De langdurige zorg op papier en in het echt

‘Laat me niet achter’

In 2013 hervormde het kabinet-Rutte II de zorg voor ouderen, gehandicapten en chronisch zieken. Die zou simpeler en persoonlijker worden, maar leidt vooral tot hoofdpijn. ‘Wat eerst wel kon, kan nu niet meer.’

Medium lon19686
In de zorgwereld worden verpleeghuizen ‘sterfhuizen’ genoemd, bijna alle ouderen die er komen, overlijden binnen een jaar © Martin Parr / Magnum

Staatssecretaris Martin van Rijn van Volksgezondheid beleefde halverwege april 2013 zijn finest hour. De pvda’er ontvouwde zijn baanbrekende plannen voor de langdurige zorg, een miljardenverslindend dossier waar talloze bewindspersonen en ambtenaren zich het hoofd over braken. Van Rijn, een voormalig topambtenaar op het departement van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (vws), kwam nu wél met ‘de hervorming’ voor de zorg voor ouderen, gehandicapten en chronisch zieken.

Voorop stond kwaliteitsverbetering, zei hij in een van de vele Kamerdebatten over zijn plan, waarbij hij veelvuldig sprak over de ‘menselijke maat’. Die diende ‘terug te komen’. Dus moesten we ‘meer naar de mens kijken en minder naar de kwaal’. Daarnaast draaide het natuurlijk ook om geld. In 2013 werd volgens de staatssecretaris zo’n 27 miljard euro uitgegeven aan achthonderdduizend mensen in de langdurige zorg via de Algemene wet bijzondere ziektekosten (awbz) – en die uitgaven stegen jaarlijks met 4,5 procent. Die toename moest worden gestopt.

Maar er was meer dan kwaliteit en geld alleen. Het tweede kabinet van vvd’er Mark Rutte had de toverformule ‘participatiesamenleving’ uitgevonden en daarmee konden tal van bezuinigingen onder de noemer ‘maatwerk’ vakkundig met de mantel der liefde worden bedekt. pvda’er Van Rijn vertaalde het op zijn werkterrein als volgt: ‘Hebben wij de solidariteit in de zorg niet te vaak verengd tot het alleen maar betalen van premie? Een betrokken samenleving is ook een inclusieve samenleving waarin wij oog hebben voor de mensen die achterblijven en minder verdienen.’ Met ‘inclusief’ wordt hier ‘actief burgerschap’ bedoeld, ‘we’ moeten allemaal beter letten op onze familieleden, buren en vrienden. ‘Het gaat er niet om dat je de buurman zijn billen wast’, benadrukte hij. En heus, ‘we moeten niet terug naar de tijd dat participatie afhankelijk was van liefdadigheid’, schreef hij in zijn hervormingsbrief in 2013.

Arnhem. Ruim vier jaar later. Naast de voormalige Onze-Lieve-Vrouwe Kerk in het oude arbeidersbuurtje Sint Marten is het inloopochtend, dat wil zeggen: gratis koffie, thee en een praatje voor iedereen uit de wijk die daar behoefte aan heeft. Het is een komen en gaan van buurtbewoners, vaak met problemen. Ze hebben schulden, zijn kwetsbaar of oud of oud én kwetsbaar. Ze worstelen met psychische klachten of ze zijn ‘gewoon’ eenzaam. Het buurtpastoraat van de parochie Sint Eusebius vangt ze op dankzij geld van de kerk en andere fondsen – veelal liefdadigheid dus.

Op deze donderdagochtend zijn er zo’n twintig bezoekers. Geesje bijvoorbeeld zit rustig achter haar koffie aan de ronde stamtafel. Soms is ze wat verward en doolt ze door de straten. Ze is oud en flink dementerend. Het buurtpastoraat en een wijkcoach houden haar in de gaten. Henk zit naast haar, een vriendelijke zestiger. Hij onderging een heupoperatie en werd na drie dagen ontslagen uit het ziekenhuis. Daar zat hij dan, alleen thuis, met een beetje extra huishoudelijke hulp. ‘Je kunt na zo’n operatie helemaal niets zelf.’ Al snel bleek de operatie mislukt en moest hij opnieuw onder het mes. ‘Na drie dagen wilden ze me weer het ziekenhuis uit hebben. Maar ik bleef mooi in dat bed, net zo lang tot ik wél naar een revalidatiecentrum mocht.’

