Lachen om auschwitz

DOE MIJ MAAR een ambulance, zegt Marcel Möring wanneer we op zondagochtend bioscoop Desmet uitlopen. In plaats van op de fiets besluiten we te voet naar de Groene-redactie te gaan. We zijn samen met Jacq Vogelaar. Over de film die we net hebben gezien, spreken we nog niet.

De schrijver en de criticus hebben vaker geschreven over de verbeelding van de Tweede Wereldoorlog in kunst en literatuur. Daarom heb ik ze meegenomen naar La vita è bella, een Italiaanse komedie die haar apotheose kent in een concentratiekamp. De film van de komiek Roberto Benigni, die zelf de hoofdrol speelt, werd bekroond in Cannes. Benigni is de flierefluiter Guido die door Toscane trekt, verliefd wordt en zich vestigt in Arezzo. Daar krijgt hij te maken met de eerste plaagstoten van de fascisten. Hij grapt ze weg. Maar op de verjaardag van zijn zoontje Giosué wordt het kleine gezin gedeporteerd. In de ellende blijft vader Guido grappen maken, en om Giosué mentaal overeind te houden, maakt hij hem wijs dat de reis een verjaardagscadeau is. In het kamp is eigenlijk een groot spel gaande. Wie de meeste punten haalt, wint de hoofdprijs: de grote tank die papa en de andere mannen bouwen.
Aangekomen op de burelen van De Groene beginnen we wat stuntelig aan een gesprek, maar al gauw zegt Möring nogal prompt: ‘Ik kan heel moeilijk oordelen, want ik ben vreselijk geroerd door deze film. In het begin had ik een vaag gevoel van ongeduld, maar op een bepaald moment werd ik geraakt door dingen die niks met de film te maken hebben.’
Vogelaar: 'Zoals?’
Möring: 'Niet zozeer door wat er gebeurt, als wel door het feit dat ìk naar die film kijk. Iemand anders heeft die ontroering waarschijnlijk niet gehad. Ik had hem omdat ik… zeg maar uit een andere achtergrond tap. Dat is nou précies waar ik me altijd tegen verzet bij het kijken naar zo'n film en dat is nou precies wat deze film wél gedaan heeft. Ik heb de laatste drie kwartier constant tranen moeten wegvegen. Dat gebeurt mij nooit bij een film.’
Vogelaar: 'Maar wat was het dan ín de film?’
Möring: 'Het probleem is dat het me niet meer overkomt bij de bekende beelden: Auschwitz, de bergen lijken,enzovoort, enzovoort. Ik heb het gezíen, ik hóef het ook niet meer te zien. Het is een oud verhaal. Waarschijnlijk is het de combinatie van de wanhopige reeks grappen die zich blijft voltrekken, ook in het kamp. In het begin is Benigni een komische acteur die zijn best doet er een leuke film van te maken. Maar naarmate de achtergrond verandert, wordt hij iemand die de grap moet blijven volhouden. En dat krijgt zoiets wanhopigs.’
Vogelaar: 'Dat vond ik behoorlijk overtuigend: die leugen om bestwil. Hij blijft grappen maken om zijn zoontje te redden.’
Möring: 'Het is een sprookje. Nogmaals: ik heb mezelf een beetje overschat. Normaal praat ik over dit soort dingen buitengewoon rationeel en nuchter. En ik ben ook niet geïnteresseerd in al die serieuze films over de oorlog en de kampen. Maar nu dacht ik op een gegeven ogenblik: het moet echt niet veel langer doorgaan, want anders kun je straks Joods Maatschappelijk Werk bellen.’
Vogelaar: 'Dat verbaast me toch een beetje, hoor. Want het is ook gewoon een romantisch verhaal, ik kan me voorstellen dat je daar meer door geraakt bent.’
Möring: 'Nee, nee. Het is toch een soort verplaatsing, een identificatie met mensen uit mijn familie met wie dit gebeurd is. Blijkbaar zorgt deze behandeling, de grappen, ervoor dat ik toch opnieuw ontroerd kan worden, terwijl ik het verhaal… ik kén het!’
Vogelaar: 'Is het dan omdat het zo weinig voorkomt dat iemand grappenderwijs met deze stof omgaat?’
Möring: 'Het onderwerp is dóódgemaakt door de ernst. Dat is ook goed, want het onderwerp hoort dood te zijn zo langzamerhand.’
Vogelaar: 'Daar heeft Benigni ook voor gekozen. Wij weten wat een kamp was en hoe het eruitzag. Hij gebruikt het als decor.’
Möring: 'Ja, als hij de berg met lijken ziet, dan is dat geen echte berg. Dat is duidelijk een beschilderd doek. Ik dacht zelfs dat ik het herkende als een middeleeuwse afbeelding.’
