomaar zijn geboorteland te verlaten, zoals Baldwin wel had gedaan toen hij zich in 1948 vestigde in Frankrijk. En de voormalige expat schrijft over hun beider geboorteland: ‘Dit is jouw huis, mijn vriend, zorg dat je er niet uit verdreven wordt; geweldige mannen hebben geweldige dingen gedaan in dit land, en zullen dat opnieuw doen, en we kunnen ervoor zorgen dat Amerika zal zijn zoals het moet worden. We can make America what America must become.’

21 september in TivoliVredenburg:
International Literature Festival Utrecht: de avond van de roman

Met o.a. Marja Pruis, Stephan Sanders en Niña Weijers

Het is 1962 wanneer Baldwin deze woorden schrijft, zelf heeft hij dan een aantal Franse jaren achter de rug, omdat hij zichzelf, zijn schrijven en zijn leven ‘van buitenaf’ wil bekijken, buiten die bittere Amerikaanse context waar de rassenscheiding nog een feit is en waar iedere zwarte schrijver altijd eerst zwart is en dan pas een schrijver. Hij wil niet gezien worden ‘merely as a Negro, or even, merely a Negro writer’.

En juist deze man, als twintiger al zwaar getekend door het Amerikaanse racisme, krijgt deze woorden uit zijn pen: ‘This is your home, do not be driven from it.’ Was Baldwin zelf in 1948 naar Parijs ‘verdreven’ of toch vrijwillig vertrokken? Zien we hier de contouren van een nieuwsgierige jongeman, of toch die van een balling, die uit nooddruft zijn heil elders heeft gezocht? Het laatste: er is een druppel, zoals dat heet – en de emmer staat heel Baldwins leven lang op overlopen. Ergens in 1948 wandelt hij een New Yorks restaurant binnen, een waarvan hij weet dat hij er niet bediend zal worden. De serveerster komt meteen op hem af, vertelt dat Negro’s hier niet welkom zijn, en de 24-jarige Baldwin, die dan al druk bezig is zich te ontwikkelen en te schrijven en een Greenwich-bohémien te worden, pakt een glas water, gooit het naar de serveerster, mist, en breekt behalve zijn eigen geloof in zijn geboorteland ook de spiegel die aan de muur hangt. Consternatie. Commotie.

Daarna: Parijs, de jonge zwarte belofte die zijn heil zoekt in het non-raciale, want in het geheel nog niet raciale Europa. Hij hoopt er een ‘wie’ te kunnen worden en geen ‘wat’ – geen Negro.

Hij droomt over ‘great things’ en ‘great men’ en ondertussen vindt hij ook de gelegenheid om ver van huis zijn seksualiteit te verkennen. Niets zo drukkend voor een seksueel ontwaken als de bekende vertrouwde omgeving, die je bespiedt met de kennis uit het verleden. Elke homoseksueel moet even van huis. En elke gekleurde of zwarte homoseksueel moet echt een heel eind van huis.

In de jaren vijftig keert Baldwin terug naar ‘zijn’ Amerika, in de hoop op verandering: ‘We can make America…’ Nee, niet ‘great again’ zoals een nieuwe Amerikaans president bijna zestig jaar later zou verklaren, met een ingénue alsof er geen enkele raciale erfenis vastzit aan dat ‘great again’ – ook de rassenscheiding en andere, gelegitimeerde vormen van racisme maken deel uit van Trumps ‘goeie ouwe tijden’. Baldwin daarentegen wilde met zijn uitspraak Amerika aan zijn eigen beloftes houden en vervolmaken tot het land dat het constitutioneel voorgaf te zijn. Dat was Baldwins droom, waaruit hij keer op keer hardhandig werd wakkergeschud, maar die hij nooit definitief opgaf.

Ik weet van weinig beroemdheden waar ik was toen ik hoorde dat ze gestorven waren. Echt te jong voor John F. Kennedy, Martin Luther King vaag meegekregen en te weinig gegrepen door prinses Diana om te delen in de collectieve rouw. Maar het doodsbericht van James Baldwin kwam aan als een mokerslag. Ik zat in een café dat niet meer bestaat, wachtend op een oud-studiegenoot die ik niet meer zie. Hij wist van mijn Baldwin-idolatrie en hij bracht het nieuws als in watten verpakt. 1 december 1987 is de officiële sterfdatum van Baldwin, de Amerikaanse schrijver die verkoos een groot deel van zijn leven in Europa te wonen, om uiteindelijk te overlijden in het Zuid-Franse Saint-Paul-de-Vence. Maar in die internetloze tijd kan het goed dat het nieuws me pas op 2 of 3 december bereikte.

