Laatste woorden van een beuzelaar

HET HAALDE zelfs de voorpagina van Het Parool: het dagboek van Frank Meyrink, Gottliebs dood, deel 214 uit de serie Privé-domein, de eerbiedwaardige reeks egodocumenten van de Arbeiderspers, is ‘nep’. Gottlieb Freudenacker, ‘de beroemde pedagoog, cultuurfilosoof, architect, dichter en regisseur en niet te vergeten oprichter van de New School’, bestaat niet en achter de naam Frank Meyrink, de jonge vertrouweling en bewonderaar die de laatste jaren van zijn leermeester nauwgezet heeft opgetekend, gaat een schrijver schuil die al eerder heeft gepubliceerd, maar nu zorgvuldig zijn ware identiteit geheim houdt.

Het Parool haalt de directeur van de Arbeiderspers, Ronald Dietz, aan die, zoals het bij een waarachtige mystificatie hoort, vertelt dat hij het manuscript per post ontving en dat de dubbele bodem in de begeleidende brief niet werd onthuld. Een redacteur was er ronduit ingetrapt: hij had het gefingeerde dagboek van a tot z geloofd. Zelf had Dietz snel ontdekt dat het egodocument een pastiche was. Ook Martin Ros, uitgever in ruste en bedenker van Privé-domein, mocht een woordje meespreken in Het Parool: ‘Mevrouw, het is een wonderbaarlijk mooi boek. Ik heb het hier op de allerhoogste stapel liggen, op een ereplaats naast Goethe.’
Natuurlijk werd niet veel later in dezelfde krant hevig gespeculeerd wie zich als Frank Meyrink had verkleed. Want zo gaat dat bij literaire travestie: zodra de verkleedpartij is ontdekt, volgt het spel van uitkleden. Nu interesseert mij het spel van namen noemen niet zozeer; het gaat mij om het literaire spel dat met een dergelijke mystificatie kan worden gespeeld en de grenzen tussen werkelijkheid en verzinsel die schalks kunnen worden getart. Ik denk dan onmiddellijk aan George Perec, die in Het leven een gebruiksaanwijzing een zeer eigenzinnige reisroute door de encyclopedie presenteert. Met duizelingwekkende eruditie beschrijft hij historische perioden, geeft hij kunsthistorische details, laat hij zijn personages - met formule en al - wiskundige of chemische ontdekkingen doen, plegen zijn figuren antropologisch onderzoek in de diepste oerwouden, zoeken ze onontdekte archeologische schatten. Al die zaken worden nog eens gepreciseerd en van een bibliografie voorzien in een uitgebreide index aan het eind van het boek, maar het frustrerende is dat nergens duidelijk wordt wat feit en fictie is, wat werkelijke ontdekkingen zijn en wat aan de fantasie van de schrijver is ontsproten. En ik denk aan Bleek vuur van Vladimir Nabokov, dat de vorm heeft van een wetenschappelijke teksteditie van het lange gedicht van het poëtisch genie John Shade. De letterkundige Charles Kinbote voorziet dat gedicht van voorwoord, commentaar en index en beveelt de lezer aan eerst zijn aantekeningen en dan pas de lyriek te bestuderen: zonder zijn noten hebben Shades coupletten geen menselijke realiteit. Hij raadt zelfs aan de bladzijden met noten uit te knippen en commentaar en poëzie zorgvuldig naast elkaar te leggen. De grap is dat gedicht en aantekeningen helemaal niet bij elkaar aansluiten. Het fantastische relaas van Kinbote overschaduwt de autobiografische poëzie van Shade volkomen; werkelijkheid en verbeelding zijn volledig met elkaar vervlochten.
Gottliebs dood heeft soortgelijke speelse mogelijkheden. Frank Meyrinks dagboek is geënt - daar wordt op het achterplat al op gewezen - op Eckermanns Gespräche mit Goethe in seinen letzten Jahren. De jonge volgeling legt net als Eckermann de laatste jaren - van 20 oktober 1990 tot Gottliebs dood op 24 juni 1992 - van zijn idool vast. De gesprekken die ze samen voerden, de recepties die ze afliepen, de concerten die ze bezochten, de wandelingen die ze maakten - alles is van even groot belang. Alle gedachten, elke losse uitspraak van Gottlieb wordt door zijn bewonderaar op een goudschaaltje gewogen.
