Toneel: ‘Requiem pour L.’

Laatste adem

In ‘Requiem pour L.’ klinken de melodieën van Mozart alsof ze door een multiculturele blender zijn gehaald.

© Chris van den Burght

Tegen het eind van Requiem pour L. zou je willen opstaan en meeswingen, klappen, joelen. Zo aanstekelijk is de viering van het leven op het toneel. De veertien zangers en musici, merendeels Afrikanen, staan naar de zaal toe gedraaid en dansen unisono. Handen werpen in een zaaigebaar iets onzichtbaars naar ons toe en verspreiden dit deinzend. Voeten onderstrepen het ritme met stampende roffels. De juichende melodie van de zes zangers krijgt na elke frase een ye-ye-ye-bijval van de rest.

Was dit een musical als Zambezi Express of Mama Africa, dan stond de Rotterdamse schouwburg nu op z’n kop. Maar zo lang deze voorstelling duurt, blijft de scheiding intact tussen sprankelende performers en een stil genietende zaal. Omdat de muziektheaterproductie van Les Ballets C de la B ook tot inkeer uitnodigt. Omdat niet alleen het leven wordt gevierd, maar ook het sterven. Omdat we hebben gezien hoe een nog niet zo oude vrouw haar laatste adem uitblaast, niet gespeeld maar echt en gefilmd. Behalve een Afrikaans feestje is deze voorstelling een requiem. En wel van Wolfgang Amadeus Mozart. Wat de muzikanten en zangers in een spectaculair ongehoorde versie uitvoeren is zijn wereldberoemde Requiem in D-mineur.

Requiem pour L. is het geesteskind van choreograaf Alain Platel en muzikant/componist Fabrizio Cassol. De twee werken al langer samen, bij eerdere producties van Platels Vlaamse gezelschap C de la B: VSPRS, Pitié! en Coup Fatal. Wat ze bij elkaar vinden is duidelijk. Platel (1959) is een pionier in het openstellen van zijn podium voor mensen die daar niet vanzelfsprekend een plek vinden: op straat geschoolde dansers, kinderen en bejaarden, drag queens, hele fanfareorkesten. Hij mixt de meest uiteenlopende performers tot bonte samenlevingen, waarbij persoonlijkheid het verschil in virtuositeit overstijgt, en homogeniteit even belangrijk is als contrast en autonomie. Consequent toont Platel al een kwart eeuw lang in overweldigend mooie voorstellingen hoe multicultureel België de westerse muziek- en danstraditie verrijkt.

Hetzelfde doet Fabrizio Cassol (1964) ongeveer even lang in zijn muziekprojecten. De in België aan het conservatorium opgeleide saxofonist veranderde zijn visie op muziek na een reis door Centraal-Afrika. Samen met de leden van zijn latere trio Aka Moon verbleef hij bij de Aka-pygmeeën en ervoer hoe muziek daar verweven is met het dagelijks leven, en hoe zijn westerse vraag naar het belang van muziek daar niet meer speelde. Sindsdien brengt hij muzikanten uit diverse werelddelen bij elkaar en creëert samen met hen nieuwe composities in live gebeurtenissen die in de basis door verschillende tradities worden gevoed.