Dat ik zo geshockeerd reageerde verraste me, want de schrijver Baldwin was toch vooral mijn held geweest rond mijn twintigste – een jeugdidool, zogezegd. Juist in literair opzicht had ik later schrijvers leren kennen die veel meer mijn bewondering wekten en als voorbeeld golden: in 1987 was ik 26 jaar maar alvast een beetje blasé. Toch hakte het onherroepelijke van Baldwins dood erin, en dat, realiseerde ik me, kwam doordat ik er stiekem altijd op gerekend had dat ik Baldwin ooit nog eens zou ontmoeten, face à face; dat er nog tijd van leven was om het plan te verwezenlijken. Het is niet mijn gewoonte om te dromen over een rendez-vous met bewonderde schrijvers. Ik kan me behalve Baldwin niemand voor de geest halen voor wie dat verlangen zo sterk gold.

Zeker, zijn romans, zoals zijn eersteling Go Tell It on the Mountain (1953) en het homo-erotische Giovanni’s Room (1956), hadden me aangegrepen. Zijn essaybundel Notes of a Native Son (1955) leverde citaten op die ik als bommetjes liet vallen in voorbijkomende gesprekken. Maar meer nog dan zijn werk was de persoon Baldwin een lichtend voorbeeld. Een zwarte, homoseksuele schrijver, met een wereldwijze blik – hoe uitgesproken wil je je rolmodellen hebben? Maar daarnaast speelde er iets wat ik toen hakkelend en hopelijk nu wat fermer onder woorden kan brengen. Baldwin en Martin Luther King en zoveel Afro-Amerikanen van zijn generatie bezaten die feilloze intuïtie voor het moreel-ethische. Hun politieke en literaire activiteiten waren nooit alleen dat, ze waren zwanger van een universele moraal die niet tot de politiek of de literatuur viel te reduceren. De Amerikaanse burgerrechtenbeweging wist die moraal ook zo breed en ontegenzeggelijk over te brengen dat de boodschap dwars door kleur- en partij- en nationale grenzen heen sneed en zijn beslag kreeg. Baldwin en de zijnen waren wandelende morele ijkpunten.

Nu overheerst in activistische antiracismekringen veel meer de sociologisch-academische benadering: die van het jargon, van de ‘white fragility’ en de ‘helper whitey’, het sektarische vocabulaire waar universitaire werkgroepjes van opbloeien maar dat de meeste mensen – blank, gekleurd en zwart – met een zucht over zich heen laten komen; zo vergaand en verfijnd zijn de beschuldigingen en zo minimaal de kansen op een wederzijds vergelijk.

James Arthur Baldwin werd geboren als een preacher’s son in Harlem, New York (1924), de oudste van negen kinderen. Als puber al werd James zelf een zeer geoefende jongens-prediker die charismatisch getuigde in wat we nu een ‘pop-upkerk’ zouden noemen. Vijftien jaar oud en dan al op de kansel. Die ferme, bijbelse toon, die universele inzet heeft Baldwin nooit verlaten, ook niet toen hij zich verwijderde van het christelijke geloof. In een later gesprek met Elijah Muhammed, de voorman van de Nation of Islam en toentertijd de feitelijke baas van Malcolm X, vroeg de moslimleider Baldwin naar zijn geloof: ‘En wat ben je nu dan?’ Baldwins antwoord: ‘Niets. Ik ben een schrijver. Ik hou ervan om dingen alleen te doen.’

Een zwarte, homoseksuele schrijver, met een wereldwijze blik – hoe uitgesproken wil je je rolmodellen hebben?

Maar ook zonder de christelijke overtuiging bleef de christelijke retoriek, de gespierde taal en de kerkcadans die overal in zijn werk te horen is. ‘Er zijn geen joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen’ – naar de woorden van de apostel Paulus (Galaten 3:28). Die alles overstijgende overtuiging is een leven lang die van James Baldwin geweest. ‘U bent allen één in Christus’ – laat Paulus daarop volgen. En dat zei Baldwin hem als volwassen man niet meer na.

