SCHEIDSLIJNEN IN DE POLITIEK

Laat me gewoon links zijn

Socialisten zijn conservatief en nationalistisch, vakbonden zijn de vijand van werknemers, links is rechts. Hoe kan het dat zulke onvervalste Newspeak het politieke debat beheerst? Vierde en laatste deel van de discussie over bang Nederland.

Tot 22 november 2006 was ik jong, links, progressief en internationalist. Dacht ik. Na die bewuste verkiezingsdag bleek ik een boer die al die jaren een ‘repressief provinciaal gedachtegoed’ had aangehangen, zoals dichter Ilja Leonard Pfeijffer het samenvatte in NRC Handelsblad. Met mijn stemkeuze mocht ik tot de ‘winnaars’ behoren, zo voelde het allerminst. Zonder het te weten – jeugdige naïviteit? – had ik volgens bijvoorbeeld Het Financieele Dagblad een rood-bruin eenheidsfront aan de macht geholpen. ‘Ieder op hun eigen manier strijden zij tegen de open samenleving die wordt afgedwongen door de Europese eenwording en de krachten van globalisering. De SP koestert de oude beschermwallen van de verzorgingsstaat, de ChristenUnie de eigen religieuze identiteit en Wilders wil de Nederlandse cultuur verdedigen door niet-westerse buitenlanders categorisch te weren.’
Het was het voorlopige hoogtepunt van een periode waarin politieke discussies steeds meer langs me heen gaan. Aan interesse of engagement schort het niet. Ik herken mezelf simpelweg niet in de tegenstellingen zoals die worden geschetst. Het debat zou gaan tussen Nederlanders en moslims, oude insiders op de arbeidsmarkt versus jonge outsiders of cultuurrelativisten tegen neoconservatieven. En ik? Ik ben geen neocon, maar evenmin een cultuurrelativist. Dus sta ik buiten de discussie. Inbreken in het debat is moeilijk voor wie geheel buiten de parameters valt.
Als politiek ontheemde is de verleiding groot om, teneinde politiek verstaanbaar te blijven, dan maar aansluiting te zoeken bij een van de twee polen. Dus hoor ik mezelf steeds vaker de ‘ouderwetse’ vakbonden verdedigen tegen de jonge, liberale critici – al ben ook ik van mening dat FNV en CNV nog steeds te veel uitgaan van kostwinners in blauwe overalls met vaste banen. En als de SP op één hoop wordt gegooid met Wilders en Verdonk spring ik in de bres voor Jan Marijnissen. Toch vind ik zijn nationalisme klinkklare onzin, zoals zijn recente kritiek op het sprinkhaankapitalisme dat geen ‘thuis’ heeft en uitgerekend daarom ‘destructief van aard’ zou zijn. Nee, onze eigen familie Van der Valk of de tuinders in het Westland, die betalen netjes hun belasting en hun (illegale) werknemers!