Aan tafel wordt veel gesproken over zorg. ‘Vanmiddag krijg ik een longscan’, vertelt een man aan pastoraal medewerker Ellie Smeekens. ‘Ik denk wel dat het goed komt.’ Boven in de kledinghoek ‘koopt’ een Marokkaanse man een broek voor twintig cent. Er is veel keuze aan kleding, allemaal weggevertjes van buurtbewoners.

Jacqueline is gastvrouw bij de inloopochtend, ze helpt twee keer per week een van de bezoekers thuis. De man, die al een verstandelijke beperking had, kreeg vlak voor Kerst een hersenbloeding en belandde in het ziekenhuis. ‘Wie doet dan de was voor hem?’ Jacqueline besloot de taak op zich te nemen omdat de man geen contact meer heeft met zijn familie. Dat bleef ze doen toen hij naar een revalidatiecentrum ging. Ze ging ook mee naar controles in het ziekenhuis, zijn vaste begeleider van de thuiszorg mocht dat niet. In februari kwam hij thuis – en zat weer alleen. Hij krijgt wel weer hulp, maar het is onvoldoende. ‘Hij vindt het heel moeilijk om alleen te zijn, veel dagelijkse dingen als boodschappen doen kan hij ook niet alleen.’ Dus helpt ze.

De buurt Sint Marten ligt naast Klarendal, een achterstandswijk waar een kwart van de bevolking een laag inkomen heeft. Veel bezoekers van de inloopochtend komen hier vandaan. ‘Er is armoede en eenzaamheid en er zijn veel mensen met psychische problemen’, vertelt Smeekens.

Ze fungeert geregeld als ‘smeerolie’ tussen de buurt en de wijkcoaches. Smeekens bemiddelt en wijst de weg als ze vermoedt dat Arnhemmers recht hebben op bepaalde hulp, maar de weg niet weten, het moeilijk vinden steun te vragen of door ervaringen in het verleden geen vertrouwen hebben in de hulpverlening. Vaak gaat het over potjes geld: moet hulp van de gemeente komen of van de verzekeraar? ‘Het zou niet nodig hoeven zijn dat ik de rol van smeerolie vervul.’ Maar om hulp te vinden moeten mensen digitaal vaardig zijn en soms een berg formulieren invullen. ‘Mensen worden overschat’, zegt Smeekens. ‘Je moet mondig zijn om hulp te krijgen. Soms hoor ik in de wijk: ik ga het niet eens proberen. Er wordt veel van mensen gevraagd en vaak weten ze niet wat hun rechten zijn. Ze krijgen het gevoel er niet meer bij te horen, dat doet wat met hun zelfbeeld.’

Langdurige zorg zou juist véél simpeler worden en véél persoonlijker, overtuigde Van Rijn bij de presentatie van zijn hervormingen in 2013. De awbz, het in 1968 ingevoerde vangnet voor langdurige zorg, is inmiddels ontmanteld en in 2015 ondergebracht onder vier (soms nieuwe) wetten. De meest intensieve ‘24-uurszorg’ (meestal opname in een instelling) valt nu onder de Wet langdurige zorg (wlz) waar de rijksoverheid nog verantwoordelijkheid voor draagt. De zorgverzekeraars regelen via de Zorgverzekeringswet de verpleging thuis. Via de Wet maatschappelijke ondersteuning (wmo) bieden gemeenten ondersteuning thuis: dat kan variëren van hulp in het huishouden tot dagbesteding voor een oudere. Via de Jeugdwet zijn de gemeenten ook verantwoordelijk voor de jeugdzorg.

