Minder vrijblijvende ontwikkelingshulp

‘Laat Nederlanders zelf bepalen waar hun geld naartoe gaat’

Ondanks de vele ­discussies zijn ­hervormingen van de ontwikke­lings­hulp ­uitgebleven, zegt Thierry ­Sanders, ­directeur van de ngo BiD ­Network. ­‘Subsidieer niet langer, maar ­investeer.’

Hij mag dan directeur zijn van een organisatie actief in ontwikkelingslanden, Thierry Sanders houdt niet van ontwikkelingshulp. Direct bij het eerste contact mailt hij de afbeelding van een pakje Marlboro-sigaretten waarop de merknaam is vervangen door het woord Aid en de zwart-witte waarschuwingstekst door: ‘Stimulates addiction, Creates bureaucratic cancer, Reduces economic growth, Makes you uncompetitive, Costs a lot of (taxpayers) money.’

Voor de werknemers van de ngo Business in Development (BiD) Network is het door hun baas ontworpen plaatje een klassieker. De gedachte erachter onderscheidt BiD Network van de vele andere, in hun ogen ouderwetse en soms ingeslapen ngo’s. Het plaatje past ook bij de activiteit waar Sanders zich voortdurend aan overgeeft: die van rebels en creatief denker over ontwikkelingssamenwerking.

Op congressen, opiniepagina’s, in hoorzittingen van de Tweede Kamer, via Twitter en op de website van BiD Network laat hij regelmatig van zich horen. Nu vanwege de nieuwe bezuinigingsronde de discussie over ontwikkelingshulp weer is opgelaaid, verbaast Sanders (1966) zich over de inhoud.

De tegenstanders van hulp – te vinden bij de vvd en pvv – vinden dat er gemakkelijk een miljard af kan en willen dat ontwikkelingslanden hun eigen boontjes doppen. De voorstanders tonen zich – overtuigd van de morele plicht om de minder bedeelden te helpen – verontwaardigd over die hardvochtigheid en komen in de discussie niet verder dan boosheid over de bedragen die er verdwijnen.

Thierry Sanders: ‘We moeten nadenken over hoe ontwikkelingshulp is georganiseerd. Ik zou willen pleiten voor een nieuw stelsel.’ Hij is niet de eerste noch de enige die dat voorstelt. Zo vormden interviews met vertegenwoordigers van ngo’s en wetenschappers die onderzoek doen naar ontwikkelingshulp een deel van de input voor het rapport dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (wrr) in 2010 publiceerde: Minder pretentie, meer ambitie. De aandacht richten op minder landen en economische bedrijvigheid stimuleren waren twee aanbevelingen. Het kabinet nam die over en omschreef het nieuwe beleid in de ‘focusbrief’ aan de Tweede Kamer.

Sanders miste in beide documenten echter drie in zijn ogen cruciale hervormingen. ‘Democratiseer de hulp, scheidt het aannemen van geld van het aannemen van diensten en, het belangrijkste, subsidieer niet langer, maar investeer.’

In het kantoor van BiD Network begint Sanders met het laatste. Hij vindt het onvoorstelbaar dat uit naam van ontwikkelingshulp nog steeds voortdurend geld wordt gegéven, en geeft het ministerie van Buitenlandse Zaken zelf als voorbeeld. Via de zogeheten psi-subsidies (Private Sector Investeringsprogramma), vorig jaar zeventig miljoen euro, financiert Buitenlandse Zaken elk jaar joint ventures die Nederlanders aangaan met lokale ondernemers in ontwikkelingslanden. Dat past bij de focus op het stimuleren van de economie in die landen en de overheid betaalt éénmalig vijftig procent van het startkapitaal. Sanders: ‘Waarom wordt van die subsidie geen investering gemaakt? Als zo’n bedrijf rendabel blijkt, krijg je een deel van het geld terug. Daarmee kun je nog een bedrijf financieren.’