Hoe die onmacht te verklaren? Ik denk aan het volgende. Volgens de vaak gebruikte theorie van het issue ownership draait partijpolitiek om het claimen van onderwerpen. Een partij ontwikkelt een sterke reputatie op een issue en bezet het zo als het ware. Op die manier is GroenLinks van oudsher de partij van het milieu, wordt het CDA geïdentificeerd met het gezin en normen en waarden, de PVDA met sociale rechtvaardigheid en gaat de VVD over criminaliteit, files en immigratie – al levert zij daarover sinds Fortuyn een stevige concurrentieslag met rechtse concurrenten.
Een issue bezitten is overigens nog geen garantie voor politiek succes. Het moet in de aanloop naar de verkiezingen ook daadwerkelijk gaan over jouw onderwerp. Partijen doen er alles aan die agenda te bepalen. Wanneer rond de stembusgang de discussie over milieuproblemen oplaait, profiteert GroenLinks, zo is de gedachte. Zelfs als het de VVD is die het onderwerp aanzwengelt.
Dat model schiet te kort. De afgelopen jaren is gebleken dat het er niet alleen om gaat dát er gepraat wordt over een politiek probleem. Minstens zo belangrijk is hóe erover gesproken wordt. De probleem-definitie dus. Neem opnieuw het milieu, de laatste jaren weer een hip onderwerp. Toch weet milieupartij GroenLinks daarvan niet te profiteren. Blijkbaar sluit het ‘frame’ van GroenLinks, de bril waardoor zij het milieuvraagstuk beschouwt, niet aan bij de huidige groene golf. Het gaat minder dan vroeger over vervuilende industrie en ‘anders leven’. In plaats daarvan wordt gesproken over duurzaam ondernemen of het belang van een andere energiepolitiek voor de war on terror. Zo’n omslag vindt zelden spontaan plaats. Spindoctors kunnen een onderwerp naar hun hand zetten door het te ‘framen’. Op die manier is het klimaatvraagstuk van een uitsluitend links stokpaardje veranderd in een door rechtse politici veel gebruikt argument voor energieonafhankelijkheid, als onderdeel van de nationale veiligheid.
Ook bij framing wordt nog uitgegaan van op zichzelf staande inhoudelijke kwesties, zoals milieu of veiligheid, waarmee partijen de kiezer voor zich proberen te winnen. Maar de door Bolkestein en Fortuyn geïntroduceerde ‘nieuwe politiek’ werkt anders. Om verkiezingswinst te behalen, is de tegenstander minstens zo belangrijk als de eigen inhoud. Voor het succes van Wilders’ PVV is de fundamentalistische islam even cruciaal als de eigen ideeën over integratie en immigratie. Net zoals in het conflict in het Midden-Oosten de Israëlische haviken het electoraal niet zonder de heethoofdige Palestijnse zelfmoordenaars kunnen stellen, is de PVV afhankelijk van extreme moslims. De partij stelt hen dan ook graag zo invloedrijk als mogelijk voor.
Ook in de politiek geldt: it takes two to tango. Partijpolitiek 2.0 draait niet om het claimen van losse onderwerpen, zoals de issue ownership-theorie stelt. Het gaat om de tegenstellingen, om het creëren en het bezetten van de assen waarlangs het politieke debat gevoerd wordt. Het maakt deel uit van wat GroenLinks-denkers Bart Snels en Noortje Thijssen in de inleiding van hun bundel De grote kloof het tijdperk van ‘verhitte’ of ‘constitutionele politiek’ noemen. Daarin gaat het niet langer alleen om het maken, uitvoeren en handhaven van wetten, maar staan de spelregels zelf ter discussie. Bijvoorbeeld de scheidslijnen in de politiek, schrijven Snels en Thijssen.
Daartoe behoort ook het kiezen van ieders favoriete vijand. Desnoods wordt die uit het niets geschapen, of tenminste aangedikt. Zo zetten voorstanders van versoepeling van het ontslagrecht zich af tegen ‘oude insiders’ en hun vakbonden, heet het verdedigen van de verzorgingsstaat volgens liberale critici ‘conservatief’ en zijn tegenstanders van de Europese grondwet automatisch ‘nationalistisch’ of ‘provinciaal’. Het is meer dan een leuk pesterijtje. Tegen een opponent die in alles het spiegelbeeld is van de eigen politieke positie is het nu eenmaal gemakkelijk fulmineren. Niet voor niets gaan Nederlandse neocons als Afshin Ellian en Paul Cliteur in hun geschriften het liefst tekeer tegen softe cultuurrelativisten, al zijn die in het huidige Nederland op twee handen te tellen.

