Laat leven

Het geluid van tegen de pui aangezet wordende rijwielen bleef uit. De jonge gastheer, haar en brosse, liep met stevige stappen naar de keuken. Kwam weer binnen met een roodbruin gevulde hand, vroeg of we onszelf even bezig wilden houden en zei dat hij binnen tien minuten terug was. We hoorden hem zijn fiets starten. Inderdaad, acht minuten zelfs.

De enige twee biefstukken die ik heb onthouden. Misschien liggen ze nog op de mat onder de brievenbus. Van het nonchalante jonge paar in de Bosboom Toussaint. Zo losten we dat op in 1960. Achteraf is het bijna poezie en tenslotte hadden we het existentialisme achter de rug.
Mij klonk het als musique concrete in de oren toen ik de slagersvrouw toevoegde dat ik het beste stuk runderstoofvlees wilde hebben dat zij maar kon bedenken. Niet voor een gat te vangen zei ze dat ik dan bij een lap van het Schotse Angus moest zijn. Van de laatste boer die zich nog net niet had verhangen.
Ik stemde toe. Het stuk spier had ook bijna de vorm van de zak van een doedel, maar woog iets minder: 645 gram. Vijfentwintig gulden en tien cent. Thuisgekomen genoot ik nog zeker vijf minuten lang van de tinten die ook Constable in verrukking zouden hebben gebracht en besloot tot even schilderachtige actie. Ik zocht alles bij elkaar waar je maar ziek of anderszins van kon worden. Een halve fles wijn waarvan de wortelstok Franco nog had gezien, drie slokken olijfolie van de boom die over Mussolini kon meepraten, een bol knoflook ons destijds opgedrongen door het land van Chirac terwijl de groentebaas die vandaag de dag laat leven onder de ietwat kleffe toevoeging ‘natte’. Winterpeen en drie qua tint zeer mandrileense uien. Alles op slaperig vuur gezet. Zout en peper van twijfelachtige afkomst. Ik at alles op, met mijn spreekwoordelijk hoofd onder de spreekwoordelijke dekens.
Ik leefde weer. Eens.