Harlem dus, in de jaren twintig en dertig: een zeer armlastig gezin, een stiefvader die preekt maar vooral toch duivelse trekken ontwaart in zijn stiefzoon James, en het bedroevend lage aantal mogelijkheden dat jonge mensen in die tijd, op die plek, ter beschikking stond. Ook toen al stond Harlem bekend om zijn drugs en (jeugd)criminaliteit. Baldwin omschreef het later zo: ‘Je kon kiezen tussen een pooier of God.’

Het werd de Hoofdletter, maar toen Baldwins getuigende vader in 1943 stierf (het woord ‘dominee’ suggereert in Nederland een maatschappelijke status die daar niet te vergeven viel) hield James de kerk steeds meer voor gezien en ging deel uitmaken van het wereldse, raciaal gemengde milieu van down town New York en Greenwich Village.

En dan in 1948 de grote oversteek naar Frankrijk, naar Parijs. Het moet een buitengewoon stoutmoedige onderneming zijn geweest voor de man uit Harlem, maar er wacht hem in Parijs ook een vertrouweling. De zwarte Amerikaanse schrijver Richard Wright, dan al bekend van romans als Black Boy en Native Son (waarnaar de titel van Baldwins essaybundel verwijst: Notes of a Native Son). Wright is ingevoerd in het Parijse milieu, hij hoort tot de linksen en existentialisten (rive gauche) en bezorgt Baldwin zijn entree in de Franse hoofdstad. Wright is het grote voorbeeld voor Baldwin.

En dan gebeurt er iets eigenaardigs: Baldwin schrijft zijn eerste, veelbesproken essay voor Partisan Review (juni 1948), getiteld Everybody’s Protest Novel. Daarin hekelt hij de pamflettistische roman, waar de tendens er duimendik bovenop ligt, en uiteraard moet Harriet Beecher Stowe, auteur van het wereldwijd gelezen Uncle Tom’s Cabin, het weer ontgelden. Stowe was volgens Baldwin ‘geen romancier maar een pamflettist. Haar boek deed niets anders dan bewijzen dat slavernij slecht was.’ Maar zo’n eenduidige boodschap is niet besteed aan de roman, want daarin moet het ‘web van ambiguïteit, van paradoxen, van honger en gevaar en donkerte’ verbeeld worden. ‘The business of the novel is the power of revelation.’ Onthulling en openbaring zijn de kernzaak van de roman.

Stowe is een veilige, want zeer dode tegenstrever, maar ook het grote voorbeeld Richard Wright wordt door Baldwin gewogen en te licht bevonden. Wrights roman Native Son geldt op dat moment als het summum van zwarte Amerikaanse romankunst, en juist hier, bij zijn vriend en beschermeling, wijst Baldwin dezelfde gebreken aan die hij eerder Stowe verweet. ‘De protagonist van Native Son is een nazaat van Uncle Tom: hij mag dan het tegendeel willen verbeelden, maar hij is en blijft het vlees van oom Tom.’ Want, schrijft Baldwin, ‘romans over onderdrukking geschreven door Negroes (…) bevestigen alleen maar de principes waarover de schrijvers zich beklagen’.

Kort en goed: Baldwin zet zich op jonge leeftijd af tegen de al te schematische romans, tegen opgelegd pandoer, omdat dat soort boeken een ‘verraad aan het echte, volle leven’ betekenen. Er ontstaat een brouille tussen Wright en Baldwin, de meester en zijn protégé nemen afstand van elkaar – al zal Baldwin later proberen de kloof weer te dichten.

Vadermoord van Baldwin? Het zal zeker, maar pijnlijker is dat de verwijten die Baldwin Wright maakt evengoed een zelfkritiek inhouden. Alsof Baldwin zijn eigen neigingen en tekortkomingen voorziet als beginnend romanschrijver. Want zeker zijn latere romans, zoals If Beale Street Could Talk (1974) en Just above My Head (1979), worden door recensenten bekritiseerd om dezelfde redenen die Baldwin heeft genoemd: te schematisch, te eendimensionaal, pamflettistisch, personages die zich mechanisch voortbewegen, keurig voorzien van een ideologisch profiel, et cetera. Het lijkt erop dat Baldwin zich niet aan zijn eigen waarschuwing tegen de ‘pamfletroman’ heeft gehouden.