Sanders’ bezwaar tegen subsidiëren is dat geld slechts één keer wordt gebruikt. Een investering kan ook in rook opgaan, maar leidt bij succes tot rendement. Dat zijn eigen organisatie kon opstarten met behulp van subsidies en er door het succes (zie kader) steeds meer vangt, vindt Sanders geen reden zijn kritiek in te slikken: ‘In de opstartfase heb je subsidies of investeringen nodig. De overheid wil niet in ons investeren, dus blijft subsidie over. Maar we weten nu hoe we omzet kunnen genereren en hopen over een paar jaar op eigen benen te staan.’

Investeren in plaats van subsidiëren impliceert wel dat een project rendement moet opleveren. Oftewel: een dienst wordt niet langer gratis aangeboden, maar verkocht. Sanders: ‘Natuurlijk, noodhulp moet je gewoon geven. Maar ngo’s checken vaak niet of mensen voor diensten willen betalen. Als ze daartoe bereid zijn en een ngo levert gratis, dan wordt een ondernemer een kans ontnomen.’ Die constatering is even oud als de hulp zelf, maar toch ziet hij in zijn eigen sector van ontwikkelingshulp (het stimuleren van ondernemerschap) die fout nog steeds gemaakt worden: ‘Overal bieden organisaties gratis trainingen aan voor ondernemers. Op die manier worden ze verwend en afwachtend en de lokale consultant heeft geen werk meer.’

Sanders – wit overhemd, keurig brilletje – groeide op als zoon van een ABN Amro-bankier die kriskras over de wereld ging. Hij woonde in Ecuador, Pakistan en Saoedi-Arabië voordat hij op zijn tiende op een Britse kostschool werd ingeschreven en daar tot zijn zeventiende zou blijven. Na zijn studie economie in Wales lag een carrière in de voetsporen van zijn vader voor de hand, maar Sanders voelde zich daartoe niet aangetrokken. Tijdens bedrijfsbezoeken met zijn vader zag hij voortdurend fabrieken die gigantische hoeveelheden energie verbruikten naast sloppenwijken zonder stroom. ‘Ik vroeg altijd aan mijn vader: kan dat niet anders? Het leek me dat bedrijven ook winst konden maken als ze rekening zouden houden met de sociale impact.’

Die overtuiging is al meer dan een halve eeuw oud, getuige de oprichting van de ASN Bank in 1960, toen begrippen als ‘sociale impact’ of ‘duurzaam’ nog niet eens bestonden. Het duurde tot halverwege de jaren negentig voordat maatschappelijk verantwoord ondernemen echt in de mode raakte. Sommige succesvolle initiatieven waren niettemin al weer een decennium oud toen de Nederlandse regering in 2010 nadrukkelijk koos voor economische ontwikkelingshulp.

Zo werd in 1999 het Amerikaanse Endeavor Global opgericht om high potential ondernemers in opkomende economieën te helpen aan kapitaal en mentoren. Twee jaar later zag het Acumen Fund het licht. Dat investeringsfonds – begonnen met geld van de Rockefeller Stichting, IT-gigant Cisco Systems en drie rijke filantropen – financiert uitsluitend bedrijven die ‘sociale’ diensten leveren op het gebied van huisvesting, water- en energievoorziening en gezondheidszorg. Het eveneens Amerikaanse Gray Ghost Ventures richt zich vanaf 2003 op het opstarten van financieel toegankelijke privé-scholen voor arme gezinnen in India.

Bij al die organisaties staat het zakelijke aspect centraal: zonder zicht op rendement wordt er geen euro geïnvesteerd. Het verschil met traditionele investeerders zit ’m in het geduld – Acumen spreekt van patient capital – en het (soms) mindere rendement.

Endeavor Global, Acumen en Gray Ghost trekken relatief grote hoeveelheden kapitaal aan. Doordat internet het mogelijk maakt goedkoop kleine bedragen te verwerken, kunnen minder vermogende particulieren sinds enkele jaren ook investeren in ondernemers uit ontwikkelingslanden.

