Mustafa Stitou schrijft glashelder en toegangelijk © Frank Ruiter

Wie zijn al die vertellers in Waar is het lam?, de lang verwachte nieuwe bundel van Mustafa Stitou? Soms lijken ze op de dichter, dan weer op ‘de wetenschap’, of ‘de geloofsgemeenschap’, maar zeker weet ik het niet. Dat maakt de teksten intrigerend. De mensen en wezens waaróver wordt verteld zijn echter, hoe vloeibaar en raadselachtig ze soms ook zijn, zeer gedetailleerd beschreven. Zo komen in de cyclus ‘Pantheon’ allerlei doodgewone, naamloze goden voorbij – medemensen eigenlijk, in alle soorten en maten – alsof Stitou een tempel van taal opricht waarin hij laat zien hoe dat wat ons omringt bezield is, en hoe het goddelijke menselijk is, of menselijke trekken bevat, en het menselijke goddelijk is. Zoals Stitou dichtte in De schil waarop wij leven in Varkensroze ansichten uit 2003: ‘Het onderliggende/ het zich tonende, het zich tonende/ het zich tonende’. Of, uit diezelfde bundel, in Affirmaties, gericht tot de vader: ‘het is de schittering over dieren mensen dingen/ dus waarom knielend bidden/ wanneer ikzelf het gebed ben?’

Nee, het goddelijke, het sublieme, het ongrijpbare, noem het zoals je wilt, het zit in ons en om ons, en de zeer hedendaagse setting in Pantheon verhevigt die gewaarwording:

Een god is doorzichtig als een dauwdruppel.
Een andere god walgt van zijn verbrande gezicht,
heeft het gevoel dat iedereen hem misprijzend
aanstaart, voelt zich smerig, overtollig, fietst door een tunnel razendsnel naar huis, sluit zichzelf
wekenlang op. Een pasgeboren god slaapt op zijn rug
in het water, een poot om een poot van zijn bebaarde
moeder geklemd zodat hij niet wegdrijft.

Zoals in Stitou’s eerdere bundels, met name Tempel (2013) en het al genoemde Varkensroze ansichten, is de toegankelijke, glasheldere taal bijzonder lyrisch en ingedikt, met prachtige zinnen tot gevolg die onmiddellijk tot de verbeelding spreken: ‘Een andere god luistert aandachtig naar de stem/ van de schim die zij was, alsof ze kijkt naar een glas/ dat op het punt staat van de rand van de tafel te vallen.’ Of neem deze: ‘Als distelpluis verstrooit/ een god het zonlicht en lijkt daardoor zelf licht te geven.’ Al die hevig hedendaagse of toekomstige goden bij elkaar – er is een god die droomt dat ze gestalkt wordt, een god die ‘in een laboratorium/ onder een glazen stolp met isofluraan’ wordt gestopt omdat ‘een volledig nieuwe god opkweken’ ‘niet te doen’ is – tonen wat in de slotregel van het eerste gedicht al wordt genoteerd: ‘de dood is een fictie’.

In nog zo’n onnavolgbare cyclus, ‘Wie dat daar?’, lijkt het, naarmate de gedichten samen betekenis genereren, alsof het wezen dat hier wordt beschreven een mensaap is, de bonobo misschien. Een talig experiment, dat zou deze figuur ook kunnen zijn. Stitou weigert de sleutel te geven, een gedicht is immers geen rebus. Het wezen wordt nauwgezet beschreven (‘Voorbeeldig hanteert ze vork/ en lepel, drinkt water uit een beker/ als een mens terwijl we luisteren/ naar de radio’), en van zoveel voorstelbare context voorzien dat het eigenaardige en wrede verhaal vanzelf geloofwaardig wordt, alsof de dichter zijn vertelling doelbewust optuigt met rekwisieten die het vreemde huiselijk maken. De cyclus wordt er spookachtig, vertederend, ambigu en op bepaalde momenten immoreel van:

Droom dat ik haar hand afhak,
vil en kook, het vlees afkluif
van haar vingers en wakker schrik.
Vredig ligt ze naast me, één en al
snorrende slaap. Vergeef me,
fluister ik bevreesd.