Dat gaat verder dan het ‘etiketten plakken’ waarover SP-denker Ronald van Raak in een eerdere bijdrage sprak (De Groene Amsterdammer, 14 november). Doel is niet enkel het diskwalificeren van de tegenstander. De wijze waarop die tegenstander wordt gedefinieerd, is een onmisbaar onderdeel van het eigen politieke verhaal.
Daarmee ligt de kritiek op Het bange Nederland, het betoog waarmee wetenschappers Jan Willem Duyvendak, Ewald Engelen en Ido de Haan zich keren tegen het oprukkende ‘klamme nationalisme’ in politiek, cultuur en economie, voor de hand. Het gaat om een in zijn opzet even sympathiek als welkom pleidooi voor een open Nederland. Het spreekt ook aan: ja, weg met die spruitjeslucht, met dat eeuwige gezeik over buitenlanders! Helaas is de analyse niet altijd even consequent. Zo hekelen de auteurs de ‘giftige toon’ van het politieke debat waarin kosmopolitische deelnemers als ‘onvaderlandslievend’ worden afgeserveerd. Nog geen zes pagina’s verder zetten zij de kritiek op de neoliberale globalisering opzij als ‘angstneurose’. Vervolgens wordt de beeldtaal in het huidige debat vergeleken met die van het nationaal-socialisme.
Het feitelijke bewijs voor de door de schrijvers waargenomen vervlechting van intolerantie, nationalisme en neoliberalismekritiek is dun. Het is bijna alsof de auteurs wíllen dat mensen die zich niet prettig voelen bij de afbraak van de verzorgingsstaat ook maar meteen racistisch worden. Over favoriete vijanden gesproken. Dat maakt het in elk geval gemakkelijker die economische kritiek af te serveren.
Wellicht hebben de auteurs – allen GroenLinks angehaucht – zich iets te veel laten meeslepen in hun op zichzelf terechte angst voor nationalistische kort-door-de-bocht-analyses van het kapitalisme. Maar er is nog een niet eerder benoemd probleem. Het bange Nederland staat in zijn analyse niet op zichzelf. Benauwd in het midden heet de laatste, speciale editie van Christen Democratische Verkenningen. Het meest recente nummer van PVDA-orgaan Socialisme & Democratie spreekt meer algemeen over ‘het onbehagen bij de burger’. En een keur aan denkers uit GroenLinkse hoek heeft bijdragen geleverd aan de reeds genoemde bundel De grote kloof: Verhitte politiek in tijden van verwarring. Bang, benauwd, onbehagen en in verwarring: het zijn dé trefwoorden waarmee de actuele politieke situatie wordt aangeduid. En alleen al omdat alle politieke partijen hierover spreken, wordt die verwarring bevestigd.
Volgens de auteurs van Het bange Nederland is het daarbij de elite die de bevolking bang maakt. Alleen zo kan zij haar door ontzuiling en de teloorgang van het old boys network bedreigde positie behouden. Duyvendak en de zijnen zien over het hoofd dat de door hen geprezen dappere kosmopolieten net zo goed angstige nationalisten nodig hebben. Het hele politieke landschap wordt in die tegenstelling gepropt. Daardoor blijft er ook bij hen één dominante as over waarlangs het debat moet verlopen: de bange, provinciale meerderheid versus een wereldse minderheid met lef.
Opnieuw: een gevoel van politieke ontheemding. Want ook deze tegenstelling is problematisch. Allereerst in wetenschappelijke zin. Angst is een uiterst subjectief begrip, geen objectieve categorie. We beschouwen angst als iets negatiefs. Niemand wil de bangerik zijn. Als neutraal analysekader is angst daarom onbruikbaar. Door die subjectieve lading wordt bovendien al te gemakkelijk over het hoofd gezien dat angst, net als onzekerheid, sociaal gespreid is. Inwoners van volkswijken hebben objectief meer reden om bang te zijn. Ze lopen meer risico om het slachtoffer te worden van criminaliteit of om hun baan te verliezen.
Maar ook in ideologisch opzicht zijn er grote bezwaren. Het kenmerk van een goede analyse is dat deze de oplossing al in zich draagt. Maar wat is de oplossing van de diagnose van Nederland als angstig? Gewoon niet meer bang zijn? Een andere elite die ophoudt angst aan te wakkeren, zoals de auteurs betogen? Daarmee worden de onderliggende oorzaken van de angst niet opgelost, zelfs niet serieus genomen. Als dat het antwoord is van progressief Nederland op het oprukkende neonationalisme, kan rechts bij de volgende verkiezingen haar lol op.