Op de site van Kiva, opgericht in 2005, kunnen particulieren met enkele muisklikken minimaal 25 dollar lenen aan bakkers die een nieuwe oven willen kopen, winkeliers die geld nodig hebben voor een ruimere winkelvoorraad of een boer die wil investeren in kunstmest voor een betere oogst. Het Deense MyC4 doet hetzelfde, met een minimuminleg van vijf euro. Ook hier geldt: er is geen sprake van giften maar van leningen of investeringen.

Van Endeavor tot Kiva, alle organisaties richten zich op het stimuleren van economische groei. Met zijn organisatie BiD Network – opgericht in 2006 – doet Sanders dat ook. Hij richt zich daarbij uitsluitend op het midden- en kleinbedrijf (mkb).

Terwijl voor de armste onderlaag in ontwikkelingslanden microkredieten beschikbaar zijn en grote bedrijven voor hun financiering terecht kunnen bij banken, lukt het het midden- en kleinbedrijf nauwelijks om aan kapitaal te komen en zo te groeien. Voor dit fenomeen bestaat een naam: de missing middle.

Sanders kwam ermee in aanraking toen hij namens het bedrijf EcoSecurities – dat zich richt op het beperken van de uitstoot van broeikasgassen – financiering voor projecten in ontwikkelingslanden moest zoeken. Initiatieven voor minder dan een miljoen dollar kreeg hij nauwelijks van de grond, ook al waren ze beter dan grote projecten. De oorzaak is simpel: of het om een grote of kleine investering gaat, voor banken is het maken van een risicobeoordeling ongeveer even duur. Grote investeringen leveren daardoor een hoger rendement op en zijn dus aantrekkelijker. Sanders: ‘Ik liep daar voortdurend tegenaan en zag dat de missing middle een systematisch probleem was. Als we dat oplossen, zal er een middenklasse, welvaart en stabiliteit komen in ontwikkelingslanden.’

Groei gepaard aan armoedevermindering komt vooral voor in de mkb-sector, meent Sanders. Micro-ondernemingen zorgen voor weinig economische groei. Aan de andere kant zorgen grote multinationals slechts voor 0,7 procent van alle banen wereldwijd, becijferde de International Labour Organisation. Tussen die twee uitersten in spelen midden- en kleinbedrijven een enorme rol in de economie.

Om het mkb in ontwikkelingslanden te stimuleren heeft BiD Network een ‘datingsite’ gemaakt voor investeerders en ondernemers. Door succesvolle ‘dates’ te organiseren schat BiD Network tot vorig jaar 4755 banen te hebben gecreëerd, voor achttienhonderd euro per stuk.

Een bescheiden resultaat, tot stand gekomen met een bescheiden budget, 1,7 miljoen euro in 2010. Ter vergelijking: Cordaid had in 2010 180 miljoen te besteden, Icco 103 miljoen en Oxfam Novib 177 miljoen. Die organisaties richten zich evenwel op veel meer projecten van allerlei soort. Toch zegt Sanders zonder schroom: ‘Door internet goed te gebruiken, hopen wij straks op grotere schaal te werken dan zij.’ >

Waar andere ngo’s de laatste jaren minder subsidie kregen van het ministerie van Buitenlandse Zaken kreeg BiD Network (een klein beetje) meer. De organisatie maakte ook indruk op beleidsmakers buiten Nederland: in 2010 mocht Thierry Sanders een prijs ophalen op de G20-top in Seoul en hij adviseerde de Amerikaanse regering bij het Global Entrepreneurship Program, dat in een groep moslimlanden hetzelfde doet als BiD Network.

De ‘hoofdprijs’ noemt Sanders echter de investering van miljardair Putera Sampoerna. De ‘Bill Gates van Indonesië’ was zo onder de indruk van het concept van BiD Network dat hij een miljoen dollar ter beschikking stelde. Sanders: ‘Dat iemand uit een ontwikkelingsland geld steekt in een Nederlandse ontwikkelings­organisatie is waarschijnlijk een primeur.’