Daar begint ook Cassols bewerking van Mozarts meesterwerk. De batterijen strijkers en blazers die voor het grote publiek bij het requiem horen, hebben plaatsgemaakt voor Afrikaanse likembes (vingerpiano’s), percussie met bongo’s, elektrische gitaren, een accordeon en een eufonium of tenortuba. Het majestueuze koor dat de solisten bijstaat en afwisselt, is bij Cassol een drietal Congolese griotzangers, swingende vertellers uit de orale traditie. De aanblik alleen al van de uitvoerenden ondergraaft alles wat je met Mozart associeert: donkere huidtinten, dreadlocks, opvallende sieraden. Allemaal dragen ze bontgekleurde blouses met daarover een donker kostuum, de pijpen van de broek in hoge Afrikaanse gumboots. En hoewel je dit een concertante uitvoering zou kunnen noemen – er zijn door Platel geen dansers aan toegevoegd, geen spelscènes, geen decor- of kostuumwisselingen – wordt de steile bewegingloosheid die daar in het Westen mee gepaard gaat hier bepaald niet nagevolgd. Vooral de Afrikanen maken muziek met hun hele fysiek: ze shaken en bouncen, wiegen en schudden, en hun gezichten doen even expressief mee. Bij de Congolese griotvertellers gaat zingen gelijk op met dansen, in staccato pasjes en gebaren, soms met extatische uitbarstingen. Alleen de drie klassiek geschoolde solisten doen aan opera-stijfjes schrijden en zitten, maar zodra het ritme stuwend wordt, neemt het ook hen in bezit.

Strakke barokexercities verzachten op vingerpiano’s tot een zee van getokkel

De verzameling instrumentalisten en stemmen brengt Oost en West bij elkaar. Er is een Portugese jazzaccordeonist. De percussionist en de eufoniumspeler zijn opgeleid in België. De gitaristen, de likembe-spelers en de griotzangers hebben zich muzikaal ontwikkeld in Congo en de drie klassieke solisten in Zuid-Afrika. Voor een deel van deze bezetting – vooral de Congolezen – was Mozarts muziek met de westerse harmonieën en fugavariaties totaal nieuw terrein. De meesten kunnen niet van papier lezen, dus speelde Cassol elke frase voor op zijn saxofoon, het onthouden ervan betekende een enorme geheugenexercitie.

Maar het ging hem niet om het uitvoeren van Mozarts partituur met een exotisch instrumentarium. In Cassols bewerking is de identiteit van de muziek behouden: de voltrekking in veertien stadia met elk hun eigen melodielijnen en dynamiek. Maar elk afzonderlijk requiemdeel is in de repetities opnieuw opgebouwd, in wisselwerking met de zangers en muzikanten die de ruimte kregen om voorstellen te doen voor extra muzieklagen, alternatieve omzettingen en uitstapjes die bij hun (orale) tradities passen. Het resultaat is dat de overbekende melodieën klinken alsof ze door een multiculturele blender zijn gehaald. Het Latijn van de klassieke solisten wordt beantwoord met hartstochtelijke aanroepen in het Afrikaans. Strakke barokexercities verzachten op vingerpiano’s tot een zee van getokkel, en worden overgenomen door een funky riff op een basgitaar.

De verzameling instrumentalisten en stemmen brengt Oost en West bij elkaar © Chris van den Burght

Over het Kyrie eleison uit het begin van het requiem vertelt Cassol in een interview dat hij dit deel stem voor stem inzet vanuit zowel Congolese als Zuid-Afrikaanse melodieën. Dan pas komt Mozart erin, waardoor je als luisteraar niet meer weet waar de oorsprong ligt van de muziek. Een ‘schemerzone’ noemt hij de ruimte die zo ontstaat. Om zijn vrijmoedige omgang met dit icoon van de westerse klassieke muziek te verantwoorden, verwijst hij naar het historische feit dat Mozart zijn requiem niet voltooide. Hij stierf in 1791 voordat het klaar was, en de fragmenten en schetsen zijn aangevuld en geïnterpreteerd door bevriende collega’s – wie precies en welk aandeel die collega’s daarin hadden, daarover wordt tot op de dag van vandaag gespeculeerd. De film Amadeus, die Mozarts rivaal Salieri de credits geeft, draagt bij aan de mythevorming hierover. Fabrizio Cossel nam als beginpunt Mozarts eigen aanzetten, vanuit de gedachte: als we het zelf eens afmaken, met hulp van artiesten die een andere visie hebben op rouw. Die andere visie voert direct terug tot zijn ervaring bij de Afrikaanse pygmeeën. Hij belandde daar op een uitbundig feest en kwam er pas later achter dat dit een begrafenis was.