Behalve angst en verwarring delen de genoemde politieke beschouwingen nog iets. Ongeacht hun ideologische overtuiging maken de verschillende schrijvers een scherp onderscheid tussen economische en culturele kwesties, beide met een eigen links-rechtsverdeling. Zo signaleren Dick Houtman, Peter Achterberg en – opnieuw – Jan Willem Duyvendak in De grote kloof een nieuwe culturele polarisatie tussen vooral GroenLinks en LPF of PVV. Daarbij stemmen de hoogopgeleiden links en de minder geschoolden rechts, ook al hebben ze soms een hoger inkomen.
Die nieuwe scheidslijn splijt ook het linkse kamp: ‘Doordat de hogere middengroepen autoritarisme afwijzen, stemmen zij op GroenLinks, terwijl de maatschappelijke onderlaag juist op autoritaire gronden SP stemt. Haar economisch zeer linkse, maar cultureel beduidend minder linkse profiel stelt de SP in staat om zowel links als rechts kiezers weg te kapen.’ Die tegenstelling tussen een hoogopgeleid, progressief cultureel links (vertegenwoordigd door GroenLinks) en een lager opgeleid, conservatief economisch links (SP), waarbij de PVDA verscheurd wordt tussen de twee kampen, loopt als een rode draad door het publieke debat. Zeker sinds het referendum over de Europese grondwet is ze populair. Opmerkelijk genoeg vooral onder denkers met een voorkeur voor GroenLinks, en in mindere mate voor PVDA of D66. Dat gaat verder dan het droogjes constateren van een kloof tussen hoog- en laagopgeleiden. Er sluipt maar al te snel iets van triomf in. Zoals de progressieve professor die vlak voor het referendum, nadat een conciërge op de universiteit in de lift had uitgelegd dat hij tegen ging stemmen, zich in diens bijzijn tot mij wendde en uitriep: ‘Dat bedoel ik, ze begrijpen het niet!’ Wat in het verleden nog als gênant probleem werd gezien van linkse partijen – de onmacht van progressieve hoogopgeleiden om aansluiting te vinden bij ‘de arbeidersklasse’ – is nu gebombardeerd tot politiek uitgangspunt.
Juist voor GroenLinks zal dit fataal uitpakken. Zij is onder de politieke partijen de vertegenwoordiger van postmateriële waarden als milieu, zelfontplooiing en emancipatie. De aandacht daarvoor stamt uit de jaren zestig en zeventig, op het moment dat de verzorgingsstaat haar voltooiing naderde. Het postmaterialistische streven naar autonomie en bevrijding was gevestigd op het stevige fundament van die verzorgingsstaat. Er heerste een grote mate van zekerheid over werk, inkomen en de toekomst. Vanuit zo’n situatie kan iedereen veilig experimenteren met nieuwe vormen en gedachten.
Na drie decennia neoliberalisme is dat fundament echter verbrokkeld, terwijl GroenLinks nog steeds op dezelfde postmateriële waarden tamboereert. Maar zonder fundamentele zekerheden, in een toestand van wat de Fransen precarité noemen, is het experiment ineens niet meer zo aantrekkelijk. Daarmee verwordt GroenLinks tot een partij voor een kleine, bevoorrechte klasse van creatievelingen, hoogopgeleide, jonge mensen voor wie onzekerheid geen bedreiging is maar een uitdaging. Het is dan maar al te verleidelijk om degenen die dat anders zien weg te zetten als ‘bang’ of ‘conservatief’. De SP heeft het op het eerste gezicht beter bekeken. Zij legt de nadruk op het herstel van de materiële basis, op het bieden van zekerheid aan mensen. Helaas wekt de partij vaak de indruk het daar bij te willen laten. Over een verdergaande Bevrijding, in de zin van het streven naar zelfverwerkelijking en radicale democratisering, wordt zelden gesproken.

Die linkse arbeidsdeling tussen het economische en het culturele domein is triest. Zeker omdat uitgerekend GroenLinks-leider Femke Halsema in haar onlangs gepubliceerde boek Geluk! laat zien hoe culturele problemen als ‘hyperconsumptie, haast en hufterigheid’ verweven zijn met de economie. In de praktijk blijkt dan ook niet zo eenvoudig een onderscheid te maken tussen culturele en economische kwesties. Weinigen zullen van mening zijn dat het werkloosheidspercentage niets te maken heeft met integratie van minderheden. En wat is bijvoorbeeld het linkse Europa-standpunt? Of het rechtse? Wil degene die dé linkse visie op integratie kent onmiddellijk opstaan? Die vraagstukken zijn op dit moment nog onderdeel van een politieke strijd. Ieder stellig antwoord hierop moet daarom gewantrouwd worden als onderdeel van het politieke steekspel. Sterker nog, het kunstmatig scheiden van culturele en economische kwesties is daarvan op zichzelf al een voorbeeld.
Het is dan ook hoog tijd dat de wisselwerking tussen het economische en het culturele weer erkend wordt. Niet als een hiërarchische relatie waarbij de economische onderbouw de culturele bovenbouw bepaalt, zoals in versimpelde versies van het marxisme. Maar evenmin door deze volledig van elkaar los te koppelen, zoals tegenwoordig gebeurt.
Zo kan links ontsnappen aan de spagaat tussen progressief en conservatief waarin ze zich op dit moment zelf praat. En wellicht gaat het in de politiek dan weer meer over tegenstellingen waarbij ik mij wél thuis voel. Linkse politiek gaat erom mensen de mogelijkheid te bieden te ontsnappen aan door de maatschappij opgedrongen hokjes, of het nu om klasse, seksualiteit of etnische stereotypen gaat. Houd daar dan ook alsjeblieft mee op. Ik ben niet conservatief of nationalistisch. Ik ben geen cultuurrelativist. Ik ben niet cultureel links of economisch links. Ik ben gewoon even links als vóór 23 november 2006.