Sampoerna kocht veertig procent van de aandelen van de bv BiDx. Nadat bij BiD Network vier jaar hard was gewerkt aan de ‘datingsite’ gaat BiDx die nu proberen commercieel te exploiteren. Als BiDx winst maakt, vloeit dat terug naar de aandeelhouders. Naast Sampoerna is de stichting BiD Network voor zestig procent eigenaar. Hoe beter BiDx draait, hoe meer geld voor de stichting, hoe minder afhankelijk van externe financiers als de Nederlandse overheid.

De relatie met de meeste buitenlandse partners wordt bovendien omgedraaid. Tot dit jaar betaalde BiD Network zeventien partner­organisaties voor het opzetten van een businessplancompetitie. Die financiering zal stoppen. In plaats van 25.000 euro te kríjgen, betálen de partners straks vijfduizend dollar voor gebruik van het internetplatform. Sanders: ‘Ze willen allemaal gebruik blijven maken van ons platform. Ik zal ze wel goed moeten uitleggen hoe ze daarmee geld kunnen verdienen.’

Icco ging BiD al voor door in 2008 een holding op te richten met daarin diverse bv’s. Die verdienen geld met advies over verantwoord ondernemen of de handel in carbon ­credits. Sanders hoopt dat meer ontwikkelings­organisaties zich splitsen in een stichting en een bv, met elk een directeur. Die van de stichting is verantwoordelijk voor fondsenwerving en sociale projecten met weinig omzetpotentieel. De bv-directeur is verantwoordelijk voor het op de markt brengen van alles waarvoor mensen willen betalen. ‘Daarmee staan de neuzen dezelfde kant op.’

Tijdens een rondleiding door het kantoor van BiD Network, vlak bij Amsterdam Centraal Station, wijst Sanders op de muur waar elke dag cijfers verschijnen van het aantal bezoekers van de BiD-website. ‘Zodat we in de gaten houden hoe het gaat.’

De cijfers zijn goed, maar verhullen enkele zaken die bij de algehele focus op economische ontwikkelingssamenwerking worden vergeten. Zo bemoeien organisaties als Endeavor, Kiva of BiD Network zich nadrukkelijk niet met de omgeving waarin bedrijven zaken doen, terwijl een slechte infrastructuur of slecht onderwijs grote invloed heeft op de sociale ontwikkeling van een land. Op speciale projecten na richten Endeavor en BiD Network zich zelfs meestal op iets rijkere mensen in iets rijkere ontwikkelingslanden, waar het ondernemersklimaat redelijk is.

Sanders: ‘Dat is toch geweldig? Mensen die op dit moment arm zijn, zullen het bijna nooit voor elkaar krijgen een groot bedrijf uit de grond te stampen. Wij zoeken ondernemers met een groot netwerk, die hun middelbare school hebben afgemaakt, misschien zelfs de universiteit. Zij moeten de rest uit het slop trekken.’

Sanders wil rendement boeken, banen creëren, ondernemers geld laten verdienen en hun landen zo vooruit helpen. Hij lijkt daarmee de juiste man voor deze tijd. Toch is Sanders kritisch over het ontwikkelingshulpbeleid van de huidige regering. Het uitroepen van economische ontwikkeling tot speerpunt is volgens hem vooral ‘retoriek, te verwachten van een regering met daarin de vvd. Allerlei experts en organisaties stellen dat economische groei de belangrijkste factor is voor armoedevermindering. Waarom heeft de regering het budget voor ontwikkeling van de private sector dan slechts verhoogd van twaalf naar veertien procent van de totale bijdrage aan ontwikkelingshulp?’

Sanders vindt de manier waarop de regering de laatste jaren bezuinigt bovendien weinig intelligent. De bezuinigingen komen onder meer tot stand door het kiezen voor thema’s. ‘Dat heeft tot gevolg dat ngo’s hun eigen voorkeuren omruilen voor een opgelegde richting. Bovendien betekenen de bezuinigingen vooral dat er geen nieuwe projecten starten. Veel oude projecten blijven gewoon intact.’