De bijdrage van Platel is dat hij, net als bij hun vorige gezamenlijke voorstelling Coup Fatal, geen choreografieën heeft bedacht, maar putte uit het eigen idioom van de zangers en muzikanten. Samen selecteerden ze vooral bewegingen uit begrafenisrituelen. Een van de griotzangers voert een sidderdans uit, ritmisch ondersteund door het schudden van een kralenketting. Er is een dans met een wit zakdoekje dat later ook bij andere performers opduikt – iemand vouwt er een bloem van – en bij de tranentrekker Lacrimoso uitmondt in een collectieve zakdoekjesdans. Het decor dat Platel ontwierp voor Requiem pour L. is een landschap van in hoogte oplopende zwarte, rechthoekige plateaus die aan grafstenen doen denken en aan doodskisten. De performers lopen tussen deze blokken door, zitten op de laagste, leunen tegen de hoogste en gaan er soms bovenop staan. Hun verplaatsingen zijn zorgvuldig gechoreografeerd: ze markeren het begin van een volgend deel, geven het muzikale reliëf een visuele vertaling, ze tonen de compositie. En de performers richten zich middels die verplaatsingen beurtelings tot elkaar, tot het publiek en tot de stervende vrouw op het projectiescherm achter hen.

Het gefilmde stervensproces is de opmerkelijkste toevoeging van Platel aan dit verrijkte requiem. De vrouw in beeld is de L. uit de titel die de registratie van haar dood zelf wilde. Alleen haar gezicht is te zien, het gebloemde kussen waarop haar hoofd rust en de knuffels die bij haar liggen. De film is geluidloos, in vertraging afgespeeld en duurt net zo lang als de voorstelling. Soms zie je de naasten die haar omringen, een hand die haar streelt, iemand die haar kust of van nabij iets zegt. De stervende kijkt naar hen, heft een hand, beweegt haar lippen, sluit haar ogen, opent ze weer. En héél langzaam verdwijnt het leven uit haar gezicht. De opeenvolgende stadia van het requiem lijken mee te golven met haar wegebbende en terugkerende bewustzijn, en kleuren haar laatste levenstekens met gevoelens van verdriet, opstand, berusting, overgave.

Het is heftig, overweldigend intiem, maar ook van een grote schoonheid en waarheid. En het mooie is dat dit gefilmde sterven, een modernistische toevoeging van een in montage gespecialiseerde theatermaker, perfect bij dit requiem past. Het geeft een extra betekenis aan Cossels ‘schemerzone’: die tussen leven en dood. En het maakt een aspect manifest uit het verhaal rondom dit achttiende-eeuwse muziekstuk. Hoewel Mozart het in opdracht schreef van een Oostenrijkse graaf, via een geheimzinnige tussenpersoon die bijdraagt tot de mythevorming, is de wetenschap dat hij tijdens het werken eraan stierf onlosmakelijk verbonden met de interpretatie van het meesterwerk. Een requiem herdenkt het sterven, en de graaf ordonneerde het om zijn overleden vrouw te eren. Maar van begin af aan voelen luisteraars er de doodsstrijd in van de componist. En suggereren interpretatoren dat de geheimzinnige opdrachtgever een product was van Mozarts koortsige geest, of wellicht een afgezant van de dood. Benjamin Britten noemde hem bij zijn Requiem-uitvoering uit 1971 de ‘gray stranger’.

Requiem _pour__ L_. is een stervensritueel. Het ensceneert de dood als een grootse transitie, met de dansers, de musici en het publiek als getuigen en begeleiders. De in liefde stervende vrouw is een voorganger op de weg die iedereen moet gaan. En je zou willen dat elk levenseinde betekenis krijgt in de collectieve bewening én bejubeling van leven en dood.


Requiem pour L. is tot eind 2018 op tournee door Europa; in België te zien in Gent, Brugge en Turnhout; lesballetscdelab.be