Ik kan me alleen maar voorstellen hoe een ambitieuze, zwarte Amerikaanse jongeman in Parijs de berichten verneemt uit zijn vaderland, en de beroering die ze gewekt moeten hebben – en de hoop. De beslissing van het Amerikaanse Hooggerechtshof in de beruchte zaak Brown v. Board of Education (1954) om een einde te maken aan het gesegregeerde onderwijs; de burgermoed van Rosa Parks die weigert achter in de bus plaats te nemen; de tragedie van Little Rock Central High (1957), waar het negen zwarte scholieren onmogelijk wordt gemaakt om de middelbare school te bezoeken; de jonge Dorothy Counts, ook een zwarte scholier, in Charlotte deze keer, North Carolina, die naar de highschool wil en het spuug van haar gezicht moet vegen. De foto van haar, besmeurd en wel, is ook te zien in Franse kranten.

Baldwin, de man die zich voornam verre te blijven van het eenduidig politieke, wordt overvallen door de Amerikaanse burgerrechtenbeweging: de successen die ze boekte, de tegenstand die ze opriep, en het schuldgevoel dat dit alles hem als expat moet hebben bezorgd. Baldwin, in een later essay: ‘De Negro jongens en meisjes die vandaag de dag met meutes te maken krijgen, maken allen deel uit van een lange, onwaarschijnlijke dynastie van aristocraten, de enige echte aristocratie die dit land ooit heeft gekend.’

Baldwin gaat terug naar Amerika, want zoals hij zijn veertienjarige neefje schreef: ‘Laat je niet verdrijven uit je huis.’

Precies 52 jaar later zal de Afro-Amerikaanse schrijver Ta-Nehisi Coates ook een brief versturen aan een veertienjarige, in dit geval zijn eigen zoon. Between the World and Me heet het boek dat een bestseller wordt en dat zwaar leunt op Baldwins erfenis. Alleen is Coates erin geslaagd het laatste beetje hoop dat Baldwin nog restte te smoren: zijn beeld van Amerika en de plek die daar voor Afro-Amerikanen overblijft is zo mogelijk nog grimmiger dan Baldwin het schetste. Bij Coates geldt niet: The Fire Next Time. Bij Coates heeft het vuur zijn werk al gedaan. Er blijft een zwartgeblakerd land over.

‘De fantasie over de uitwisbaarheid van zwart leven in het land is een constante in de Amerikaanse geschiedenis’

De documentaire I Am Not Your Negro van de Amerikaanse filmmaker Raoul Peck, nu ook in Nederland te zien, is niet de beste die ik ken over de Civil Rights Movement, maar wel eentje waarin een uitbundige hoeveelheid beelden te zien is van James Baldwin en dat is een genot om naar te kijken, een herinnering om te koesteren en iets om melancholiek van te worden. De film is gebaseerd op het grote boek dat Baldwin in zijn laatste jaren wilde schrijven, maar dat niet verder vorderde dan een dertig pagina’s tellend manuscript. De gedroomde titel: Remember this House. Weer die zo begrijpelijke obsessie met het huis, het Amerikaanse huis, dat ook Afro-Amerikanen als hun thuis moeten zien bij ontstentenis van een ander, reëel vaderland. Baldwin schreef erover: ‘De Amerikaanse fantasie over de uitwisbaarheid van zwart leven in het land is een constante in de Amerikaanse geschiedenis.’ Veel radicaler kun je het niet onder woorden brengen.

Of neem het einde van Baldwins toneelstuk Blues for Mister Charlie (1964), waarin een dominee de kansel beklimt met in zijn ene hand de bijbel en in de andere een shotgun. ‘Weet je, voor ons begon het allemaal met de bijbel en het geweer. Het is goed mogelijk dat het ook weer eindigt met de bijbel en het geweer.’ Er zijn zoetelijker eindes denkbaar.

Toch is James Baldwin de geschiedenis in gegaan als de Grote Verzoener, de man die Martin Luther King en Malcolm X wilde samenbrengen. De mediator van de Beweging. Dat beeld is niet terecht, zoals Peck laat zien. In I Am Not Your Negro worden de persoonlijke verhoudingen geschetst tussen Baldwin en Martin Luther King, Malcolm X en Medgar Evers, de zwarte burgerrechtenactivist uit Mississippi die in 1963 door een white supremacist wordt vermoord. (En die letterlijk doodbloedt op de stoep van het ziekenhuis van Jackson, Mississippi, omdat zwarten er niet naar binnen mogen. Pas als duidelijk wordt dat Evers een belangrijk man is krijgt hij een bed toegewezen. Te laat.)