Hij ziet dat echte hervormingen uitblijven. Ook het ‘perverse’ aanbodgestuurde model is nog niet afgedankt. Ngo’s krijgen miljoenen subsidies van de overheid om projecten te financieren in ontwikkelingslanden. Om het jaar erop niet gekort te worden, is het uitgangspunt dat geld op te maken. Sanders: ‘Daardoor bestaat nog steeds de indruk dat er een ongelimiteerde vraag is voor projecten.’

Die kritiek valt al decennia te horen. Dat de hulp vraaggestuurd moet zijn, was in 2005 ook onderdeel van de Verklaring van Parijs waarin de Organisatie voor Economische Samen­werking en Ontwikkeling (oeso) aanbevelingen deed omtrent het voorkomen van mislukkingen. Organisaties als Kiva en MyC4 werken al vraaggericht, maar veel traditionelere ngo’s nog niet.

Sanders toont zich daarom voorstander van een ‘Marktplaats’ voor ontwikkelingshulp. Daar komt de aanvraag binnen van degene die het project wil. Een tweede partij biedt financiering aan, waarna de ‘klant’ de diensten bij een derde partij afneemt. Behalve de omkering van aanbod- naar vraaggestuurd heeft het model volgens Sanders nog een ander voordeel: ‘In het huidige aanbodgerichte model voert de partij die het geld meebrengt vaak het project uit. Dat leidt tot suboptimale diensten. De klant moet kunnen kiezen welke oplossing het beste is.’

Hij stelt ook voor de hulp te democratiseren. Het ministerie van Financiën zou daarvoor een eerste stap kunnen zetten door donaties met ruimere regels voor belastingaftrek aantrekkelijker te maken. Hulp wordt daarmee transparanter, betoogt Sanders. Nu hebben Nederlanders geen benul wat er in Oeganda of Bolivia met hun belastinggeld gebeurt. ‘Laat ze zelf bepalen waar hun geld naartoe gaat.’

Als de donateur, zoals al in Slowakije gebeurt, op zijn belastingformulier kan aangeven hoeveel hij wil geven en aan welke organisatie zou dat giften kunnen stimuleren, betoogt Sanders. Vervolgens zou de overheid elke gedoneerde euro kunnen ‘matchen’. ‘Met andere woorden: financier hulp met geld van personen en bedrijven die wél willen geven, of, beter nog, investeren.’

Ondanks de vijandige houding die de laatste jaren gecreëerd is richting ontwikkelingshulp gelooft Sanders dat genoeg mensen nog steeds willen doneren. Kiva en MyC4 hebben sinds hun oprichting gezamenlijk 315 miljoen euro opgehaald bij ‘kleine’ particulieren, en rijke filantropen als Bill Gates, Warren Buffet en Putera Sampoerna (die ook zijn eigen stichting heeft) investeren zelfs miljarden.

Sanders: ‘Je ziet een verschuiving in de herkomst van geld, van overheden naar particulieren.’ Door de traditionele ontwikkelingshulp te reorganiseren kan daarvoor het draagvlak ook weer toenemen. ‘Investeren in plaats van subsidiëren, een vraaggericht systeem en privaat geld stimuleren. Het zijn slechts drie punten, maar daarmee wordt hulp minder vrijblijvend.’


Hoe werkt BiD Network?

Ondernemers werken een businessplan uit via de website www.bidnetwork.org. Met behulp van feedback van werknemers van ING, Rabobank of Ernst & Young verbeteren ze in enkele stappen hun plan. Wordt het door BiD goed genoeg bevonden, dan wordt geprobeerd een investeerder te strikken.

De website heeft momenteel zo’n 46.000 leden. BiD Network heeft tot 2011 12.091 businessplannen ontvangen en verbeterd. Daarvan zijn er rond de vijfhonderd aan investeerders voorgelegd. Uiteindelijk is voor 97 ondernemers een ‘match’ gemaakt met een investeerder en is er dertien miljoen dollar geïnvesteerd. Een kleine zeshonderd ondernemers hebben, nadat ze met hulp van coaches hun businessplan hadden aangepast, zelf financiering gevonden voor hun bedrijf.