Is dit experiment een monster van Frankenstein? Is dit de pasgeboren god met ‘een poot om een poot van zijn bebaarde/ moeder geklemd’ uit de cyclus ‘Pantheon’? Of is de tekst een metafoor voor de verhouding tussen een al dan niet bestaande god en de mensheid? Het is in elk geval wat het is: een kritisch verhaal over een gedomesticeerd wezen dat begrijpend-niet begrijpend, wetend-niet wetend probeert na te bootsen en zo te leren en te overleven, ten behoeve van de mens, al neemt het instinct het steeds weer over, juist op cruciale momenten waarin bewustzijn zou kunnen intreden, zoals in het slotgedicht waarin ze haar gezicht bekijkt in een regenplas en herkenning lijkt te ontstaan. Líjkt: ‘En gaat in de plas staan en begint/ als een kind wild te stampen, vernietigt/ vrolijk dansend haar evenbeeld.’ Let op dat veelzeggende woordje ‘evenbeeld’, dat zoveel meer vergezichten opent dan ‘spiegelbeeld’.

De niet nader aangeduide verteller in Schrift glipt zo mogelijk nog meer door de vingers, hoewel zijn wartaal uitstekend te volgen is. Een man die vastzit vanwege een geweldsdelict? Het verslag van een gekte? Een verzameling stemmen? Hij zit vast ‘in deze cel’, maar is ook in een trein op weg ‘naar jou’ met een ‘naar gevoel’ in zijn hart, alleen wat boterhammen en een flesje water bij zich, ‘maar wat voor keus laat ik je/ anders dan de politie bellen?’

De omineuze cyclus lijkt op een verzameling korte dagboekaantekeningen. En dan lees je: ‘De foto’s/ heb ik verscheurd/ en in de fik gestoken./ Zoals die dozen in Vught.’ Meteen denk je aan Kamp Vught, en aan de penitentiaire Inrichting aldaar, en wil je het gedicht over dader- en slachtofferschap en vrije wil opnieuw lezen, niet zozeer om de ‘waarheid’ te achterhalen, maar om die vreemde beelden opnieuw te bewonderen en die fascinerende figuur opnieuw de meest vanzelfsprekende ongerijmdheden te horen vertellen.

Wat is zijn identiteit? Is hij moslim? Is het Nederlands hem ‘meer’ vertrouwd? Radeloos is hij

Nog zo’n prangende vraag: waar is het lam? Of, zoals het motto luidt, uit Genesis 22:7: ‘We hebben vuur en hout, zei Isaak, maar waar is het lam voor het offer?’ Wie offert zich op, waar is de verlossing, en wat betekent het offer zónder geloof in het offer als ritueel? Misschien is een futuristisch offerbeest de oplossing, zoals in Offerdier. Een seculier, wetenschappelijk antwoord op de wreedheid die we met het offeren associëren. Hier lees ik over een maakbaar, generisch dier dat speciaal uitgedacht is voor het offeren en dus geen schuilplaats nodig heeft, gewoon in de tuin gehouden kan worden, niet jammert, individualistisch en stabiel is, ‘humaan/ introvert maar niet schuw’: ‘Soms blaat hij/ (een toegift) zijn naam: i-sàààààk’, dicht Stitou:

Wil je hem verwennen?
Knip met een snoeischaar zijn dikke vinger- en teennagels.
Lees hem voor: naar Genesis 22 luistert hij graag
of zing hem in slaap met soera’s en psalmen.

Via een omweg laat dit gedicht onder andere zien wat er op het spel staat bij een waarlijk offer, en hoe dat wegvalt wanneer het geloof wegvalt. Dan blijft de gruwel over.