‘Je moet mondig zijn om hulp te krijgen. Soms hoor ik: ik ga het niet eens proberen’

Op papier ziet het er redelijk overzichtelijk uit. Kort gezegd: de gemeente regelt de ‘(persoonlijke) lichtere hulp’, de zorgverzekeraar komt kijken bij de ‘zwaardere hulp’ en de rijksoverheid zorgt voor degene die dag en nacht verpleegd moet worden. Maar in het echte weerbarstige leven worstelen hulpverleners, vrijwilligers en patiënten zichzelf vaak een weg door de formulieren en afkortingen. Iedereen werkt op zijn eigen eilandje en overzicht ontbreekt. Bovendien verschilt het per gemeente welke ondersteuning iemand krijgt. Voor verpleging is de patiënt afhankelijk van de verzekeraar die het zorgkantoor in zijn regio bestiert. Want ook dat is ‘maatwerk’. Zo heeft de ene regio wel ‘herstelbedden’ in het ziekenhuis waar kwetsbare ouderen bij kunnen komen en de andere regio niet. Daarmee is de zorg een loterij geworden.

‘Het is erg afhankelijk van de gemeente waarin je woont of je je leven op de rit kunt krijgen’, zegt Antoinette Meys van patiëntenorganisatie Zorgbelang Gelderland/Utrecht. ‘Mensen moeten echt door een dik oerwoud van instanties en formulieren om hulp te vinden.’ De organisatie, die bemiddelt tussen ‘cliënten’ en 24 gemeenten, krijgt vooral klachten over gebrek aan informatie of onbereikbare zorg.

Neem de familie Smit die hulp zoekt voor haar autistische zoon Jan via de Wet langdurige zorg. Het verzoek wordt telefonisch, en zonder fysieke ontmoeting, afgewezen door het Centrum Indicatiestelling Zorg (ciz) – dat vindt het meer een zaak van de verzekeraar. De ouders van Jan maken bezwaar en krijgen uiteindelijk toch een huisbezoek, een medewerker van Zorgbelang gaat mee. ‘De sfeer is gespannen’, schrijft de patiëntenorganisatie in haar jaarverslag. ‘De familie voelt zich niet erkend door de afwijzing en kan de woede niet onderdrukken.’ Dankzij de bemiddeling komt er een oplossing: Jan krijgt een indicatie. ‘Voor zorg moet je mondig zijn. Als je hoogopgeleid bent dan kom je er wel’, zegt Meys. ‘Mensen die niet assertief zijn modderen maar wat door in hun eentje. Dan is het op papier en in de statistieken opgelost ja, maar in de werkelijkheid niet.’

Diederik Samsom, toen nog fractieleider van de pvda, blikte vorig jaar september tijdens de jaarlijkse politieke hoogmis, de Algemene Beschouwingen, tevreden terug. ‘Wie nu goed kijkt, ziet dat zich een kleine revolutie in de zorg voltrekt. De afvinklijsten, de protocollen in de zorg verdwijnen’, bewierookte hij pvda’er Van Rijn. ‘Er wordt niet langer naar nummers gekeken, maar naar mensen.’

Maar wie op onderzoek uit gaat, merkt dat de protocollen en afvinklijsten juist zijn toegenomen na Samsoms ‘kleine revolutie’. Ben Rikhof woonde vijf kwartier rijden van zijn moeder vandaan. ‘Ze was negentig, blind en incontinent.’ Haar gezondheid ging hard achteruit. ‘Veel sneller dan ik in eerste instantie zag. Mijn moeder was een trotse vrouw, verschool zich lang achter een façade.’ De verzorging werd de laatste jaren – mede door de bezuinigingen – fragmentarischer; thuishulp (wmo) en wijkverpleging (Zorgverzekeringswet) die in wisselende diensten op telkens weer andere tijdstippen langskwamen. ‘Mijn blinde moeder raakte ervan in de war en deed de deur geregeld niet meer open.’

Toen kwam de dag dat Rikhof zijn moeder uitgedroogd en ondervoed aantrof. Hij kreeg haar nergens geplaatst, ook niet tijdelijk. ‘Niemand wil een vrouw van negentig crisisopvang bieden, want dan komen ze er niet meer vanaf.’ Hij kon geen kant op. Het wrange: hij is zélf directeur vit-hulp, een steunpunt voor mantelzorgers in Oost-Gelderland. ‘Ik weet hoe het werkt en toch werd ik vermalen. Er is een grijs gebied tussen de wmo en de wlz en ik kreeg er geen grip op. Het lukte me niet snel adequate hulp geregeld te krijgen, vooral de begeleiding tijdens het eten was een groot probleem.’