Remember this House: wat Baldwin in ieder geval voor ogen moet hebben gestaan, is een boek als een Huis, waarin al deze zwarte, vermoorde activisten een gezamenlijk onderdak vonden, hoe verschillend hun methodes en denkbeelden ook mochten zijn. Misschien kun je beter spreken van een gezamenlijk familiegraf, waarvan Baldwin hoopte dat het ook na zijn dood bezocht bleef worden.

Een van die verschillen: Malcolm X, zeker de jongere Malcolm, had een zekere voorliefde voor de racistische redenering waarbij alle witten (en joden) het moeten ontgelden en al snel de woorden ‘blue eyed devils’ worden gebruikt. Hoe radicaal Baldwin ook was, hij is nooit in die racistisch retorische val getrapt, evenmin als Martin Luther King. Baldwin zegt zelf dat het hem ‘nooit lukte om white people te haten’ vanwege de blanke onderwijzeres Orilla Miller die hem in zijn jeugd onder haar hoede nam en liet kennismaken met boeken, films en de grote wijde wereld. Een ontroerend maar ook een beetje sentimenteel argument: Baldwin had naar heel veel andere blanken kunnen verwijzen, en zeker naar zijn geliefde Lucien Happersberger, de Zwitserse kunstschilder die hij in 1949 ontmoette en die tot het einde van Baldwins leven zijn partner zou blijven.

Baldwins homoseksuele kant, zijn openheid daarover en de roman waarin hij het thema van de seksuele ambiguïteit verkent: Giovanni’s Room. Die werd in 1956 gepubliceerd, lang voor de gay lib-beweging haar opwachting maakte, eind jaren zestig. Als begin-twintiger was ik ondersteboven van het boek, waarin een (blonde) Amerikaanse jongeman-met-vaste-vriendin valt voor de charmes van een Italiaanse bartender, die ook ooit met een vrouw is geweest: dit alles tegen het decor van Parijs, cafés en lange, late nachten. Bij herlezing treft het boek me als behoorlijk larmoyant. En toch ben ik nog steeds onder de indruk van Baldwins moed – ongetwijfeld ook ingegeven door zijn Parijse jaren. Ver van huis heb je minder last van een reputatie. Al waren in Amerika de reacties gemengder. Voor veel critici was de shock te groot: én zwart én homoseksueel – hoe ingewikkeld en onwaarschijnlijk kon het worden. Ook in zwart Amerika gemengde reacties: Albert Murray, de zwarte jazz-intellectueel, constateerde zuinigjes dat Baldwin in zijn nieuwe roman ‘de thema’s aansnijdt van de “zogenaamde” seksuele revolutie’. In de jaren zestig zou Black Panther-activist Eldridge Cleaver Baldwin zonder pardon omschrijven als ‘a faggot to the white man’. Een kontkruiper in goed Nederlands. Sowieso was de latere zwarte, nationalistische beweging vergeven van machismo en homohaat.

Maar ook Robert F. Kennedy, de broer van en de later vermoorde minister van Justitie, die Baldwin als een vriend beschouwde, had de gewoonte om over Baldwin te spreken als ‘Martin Luther Queen’, ter onderscheiding van die andere Martin. Grapje mijnheer, maar dan toch een laatdunkend grapje.

Zeker tegen de achtergrond van de huidige discussie over cultural appropriation, de culturele toe-eigening van blanken die ‘zwart erfgoed’ gebruiken, blijft Giovanni’s Room interessant. Is het een teken van openheid dat Baldwin in deze roman kiest voor een blank hoofdpersonage? Van vrijmoedigheid? Of zou een zwarte Amerikaan met een op z’n minst biseksuele aanleg te confronterend zijn geweest? Was Baldwin hier de universalist, of toch de zwarte man die maar al te goed begreep waar de grenzen lagen van zwart Amerika?

