Wim Brands, Ruimtevaart

Laat Mr. Thomas niet rondslingeren

Wim Brands

Ruimtevaart

Nieuw Amsterdam, 49 blz., e 14,95

In het slechtste geval zijn de gedichten van Wim Brands briljante vondsten die de ruimte in worden geslingerd. In het beste geval zijn het zorgvuldig ingerichte zalen waarin angst een podium krijgt. De dichter zoekt verschillende manieren van omgaan met het onbekende. Soms is hij het onbekende te slim af door zelf een raadsel te formuleren, meestal is zijn omgeving een vraagstuk waar niet zomaar met een vondst uit is te komen. Zowel het vertellen als het oproepen van een raadsel wordt in deze bundel uitbundig ge vierd terwijl de verteller een kalme toon behoudt, op het gelatene af. Deze rust gaat gepaard met een opvallend scherpe waarneming, en de beelden die eruit ontstaan hebben de kracht een herinnering van de lezer te worden.

In het openingsgedicht Schaduwen laat de dichter angsten bewegen in het donker. Hij doet de bijzondere waarneming dat «ze»hem tegemoet komen zonder schaduwen, omdat het donker is: «Het was nacht./ De schaduwen/ zijn dan/ vrij». Wat het is dat hem ongerust maakt, spoken of heksen, of visioenen van een toekomst, wordt in het midden gelaten, waardoor de schaduwen onbestemder en des te angstaanjagender worden: «Zonder meesters/ naderden ook/ zij mij». Niet alleen de schaduwen maar ook van wie de schaduwen af komstig zijn, «de meesters», naderen hem. Slim bedacht. Of, goed gezien. Maar is het meer dan een vondst? De formulering is als van een raadsel. In de trant van: het is grijs en het hangt in een boom. Het is dat er «schaduwen» als titel boven het gedicht staat, anders zou je gaan hopen op een lijst oplossingen als slot van de bundel.

Ook het gedicht Stoet wekt de indruk van een raadsel waarbij geraden moet worden wie de man is die verdween.

Of de stoet nu lang is,

luidruchtig, stom

kort

altijd vind ik mijn plek:

naast een man of vrouw

alleen

die ik vraag wanneer

de overledene

voor het eerst in zijn

haar leven verscheen

en zwijg tot na de koffie;

en na een laatste knik

ben ik altijd de man

die verdween.

Als ik het raadsel moest oplossen zou ik zeggen dat de man die verdween zich gedraagt als ramptoerist door begrafenissen te bezoeken van onbekenden, maar niemand anders is dan de overledene zelf. Een eeuwig aanwezige dode die een tijdelijke bestemming zoekt waarvandaan hij het weer op een verdwijnen kan zetten. Het is een raadsel dat zijn eigen antwoorden biedt.

De gedichten zijn sterker wanneer er meer ruimte is rond de scherpe observaties («Ze hangt als een boodschappentas/ aan mijn arm»), als er meer te raden valt en de zinnen kunnen opstijgen in je hoofd. Zoals in het gedicht Rozen. Daarin herinnert een ik zich hoe hij ooit achter een tractor aan rende: «Ik dacht dat dat geluk bracht». Hij be schrijft hoe hij was omringd door maïs en rogge, en zolang dat duurde kon hij denken dat er geluk op komst was: «Totdat de rozen van kranten papier/ in de bussen vielen en ook wij/ vertrokken».

Hier wordt de begrijpelijke, concrete wereld waarin elk raadsel een oplossing heeft aan flarden gescheurd. Het maakt ongerust dat ik niet weet wat de rozen van krantenpapier zijn. Het zijn bloemen die door kinderen werden geknutseld uit krantenpapier, het zijn rozen die werden beschreven in de krant en verwijzen naar de Rozen Revolutie in Georgië, en het zijn rozen die in kranten werden verpakt om ze te be schermen. Al deze rozen vallen op de deurmat. Maar er staat: bussen, en niet bus. Vielen ze dan om in een voertuig? De dichter dwingt je die richting op, want vervolgens wordt er vertrokken.

Binnen deze ontzagwekkende we reld wordt in de slotregels ingezoomd op de belevenis van een kind: «En niemand die ooit ontdekte hoe/ mooi ik kon zingen als ik/ alleen was// en de gasman naderde».

De afbreking na «ik» veroorzaakt een wonderlijke regel: hoe mooi ik kon zingen als ik. Met het doorlezen wordt duidelijk dat het zingen alleen in afzondering plaatsvond, en in een angstig soort eenzaamheid, die doet denken aan de angst van het gedicht Schaduwen. De na derende gasman belooft weinig goeds.

In een gedicht als Lemon raak ik op een prettige manier de draad kwijt. Het is een Engels gedicht, en gaat over Mr. Thomas. Het lijkt erop dat er een gebruiks aanwijzing voor een apparaat wordt ge citeerd, waarbij de makers het ap paraat menselijke eigenschappen toe dichten om het gebruiksvriendelijker te doen overkomen. Wellicht heeft de dichter uit verschillende gebruiksaanwijzingen ge put om de bizarre en toch sympathieke Mr. Thomas tot leven te wekken.

Mr. Thomas does not like

flashing lights.

Light comes mostly from above

not from below.

Mr. Thomas needs to be well-lit.

You must have a watch, pocket

or wrist: the truck is his only friend.

Mr. Thomas should not be referred to

as «Dave» or touched in a familiar way.

Introduce him, encourage conversation.

He prefers ordinary people.

Do not let Mr. Thomas stand around as a lemon.

Who the hell is Mr. Thomas? Speelgoed? Heilige? Dichter? Een hulpe loze man in een rolstoel? Een stuk fruit?

Mr. Thomas is alles tegelijk. Een onvatbaar monster, dat toch iets huiselijks heeft. De dichter die adviseert hoe met Mr. Thomas om te gaan heeft in ieder geval het vermogen met gevoel voor humor je verwachtings patroon te ontwrichten: laat hem niet rondslingeren als een citroen, wordt gezegd op het moment dat je denkt dat het een mens is van vlees en bloed. En net wanneer je denkt dat je in ieder geval zijn naam kent, krijg je de raad om nooit naar hem te verwijzen als Dave. Mr. Thomas laat zich niet vinden als de oplossing van een raadsel, en als je het zoeken naar zijn identiteit niet kunt laten, zal hij je uit je slaap houden. Pas daarbij op voor mooie vondsten. De schaduwen kruipen overal.