Gastcolumn

Laat Wilders maar gooien

De brief waarin minister Eberhard van der Laan de visie van het kabinet op integratie ontvouwt, is onberispelijk en kent slechts één valse noot.

WE MOETEN het toegeven: na zoveel keren pech hebben we eindelijk een briljante minister van Integratie. Eberhard van der Laan, waar hebben ze die man vandaan gehaald, en waarom nu pas? Hij heeft alles: een blik die meestal zorgelijk is, gepijnigd soms, maar altijd warm en vaderlijk. Een stem die zacht kan zijn maar ook fel en volhardend, een lichaamstaal die openheid uitstraalt, toegankelijkheid. Maar bovenal heeft hij de juiste toon.
Daar moet hij een jaar over hebben nagedacht, sinds hij de meest onmogelijke post kreeg die er is. Is het alleen toon, is het ook gecalculeerde strategie? Zo ja, het is briljant.
Tegen wie moet Van der Laan opboksen? Tegen Geert Wilders, dat is duidelijk. Maar hoe vecht je tegen een man die een steen gooit en zich dan snel uit de voeten maakt? En die steen niet alleen gooit, maar nog raak ook? Was Wilders een pitcher, hij zou een held zijn in de Major League.
En daar staat zo’n oudere, aimabele man tegenover, kansloos, zou je zeggen. Maar dan komt hij met zo’n brief, de visie van het kabinet op integratie, en dan zit Wilders plotseling in een lastig parket. Niet omdat Van der Laan frontaal in de aanval gaat, zoals Alexander Pechtold. Pechtold is geen onverdienstelijke honkballer, maar zijn techniek hoort meer in de Kamer thuis dan in het kabinet. Van der Laan laat de gegooide ballen van Wilders voor wat ze zijn, en richt zich rechtstreeks tot diens aanhang. Zonder te capituleren, zonder naar de mond te praten, zonder te willen overtreffen. Nee, gewoon vaderlijk, onderwijzend, begripvol.
Wat staat er in de brief? Niets eigenlijk, als je alle tienduizend woorden letter voor letter spelt. Komen er harde maatregelen? Nee. Wordt deze of gene groep stevig aangepakt? Helemaal niet, al gebruikt Van der Laan het woord aanpakken 53 keer, ik heb het nageteld. Van der Laan toont zich een minister voor iedereen, voor de vertwijfelde allochtoon net zo goed als voor de ontevreden autochtoon. En het lukt, het lijkt ineens zo gemakkelijk. Maar dat lijkt altijd zo, als iemand erg goed is in wat hij doet.
Eén enkel foutje maakte Van der Laan wel: hij bedacht een nieuwe term voor de buitenlanders. Hij wilde af van ‘allochtoon’, van ‘niet-westerse allochtoon’ en al die andere misbaksels: ‘niet-westerse-tweedegeneratie-allochtoon’, je ziet het al als lemma in het woordenboek. Maar ‘nieuwe Nederlander’? Inhoudelijk heb je daarmee niets opgelost, want wanneer hou je op nieuw te zijn? En het bekt niet lekker: nieuwe Nederlandse probleemjongeren? Hou het dan gewoon op Marokkaanse ettertjes.
Waarom kunnen we niet terug naar ‘minderheden’, dat zijn ze toch? ‘Minderheid’ is zo’n simpele rekenkundige eenheid, daar is niets mis mee, behalve dan dat sommige haarklovers er iets beledigends in zagen omdat ze dachten dat het voorvoegsel ‘minder’ lager in rang betekende. En dan kun je bijvoorbeeld ook zeggen dat het minderhedenbeleid is mislukt, in plaats van dat krankzinnige ‘de multiculturele samenleving is mislukt’.
Enfin, verder is de brief onberispelijk. Van der Laan begint met de constatering dat wereldwijde migratiestromen niet zijn tegen te houden, maar dat Nederland een selectief migratiebeleid voert. Niet omdat het vol is, maar omdat ‘de spankracht’ van de samenleving om meer mensen van buiten op te nemen grenzen heeft. Familieleden mogen er onder strikte voorwaarden in en huwelijkspartners moeten al een beetje Nederlands verstaan.
Leidt dat toch tot massamigratie, zoals Wilders steeds maar roept? Van der Laan negeert het, hij zegt niet eens dat ze bij de PVV niet kunnen tellen en aftrekken. Hij zegt alleen terloops dat het saldo van de immigratie in 2008 op twintigduizend stond.
Onverbloemd zegt Van der Laan dat het niet goed is als buitenlanders zich in bepaalde wijken concentreren. In deze probleemwijken heersen armoede, werkloosheid, criminaliteit en verslonzing. De overheid zal daar iets aan doen, maar de buitenlanders moeten zelf ook hun verantwoordelijkheid nemen. En het foefje van de boel de boel laten en ondertussen sparen voor een huis in Turkije of Marokko: dat is ondankbaar en verwerpelijk. Koop een huis, in plaats van het te huren en het uit te wonen, dan zul je vanzelf optreden tegen zwerfvuil en de tuin onderhouden. En o ja, die wijken waar minderheden de meerderheid vormen: dat is maar één procent van het totaal.
Dit doet Van der Laan telkens weer, het probleem wordt niet ontkend, maar in de juiste proporties gebracht, zonder vergoelijkend over te komen.
Het belangrijkste in de brief van Van der Laan is wel de opmerking dat integratie geen symmetrisch proces is. Migranten moeten harder hun best doen om erbij te horen dan Nederlanders, de extra inspanning is een morele verplichting. Hou op met het geleuter dat integratie van beide kanten komt: als je ervoor koos je te vestigen, moet je de taal en omgangsvormen leren, onderwijs volgen, werken. En het klinkt in de brief ineens helemaal niet stoer of hardvochtig.
Natuurlijk: er is discriminatie, de minderheden voelen zich soms terecht tweederangs burgers, en daar moet de overheid iets aan doen (‘aanpakken!’). Maar dan mag er ook geen sprake zijn van discriminatie van vrouwen en homo’s, basta.
De jongerenwerkloosheid onder minderheden is twee keer zo hoog, de criminaliteit onder Marokkanen en Antillianen is schrikbarend. Feit, feit, feit. Maar in de afgelopen tien jaar is het aantal academische studenten onder hen verdubbeld, is het aantal zelfstandige ondernemers toegenomen met veertigduizend en is het eigen-woningbezit gekomen op 23 procent. Bij de Nederlanders is dat zestig procent, dat is waar, maar het gebeurt echt: het ontstaan van een middenklasse van Surinamers, Marokkanen, Turken en Antillianen. En Geert Wilders? Laat die maar gooien. De minderheden leren zelf wel een homerun te slaan.