Hij zocht dagopvang en meer huishoudelijke hulp (via de wmo, dus de gemeente) voor zijn moeder, zodat ze in elk geval niet overdag alleen door het huis doolde. ‘Ik voerde er drie keukentafelgesprekken over. Maar ze werd te zwaar bevonden.’ Een indicatie voor opname in een verpleeghuis (wlz) kreeg hij niet omdat zijn moeder dat zelf niet wilde. Zelfs de aanvraag voor een seniorenalarm thuis leverde gedoe op. ‘Je krijgt dat alleen als je een mantelzorger kunt opgeven die in de buurt woont.’

Medium hh 67801178
16 juni. Epe woonzorgcentrum © Marcel van den Bergh / HH

Rikhof probeerde de boel van een afstand te regelen. Dan belde ze ’s avonds om elf uur. ‘Kom alsjeblieft meteen, ik heb honger.’ Dan reed hij, een rit van vijf kwartier, naar haar toe om vervolgens voor een dichte deur te staan. ‘Ze had de deur van binnenuit op de knip gedaan en zich achter de bank verstopt, doodsbang voor die vreemde man die voor haar deur stond.’ Als hij bij haar was knaagde de ergernis, als hij thuis was overheerste het schuldgevoel. Het lukte niet iemand te vinden die tussen de middag even haar eten in de magnetron zette. ‘Ik vroeg het de wijkverpleegkundige die elke dag kwam voor het geven van medicijnen, maar ze weigerde.’ Dat hoorde niet in haar takenpakket en moest komen vanuit de wmo. ‘Mijn klomp brak.’

Zijn moeder leefde een jaar in deze ‘acute toestand’, tot ze oververmoeid instemde met opname in een verpleeghuis. ‘Toen was er geen plek, in heel Twente niet. Mijn moeder verslechterde, ik was uitgeput – je kunt het elastiek niet blijven oprekken.’ Na maanden zoeken vond hij een bed buiten de regio. ‘Ik heb haar spullen gepakt, haar in de auto gezet en weggebracht. Ze stond huilend bij het hek: neem me mee, laat me niet achter.’ Kort daarna overleed mevrouw Rikhof na een val. ‘Ik heb mijn moeder zo ontzettend zien tobben, ik kan het niet navertellen zo pijnlijk is het. Ze praten in Den Haag over de dementievriendelijke samenleving, maar mijn moeder verkeerde in desolate toestand in een pamper, mijn trotse moeder.’

‘De overheid rekent zich rijk met de gedachte dat iedereen thuis wil en kan sterven’

Dankzij de vele publicaties van columnist Hugo Borst over zijn moeder in het verpleeghuis kwam het manifest Waardig ouder worden. Ook het kabinet omarmde dit vlak voor de verkiezingen van 15 maart en Van Rijn beloofde honderd miljoen euro ‘extra’ in verpleeghuizen te investeren. Begin juni kwam er een belofte van nog eens twee miljard euro bij.

Iedereen juicht dat toe, maar hulpverleners wijzen ook op de (soms grote) problemen bij langer thuis wonen – de grootste groep die niemand ziet. Volgens een studie van het Sociaal en Cultureel Planbureau uit 2011 stijgt het aantal kwetsbare ouderen van bijna zevenhonderdduizend in 2010 naar ruim een miljoen in 2030. Ruim negentig procent van hen woont thuis, stelden cliëntenorganisaties, zorgondernemers en de gemeente Amsterdam in een brandbrief aan de formateurs. Van deze thuiswoners is veertig procent alleen.

Langer thuis is het motto en de oplossing van het Haagse ouderenbeleid. De vertrouwde verzorgingshuizen waar ouderen, ook zonder al te veel gebreken, woonden zijn vrijwel allemaal verdwenen. Wie nu toestemming wil voor een verpleeghuis moet heel veel mankeren. In de zorgwereld worden verpleeghuizen ‘sterfhuizen’ genoemd, bijna alle ouderen die er komen, overlijden binnen een jaar.

