Labyrint zonder ingang

Peter Verhelst, Huis van de Aanrakingen. € 19,95

Medium huisvandeaanrakingen

Wat kun je schrijven over een boek dat je niet begrepen hebt? Je kunt zeggen dat je als lezer gefaald hebt. Je kunt ook zeggen dat de schrijver geslaagd is, als hij zo zijn best heeft gedaan de lezer op een dwaalspoor te zetten. Dichter, toneelmaker en romanschrijver Peter Verhelst is met prijzen overladen - vorig jaar nog won hij de Jeugd Gouden Uil, de Woutertje Pieterseprijs, de Gouden Griffel, de Boekenwelp en de Herman de Coninckprijs - en sinds jaar en dag heeft hij de reputatie zo'n schrijver te zijn, een postmodernist in kwadraat, voor wie begrijpelijkheid slechts bijzaak is. De beste beschrijving van hoe het voelt om een roman van Peter Verhelst te lezen, komt van Verhelst zelf, ergens en passant in zijn nieuwste roman Huis van de aanrakingen: ‘Mijn verhaal is het oude verhaal van iemand die in een verborgen stroom de steen heeft gevonden waarop het oeralfabet staat, maar er niet in slaagt het patroon te vinden waarmee hij het kan ontcijferen. Het verhaal van een grandioze mislukking.’
Verhelsts vorige roman, Zwerm (2005), was zo'n grandioze mislukking, een ambitieuze, bij vlagen surrealistische vertelling over de komst van de Apocalyps. Een enkeling die het kon ontcijferen. Verhelst speelt een borgesiaanse kaart; in plaats van dat zijn roman een optelsom is van personages, verhaallijnen en taal, is de som eerder een driedubbele worteldeling met hele en halve delen. Zoiets. In de verhalenboom Huis van de aanrakingen trekt het ene verhaal het andere onderuit. Dan weer is het proza gevoelig, dan weer kaal en hard. Maar Borges dacht in labyrinten, en labyrinten hebben een context: een ingang, een uitgang, muren. Bij Verhelst heeft het meer weg van verdwaald zijn in de teletijdmachine van professor Barabas, verloren tussen de sterren, zwevend tussen tijd en ruimte.
Voorzover er een lijn is in Huis van de aanrakingen is dat 1633, het jaar en het getal. In een gebouw met het huisnummer 1633 wordt archeologe Tomoko Kidman ingewijd in een antiek Japans schaakspel; in 1633 dwingt de paus Galileo Galilei zijn stelling te herroepen dat de aarde om de zon draait; in 1633 gaat de Franse handelsgeneraal Jean-Baptiste Tavernier, in dienst van de Zonnekoning, in India op zoek naar een levende diamant; het is het jaar dat de Japanse shogun alle christenen verbant en inzet op een politiek van extreem isolationisme; het is het jaar dat grootmogol Sjah Jahan begint aan de bouw van een legendarisch grafmonument voor zijn in het kraambed overleden hoofdechtgenote Mumtaz Mahal.
David Foster Wallace, de overleden grote Amerikaanse postmodernist, zei dat er dagelijks '500.000 discrete stukjes informatie op hem afvlogen’, waarvan er misschien 25 belangrijk waren; het was zijn taak als schrijver om te filteren.
Verhelst heeft bewust die filterwerking weggelaten. De lezer ziet terugkerende thema’s, symbolen, namen, zinsneden, woorden (in elk hoofdstuk lijkt bijvoorbeeld het woord 'tong’ te worden vervoegd, veel vingers en handpalmen passeren). Een narratief in taal. Of zo. Hoofdstukken lijken te bestaan uit opsommingen van gevoelens, elementen, feiten (als ze kloppen tenminste, dat zou een hele studie op zich zijn; al staat vast dat de bouw van de Taj Mahal begon in 1632, niet in 1633).
En soms levert dat teder proza op. Een nachtelijke windvlaag over een huid, het fonkelen van de sterren - 'De regendruppels waren zo zacht als amandelolie, traag als acaciahoning en gloeiden na als tijgerbalsem als ze over je lichaam werden gewreven.’ Als Tomoko masturbeert is dat alsof ze 'met haar vingertoppen haar naam in haarzelf schrijft’.
Het enige houvast dat Verhelst de lezer geeft komt in de persoon van de jonge archeologe Tomoko Kidman. Bij opgravingen in Anatolië vindt ze een bolvormig beeldhouwwerk, wellicht het oudste ooit gevonden. We zien haar vanuit alle perspectieven, vanuit de ik-persoon, vanuit de alwetende verteller, vanuit de ogen van de man op wie ze verliefd wordt. In verschillende hoofdstukken komt de beschrijving van Tomoko in letterlijk dezelfde alinea terug:
'Ik heet Tomoko Kidman. 26. Kinderloos. Ongetrouwd. Kaukasisch van gestalte - de genetische kenmerken van mijn mannelijke voorvaderen. Aziatisch van oogleden - de seksuele fantasie van mijn mannelijke voorvaderen. Amerikaans staatsburger. Eerste psychiater op mijn 24ste - het beste bewijs dat ik geen goed patriot ben. Het enige wat de psychiater zei was: “Ontspan je. Doe iets wat je nooit eerder deed.” Een week later zat ik op het vliegtuig naar Turkije. Ik was erbij toen het allereerste mozaïek blootgelegd werd. Ik draag een houthakkershemd en een wijde jeansbroek, op mijn heupen gehouden door een geitenleren riem. Ik draag een lycra topje en broek als ik in het park ga rennen.’
Het is alsof dit de harde feiten zijn. Alsof dit het enige is dat vaststaat aan Tomoko en al het andere literatuur is. Als dat zo is, is Tomoko de sleutel tot het verhaal, aan wie alles gespiegeld dient te worden. De door Tomoko gevonden bol lijkt hier het beslissende symbool; de niet-bolle ogen van Tomoko; Galilei moest zijn ballen van de toren van Pisa gooien; Tavernier zoekt een bolvormige diamant, voor zijn Zonnekoning (Zon = bol); de Taj Mahal is ontworpen als een bolle traan, ter symboliek van rouw. Waar staat de bol voor? Voor verraad, liefde, verlangen, verdriet?
Huis van de aanrakingen is een boek dat ik goed zou willen vinden, de verweving van het universum, waarin alles alles raakt, maar elke uitspraak die ik zou kunnen doen zou zelfoverschatting zijn.

PETER VERHELST
HUIS VAN DE AANRAKINGEN
Prometheus, 330 blz., € 19,95