De bewegende Baldwin: dank, filmmaker Raoul Peck, het is een feest om naar te kijken. Ik ken niemand met een expressiever gezicht dan Baldwin: het lijkt gemaakt van gummiputti, iedere emotie dringt meteen door de huid en levert telkens weer een ander boetseerwerk op. De lach van Baldwin, de spatie tussen zijn voortanden. De ogen, die zedig kunnen staan maar ook kunnen vlammen en vuurspuwen. De eeuwige sigaret, eeuwig elegant tussen de vingers. En Baldwins stem, warm als het kan, bijtend als het moet. Hij gaat ook anders praten, begin jaren zestig, na zijn verblijf in Frankrijk: zijn Amerikaanse Engels klinkt bijna Brits. Een Algemeen Beschaafd Lingo (het is me vaker opgevallen) dat vaak door homo’s wordt geadopteerd om hun achtergrond te relativeren en hun born again gay self te presenteren.

Ik kijk naar de beelden en denk niet: wat een aantrekkelijke zwarte, Amerikaanse, homoseksuele, artistiek begaafde, eloquente, fraai gesticulerende man. Ik denk: ecce homo. Die universele kwaliteit roept Baldwin op. Ik kan me eenvoudigweg niet voorstellen dat er mensen zijn die bij eerste aanblik niet meteen betoverd raken.

Die gave van Baldwin is ook z’n makke geworden. Baldwin is zo geschikt als het ideale uithangbord – en dat werd hij ook steeds meer: voor de burgerrechtenbeweging, voor de homobeweging, voor de progressieve politiek, voor het goede in de mens en de moraal in het bijzonder. Van al die uitmuntende doelen werden zijn boeken niet per se beter. Misschien is hij zo iemand geweest die zijn genie verspilde aan het leven.

Opvolgers? Ik noemde al Ta-Nehisi Coates, met zijn brandbrief aan zijn zoon. Ook Teju Cole, de Amerikaans-Nigeriaanse schrijver en essayist, heeft zich ontfermd over Baldwins nalatenschap. In zijn essay Black Body reist hij Baldwin achterna die begin jaren vijftig een bezoek bracht aan het Zwitserse plaatsje Leukerbad, bij familie van zijn Zwitserse geliefde Happersberger. Toen kon Baldwin schrijven: ‘Geen zwarte man heeft hier ooit een stap gezet voor mij.’ Cole krijgt meer dan zestig jaar later meteen te maken met een gekleurde hotelbediende. Baldwin bedacht in zijn tijd bitter dat ‘zelfs deze ongeletterde Zwitsers in een directere lijn staan met Dante, Shakespeare, Michelangelo, Aeschylus (…) terwijl mijn voorvaderen in Afrika waren, wachtend op de veroveraars’. Cole laat zich zoveel jaren later gelden als man van de wereld die én de Yoruba-cultuur uit Nigeria tot zijn erfenis rekent, én Aeschylus, én de Borobudur. Het is een verlossend inzicht dat Cole hier verwoordt: als het hem ernst is, moet hij het idee van ‘cultural appropriation’ groezelig en naargeestig vinden, omdat het onherroepelijk leidt tot culturele apartheid.

Daar komt bij: Cole, de Amerikaanse, Nigeriaanse wereldburger, heeft ook nog een reserve-vaderland achter de hand, buiten Amerika. Dat kon Baldwin niet zeggen. Baldwin vond uiteindelijk een elegante vluchtroute… dat is toch iets anders.

En vlak Barack Obama niet uit. De president die eerst schrijver was, nu weer vooral schrijver zal worden en de bezielde toon van Baldwin loepzuiver weet te treffen. Stel het je voor: Obama als good cop, Baldwin als bad cop; wat een krachtig en welbespraakt duo had dat opgeleverd. Barack Obama is de Robert Kennedy zoals Baldwin hem bedoeld had.

In een boerderij in Saint-Paul-de-Vence, een van de mooiste en meest artistieke dorpen van het Franse zuiden, vestigt Baldwin zich in 1970 definitief. Hij betrekt het huis waar ooit Georges Braque werkte en zal er tot zijn dood een kunstzinnig en internationaal gezelschap ontvangen – van Nina Simone tot Yves Montand. Hij sterft dus in het buitenland, deze man die de Amerikaanse geschiedenis voor zo’n belangrijk deel heeft bepaald. Baldwin heeft zich, na de jaren zestig, zijn Amerikaanse tropenjaren, van een huis voorzien waaruit hij niet verdreven zal worden. Dat is tekenend voor zijn inventiviteit en wereldwijde blik. Het betekent ook een schandvlek voor Amerika: een van zijn meest talentvolle burgers kon op eigen grond geen thuis vinden.


I Am Not Your Negro is vanaf 11 mei te zien