‘Vroeger schreef je jezelf op je 58ste of zestigste in voor een plek in een verzorgingshuis’, zei Van Rijn begin juni tijdens een Kamerdebat. ‘Nu komen mensen van 75 jaar of ouder in een verpleeghuis terecht. Van de mensen met dementie of beginnende dementie blijft negentig procent thuis wonen, omdat dit het beste is.’ Vredig overlijden in je eigen veilige huis met alle dierbaren om je heen, is de gedachte.

‘De overheid wil dat je thuis sterft, maar dan moet de overheid niet te krenterig doen over zoiets als een beetje extra thuishulp’, zegt André Zandbelt. Hij waakt sinds 2006 als vrijwilliger thuis bij mensen die op sterven liggen en hij heeft veel zien veranderen de afgelopen jaren. ‘Ik denk dat de overheid zich rijk rekent met de gedachte dat iedereen thuis wil en kan sterven.’ Zandbelt komt echter bij die eenzame man van 86 thuis. Dan haalt hij ’s avonds als de waakdienst aanvangt de sleutel onder de bloempot vandaan en betreedt hij een groot donker huis waar het een bende is en de stervende man alleen ligt. ‘Dan tref je een vuil aanrecht aan. Het keukenpapier is op, er ligt een bergje wasgoed en het toilet is ook al een poos niet schoongemaakt.’ Een paar jaar geleden werd in zo’n eenpersoonshuishouden bij een terminale patiënt snel wat extra uren aan huishoudelijke hulp ingezet. Nu is dat lastiger om te regelen.

Iedereen moet langer thuis wonen en daarbij wordt een zwaar beroep gedaan op de mantelzorger, de afstandelijke beleidsterm voor degene die familie of vrienden soms dag en nacht verzorgt of verpleegt. Zandbelt ziet daar de keerzijde van, steeds vaker komt hij thuis bij een stervende die wordt verzorgd door een partner die dementerend is. ‘Ik maakte mee dat de vrouw die me binnen moest laten de sleutel niet kon vinden. Eenmaal binnen trapte ik in de scherven van een glas water dat ze eerder die dag had laten vallen.’ De vrijwilliger Zandbelt nam die middag de zorg voor haar stervende man over zodat ze naar de dagopvang kon die ze al een jaar nodig had.

Thuis sterven zoals de overheid dat romantiseert is, zegt Zandbelt, niet altijd ideaal, zeker niet voor de mensen die alleen wonen. ‘Daar schieten dan allerlei mensen te hulp’, ziet hij. ‘De buurvrouw gaat naar de Aldi en de jongen op de hoek maakt het huis schoon. De participatiesamenleving zoals de overheid dat wil. Maar soms wordt er ook gestolen uit zo’n huis. Je moet niet vergeten dat deze mensen in een heel kwetsbare situatie verkeren en er ineens allemaal vreemde mensen in het huis komen.’

Zandbelt (73) leidt sinds 2008 gespreksgroepen voor de verzorgers van dementerenden en ook daar ziet hij de laatste tijd de problemen toenemen: ‘Het is bijvoorbeeld heel lastig om überhaupt een indicatie te krijgen voor dagbesteding.’ En ook het lijstje dat hij meegeeft met instellingen voor respijtzorg – het even overlaten van de zorg aan anderen zodat iemand tot rust kan komen – wordt almaar korter.

Over Jan Gladbeek uit Wijk bij Duurstede (57) schreef De Groene afgelopen november. Hij zorgt dag en nacht voor zijn vrouw Maria (53) die zeven jaar geleden werd getroffen door longembolieën. Ze werd langdurig gereanimeerd en kreeg daarna meerdere herseninfarcten. Ze is sindsdien extreem moe, heeft vreselijke hoofdpijnen en allerlei fysieke klachten. Daarnaast is haar kortetermijngeheugen stuk en daardoor weet ze vaak niet in welk jaar ze leeft.