Ook die gruwel wordt door Stitou precies en geduldig weergegeven. Voor de vernietiging van de ramskop die in vlammen opgaat, trekt de dichter in een titelloos gedicht veel tijd uit. Ik lees hoe de tandjes te voorschijn komen bij het verschroeien en hoe ‘de lucht die opstijgt/ naar de Allerhoogste de adem/ beneemt’. Geen wonder dat veel vertellers in deze gedichten het geloof dat ooit zo vanzelfsprekend was als een buitenstaander benaderen – er zijn gewoon te veel vragen ontstaan. ‘Er waren kamers waarin je geen raad wist met jezelf’, dicht Stitou, vanwege de vreemde rituelen, ‘de stellig geformuleerde ongerijmdheden’.

Toch laten religie en de blik van de moeder en de vader (ook al is die laatste inmiddels afwezig) de ‘ik’ niet los, al lijkt er sprake van een bevrijding. In Mo, een gedicht waarin schuld, schaamte en de drang naar geestelijke en individuele vrijheid om voorrang dringen, voelt de verteller zich in een klas van ‘een stuk of wat veertienjarige vmbo-scholieren/ op een zwarte school, zoals dat heet’ nog voor een rechtbank staan. Wat is zijn identiteit? Is hij moslim? Is het Nederlands hem ‘meer’ vertrouwd? Radeloos is hij. Maar in een schitterend, nachtmerrieachtig gedicht waarin een plaaggeest opdoemt – ‘een terugkerende straf/ die je uit moest zitten’ – explodeert dat schrikbeeld uiteindelijk, en daarmee het schuldgevoel. De ‘ik’ ervaart daarna een lichte spijt:

pekelzondaar, bangerik, waarom hiermee
zo lang gewacht? Waarom dit schrikbeeld
al die jaren in leven gehouden?

We zijn zelf verantwoordelijk, zoveel wordt duidelijk uit een veelzeggend gedicht waarin de vader, op een bestoft bidkleed gezeten, ‘een groot oog midden in zijn gezicht’, vol misprijzen en afkeuring zijn zoon gadeslaat (zoals in eerdere bundels): ‘Wat doe je hier,/ stamel je, je kunt hier niet zijn.’ Het is de vader zelf die met krakende stem de oplossing aanreikt: ‘Laat me dan gaan.’

Ik merk dat ik gedicht na gedicht uit Waar is het lam? zou willen citeren – hier, lees dít, en lees dát. Ergens in een lezing voor The New Salon zegt dichter en schrijver Ocean Vuong: ‘The poem is the ultimate language lab.’ Poëzie is ‘an art of disorientation, in a very pleasant way’. Op een vraag uit het publiek naar zijn schrijfproces vertelt Vuong dat hij veel en veel meer tijd besteedt aan denken dan aan schrijven. Schrijven is het net uitgooien, geduld uitoefenen, geen productieproces. Woorden die perfect passen bij het rijke oeuvre en de zorgvuldige werkwijze van Stitou.

‘Lieg ik?/ Nee ik overdrijf. Lieg ik? Ja, de waarheid/ misschien. Daarin vind ik vreugde.’ Ik ben geneigd deze regels van Stitou als programmatisch te lezen, evenals: ‘Kunst is demonteren en transformeren’, in een ander gedicht. Waar is het lam? is een bundel van de buitencategorie.

Ze kneedt het deeg met haar vuisten.
Op haar knieën kneedt ze het deeg
voorovergebogen en met rechte armen
die gelijkmatig op en neer bewegen
kneedt ze het deeg in een grote
teil op de vloer van de keuken.
Uitgejankt sla je haar gade, hoog
vanaf een keukenstoel, de troon
waarop ze je heeft vastgebonden
met de ceintuur van haar badjas zodat je
stil blijft zitten en zij voor acht monden
het brood klaarmaken kan.
Hypnotiserend haar malende armen,
hypnotiserend het zuigende geluid
van haar knedende vuisten. Behalve jullie
is niemand thuis. Glimlachend kijkt ze op.
Nee ze is niet boos meer. Helemaal
voor jezelf heb je haar. Vast zit je en je lacht.