Natuurlijk wordt in het gefingeerde dagboek het bekende spel met feit en fictie opgevoerd. Uitvoerig wordt het bezoek van de dichter Bernlef aan het Instituut Freudenacker beschreven. 'Een integer, oprecht man’ en 'een deugdzaam mens’ wordt hij genoemd. Gottlieb ontmoet Michel van der Plas op een receptie van het Vlaamse blad ABC waar hij medewerker van is en hij spreekt met hem over diens Uit het rijke roomse leven en diens onvolprezen Gezelle-biografie. In de luisterrijke partij van ABC (voluit: De Al-Vlaamse Bloemhof en ’t Casteel), met champagne en oesters en al, is met goede wil de kring rond Dietsche Warande en Belfort te herkennen.
Gottliebs dood bevat ook een heus register met personalia en literatuurverwijzingen. Dat wat verzonnen is, krijgt daardoor een aureool van echtheid. De personages krijgen een keurig biografietje met geboortedatum, opleiding, publikaties en nog meer. Het heeft toch iets heel aannemelijks dat Guus voluit drs. August Fincknottel (Delft, 1-4-1954) heet, neerlandicus is en het boek Het allerwitste moment over Bernlef heeft geschreven. Of dat Jan O. naar de naam Ouwehand luistert en onder meer Sexualiteit in subculturen en Het kleine kind heeft gepubliceerd. Dat de annotaties verzorgd zijn door Leen Drogbauer en Roland Gebuere laat weer heel doorzichtig zien dat het om niet meer dan een spelletje gaat.
De vraag is natuurlijk of de mystificatie inderdaad een speels en ingenieus boek oplevert, zo'n boek waarin je als lezer heen en weer wordt geslingerd tussen herkenning en ongeloof, waarachtigheid en bedrog. Helaas, Gottliebs dood is niet zo'n boek. Daarvoor wordt het spel met te weinig overgave gespeeld. Wat is het dan wel? Een vileine sleutelroman is het ook niet, of de sleutel is wel heel ver te zoeken. Moet je het vooral als parodie zien? Maar waarop dan wel?
Hoezeer ik ook gespitst was op satire en parodie, Gottliebs dood leest bovenal als een stierlijk vervelend en slaapverwekkend pseudo-dagboek. Gottlieb is een bejaarde beuzelaar die uitblinkt in antroposofische levenswijsheden over 'zielenontwikkeling’, 'geestesleven’, menselijke 'ik-krachten’, 'wilsactiviteit’, engelen en 'Mercurius-functies’. Zijn biograaf toont zich in zijn proza minstens even bejaard: zijn zinnen zijn van een irritante dweperigheid en negentiende-eeuwse plechtstatigheid. Want zo heb ik het boek maar gelezen, als roman, en als roman krijgt het pas in het tweede deel enige spanning, als Meyrink niet meer 'te hooi en te gras’ zijn toevallige gesprekken met de meester opschrijft, maar samenvat en vertelt, als hij niet meer noteert 'wat Gottlieb zegt, maar vooral ook wat hij doet, of althans: wat er met hem gebeurt.
In dat tweede deel wordt de laatste, dramatische liefde van Gottlieb beschreven, voor de jonge violiste Annet ten Hove, die er ook nog een lesbische relatie op na houdt en niet onvoorwaardelijk voor het grijze genie kiest. Ook hier wordt verwezen naar Goethe: de Duitse Olympiër werd op hoge leeftijd verliefd op de negentienjarige Ulrike von Levetzow en ook die liefde liep ongelukkig af.
Ronald Dietz zei over dit boek dat elke pastiche wat zegt over het genre dat wordt geparodieerd. 'Het zegt zelfs iets over de Arbeiderspers’, voegde hij daar in Het Parool aan toe, 'en het soort boeken dat wij uitgeven.’ Gottliebs dood doet je dan haast denken dat veel egodocumenten behoorlijk aan belang inboeten als je het ego dat centraal staat niet ook op een andere manier kent en waardeert.