Gladbeek werkt fulltime, ook om de studie van zijn zoon te betalen. Dankzij hulp kon hij het allemaal net volhouden – tot de zorg werd hervormd en hij ineens maandelijks 642 euro aan eigen bijdrage moest betalen voor dagbesteding. Omdat hij dat niet kon schrapte hij een dag en installeerde hij camera’s in het huis die in verbinding staan met de computer op zijn werk zodat hij haar altijd in de gaten kan houden. ‘Mantelzorgers worden niet ontlast, maar afgemaakt door de overheid’, zei hij in november al.

‘Als patiënt ben je een afvink­lijstje. Heb je zeven punten wel maar één niet, dan val je af’

De situatie is sindsdien nijpender geworden. Halverwege april viel Maria van de trap. Hij was niet thuis, maar ontdekte snel dat ze problemen had met haar voet. Een kneuzing, constateerde de arts in het ziekenhuis. Gladbeek hoopte dat ze zou worden opgenomen omdat ze niet meer kon lopen, maar het letsel was daarvoor niet groot genoeg. De huisarts verwees door naar de revalidatiearts en die zei ook dat opname alleen bij een gebroken voet mogelijk was. De zorgverzekeraar, de gemeente: allemaal verwijzen ze naar de huisarts – maar die kon ook niet veel meer dan wéér doorverwijzen naar de revalidatiearts.

Begin mei kreeg Gladbeek zelf hartritmestoornissen en hij werd opgenomen. Toch kon zijn vrouw nergens met spoed terecht. Zijn studerende zoon hielp even. Maar nu staat Gladbeek er weer alleen voor, ook al vindt zijn cardioloog dat hij rust moet nemen. ‘De revalidatiearts zegt dat opname niet kan omdat Maria niet onder de richtlijn valt. Het is een grote poppenkast. De zorg is volkomen juridisch geworden. Als patiënt ben je een afvinklijstje. Heb je zeven punten wel, maar één niet, in dit geval een gebroken voet, dan val je af.’

Het enige wat Gladbeek wil is een paar weken rust, even niet zorgen voor zijn vrouw. ‘Ik kan mij niet herinneren wanneer ik voor het laatst op vakantie was. Als ik vrij ben, lig ik op bed bij te komen.’ Maar die paar weken vrij lukt op geen enkele manier. Voor respijtzorg is ze te zwaar. Hij wilde altijd voor zijn vrouw zorgen, maar hij ziet nu nog maar één oplossing: inschrijven voor een instelling – via de wlz. ‘Dat betekent een definitieve opname, en dat is veel duurder dan het beetje hulp dat ik nu vraag.’

Het Haagse ‘zorg op maat’ is voor de verzorgers die er dagelijks mee werken vaak een gedrocht. Instanties verwijzen naar elkaar en steeds wordt er gevochten om potjes met geld. Op papier is er van alles: het persoonlijke keukentafelgesprek waarin samen met de gemeente wordt gezocht naar de beste oplossing, respijtzorg, de steunpunten voor mantelzorgers en natuurlijk de casemanagers – de persoonlijk begeleiders voor ouderen met dementie.

Nu de werkelijkheid: een derde van de befaamde keukentafelgesprekken wordt niet eens gevoerd, blijkt uit onderzoek van het Adviescollege Toetsing Regeldruk. De bureaucratie is juist toegenomen. Nederland heeft vier miljoen mantelzorgers van wie 610.000 langer dan drie maanden meer dan acht uur per dag verplegen. Volgens recent onderzoek van VUmc heeft bijna veertig procent van hen last van depressie, één op de twintig overweegt wel eens zelfmoord. Driekwart van de informele verzorgers wil graag respijtzorg, slechts een derde krijgt die daadwerkelijk. En volgens Alzheimer Nederland weet de helft van de verzorgers niet dat er zoiets bestaat als een persoonlijk begeleider. De extra wijkverpleegkundigen die Van Rijn beloofde zijn er nooit gekomen, het zijn er juist minder geworden. De laatste maanden regende het in de media noodkreten van verzorgers, beroepskrachten en allerlei organisaties – er verandert nauwelijks iets.

‘Ik ken de wegen goed’, zegt Gerda Wessels, consulent bij steunpunt Mantelzorg Twente. ‘Maar ook voor mij is het een hell of a job om er wegwijs uit te worden. Elke gemeente heeft weer andere regelingen. En als je maar iets verkeerds invult, ben je meteen eindeloos veel verder van huis.’ Maar wat haar vooral opvalt: ‘Wat eerst wél kon in de zorg, kan nu niet meer.’

Haar klacht wordt ondersteund door vele professionals. Begin juni meldde de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie dat twee derde van de jeugdpsychiaters vindt dat de kwaliteit van de zorg de afgelopen jaren is afgenomen. De zorg gaat, stellen ze, gebukt onder bureaucratie. Zo hanteert elke gemeente een eigen declaratiesysteem. Het Leger des Heils ving in 2016 een kwart meer jongeren op dan in het jaar ervoor. Volgens de organisatie komt dit door de bezuinigingen in de psychiatrie en de jeugdzorg. Ziekenhuizen zijn inmiddels de noodopvang geworden voor ouderen waar geen plek voor is.

Wat Van Rijn liefdevol de transitie noemt, noemen de huisartsen de stille substitutie. Ze hebben veel taken overgenomen van het ziekenhuis en zijn als eerste verantwoordelijk voor alle kwetsbare ouderen die dus langer thuis wonen. ‘Met een beetje thuiszorg lukt het vaak wel’, zegt Marinka van Dijk uit het Drentse Nieuw-Buinen. ‘Totdat het crisis wordt, dan is er vaak geen bed meer te vinden.’ Laatst heeft haar assistent drie uur gebeld om een crisisbed te vinden voor een oude man met griep. ‘Hij redde het niet meer alleen en had twee weken onderdak nodig om te herstellen – maar zoiets is bijna niet te regelen.’

Er is, zegt ze, te weinig ondersteuning voor kwetsbare ouderen die thuis wonen. ‘Het is een brand die steeds op het laatste moment wordt geblust door de huisarts.’ Bij een recente enquête van de Landelijke Huisartsen Vereniging zegt veertig procent van de 1340 ondervraagden dat ze hun patiënten nergens kwijt kunnen. Er ontbreekt een overzichtelijk systeem.

Pastoraal medewerker Ellie Smeekens probeert zoveel mogelijk te ritselen en te regelen voor haar Arnhemse buurt. Naar de inloopochtenden komen elke keer zo’n veertig man, daarnaast is er geregeld een warme maaltijd voor buurtbewoners met psychische beperkingen. ‘Hun centrum voor dagbesteding is enkele jaren geleden al wegbezuinigd.’ Met alle activiteiten bereikt het buurtpastoraat zo’n driehonderd buurtbewoners met én zonder problemen.

Smeekens zoekt zelf eenzame mensen op in de wijk. Ze werkt het liefst op de vloer, maar om alles financieel vol te houden is ze voortdurend bezig met fondsen werven en potjes zoeken. ‘Ik voel me een sociaal makelaar.’ Veel werk is naar de vrijwilligers gegaan, ze bezoeken eenzame mensen, doen boodschappen of een klus. ‘Zij vullen de gaten op nu de beroepskrachten grotendeels zijn wegbezuinigd. Maar wat kun je vragen van een vrijwilliger?’

Want ook op de coördinatie van de vrijwilligers wordt vaak bezuinigd. André Zandbelt spreekt na elke waakdienst met een beroepskracht. ‘Ik vind vrijwilligerswerk belangrijk en haal er ook voldoening uit. Maar dat kan alleen als ik kwalitatief goed begeleid word. Als die begeleiding wordt wegbezuinigd, dan houdt het op. Als vrijwilliger wil je niet in een structureel gat springen dat de overheid veroorzaakt.’ De zelfredzame burger is volgens hem een illusie: ‘Zorg op maat? Als je verbaal begaafd bent, dan red je het wel redelijk, maar ik zie steeds meer mensen die de weg kwijt zijn in de samenleving.’