Vogelaar: 'Mensen kunnen zeggen: ja, maar die barakken zagen er toch wel erg schoon uit en ze hadden ook wel erg veel ruimte.’
Möring: 'En waren ook redelijk gevoed.’
Vogelaar: 'Gelukkig heeft Benigni geen pogingen gedaan om het grimeurswerk tot in de perfectie door te voeren. We kennen de coulissen al.’
Möring: 'Maar goed, blijkbaar werkt dat bij mij.’
Vogelaar: 'Dat is toch knap. Het is een komische film en er komen emoties los waar eerder Schindler’s List op gericht was.’
Möring: 'Maar hier zit geen valse emotie in. In een Amerikaanse film zou het jongetje op een gegeven moment hebben gezegd: I love you daddy.’
Vogelaar: 'Hij speelt met kitsch. Ik versta onder kitsch dat er een gevoel getoond wordt en tegelijk verteld wordt hoe je je daarbij moet voelen. Maar wat Benigni doet: hij gaat uit van een cliché dat je ontroert, maar op hetzelfde moment kun je ook verwachten dat er een flauwe grap gaat komen…’
Möring: ’- continu ambigu -’
Vogelaar: ’…en die grap komt juist niet op dat moment, daar is hij ook weer verstandig in. Als ik er zo over nadenk, vind ik hem geraffineerder dan toen ik zat te kijken.’
EEN STERKE SCENE vonden schrijver en criticus die waarin de kleine Giosué in een etalage een bordje ziet hangen. 'Verboden voor joden en honden’ staat erop.
Onmiddellijk vertelt zijn vader hem dat dat toch de normaalste zaak van de wereld is. Verderop is een winkel die geen Chinezen en kangoeroes toelaat. 'Aan welke dieren heb jij een hekel?’ vraagt hij zijn zoontje. 'Aan spinnen’, antwoordt die. Vader Guido vertelt zelf een hekel te hebben aan Westgoten en stelt voor op hun eigen winkel het bordje 'Verboden voor spinnen en voor Westgoten’ te hangen.
Vogelaar: 'Daarmee wordt het niet minder krankzinnig.’
Möring: 'Nee, het wordt sterker.’
Vogelaar: 'Het maakt juist duidelijk hoe krankzinnig het is, want je zou ook kunnen zeggen: verboden voor eekhoorntjes en luciferdoosjes.’
Möring: 'Het steeds een moreel oordeel geven ontbreekt.’
Vogelaar: 'Dat waren goede momenten: het overdrijven. Wanneer het jongetje van kinderen in het kamp heeft gehoord wat er werkelijk gebeurt, zegt zijn vader: “Ja, maar je hebt toch geen mensenovens! Kom nou zeg, dat kan toch niet voorkomen.” Dat maakte toch wel indruk op me, hoor. Die man is in staat het spel op te houden. Hij maakt maar grimassen, maar hij weet dat het niet kan.’
LACHEN OM EEN film in een concentratiekamp, mag dat wel? De vraag wordt onmiddellijk verworpen. Er is maar één vraag belangrijk: zijn de grappen goed of niet?
Vogelaar: 'Schindler’s List was fout. Om allerlei redenen, maar ook omdat het een verschrikkelijk bombastische, sentimentele film was. Dat was een cowboyfilm, maar dan op een ander onderwerp toegepast. Dan mag je de vraag stellen: is het wel hygiënisch om dit te doen?’
Möring: 'Maar er zijn toch geen verboden onderwerpen! Er is ook geen verboden manier om de onderwerpen te behandelen. Er is alleen maar een goede en een slechte manier.’
Möring constateert dat anno 1998 de overlevenden zo langzamerhand opraken. De kampen beginnen geschiedenis te worden. Volgens hem een zeer nuttig en goed proces dat in film en literatuur zijn weerslag vindt. Vogelaar schreef er een artikel over. De literatuur over de kampen begon met een periode waarin de feiten op tafel moesten komen en waarin mensen hun verhaal kwijt konden. Daarop volgde een omslag die Vogelaar aanduidt als 'de herinnering van de herinnering’ en die inhield dat nieuwe vragen belangrijk werden: wat is er daarna gebeurd? Hoe zijn levens door die kampen echt veranderd?
Vogelaar: 'Je krijgt volgende generaties die het zich eigenlijk al niet meer kunnen voorstellen. Waarom niet? Omdat ze met die verdomde plaatjes zitten. Dat maakt het extra moeilijk. Je kunt niet anders aan een kamp denken dan in de symbolen die anderen al voor jou hebben opgeplakt.’
Möring: 'Altijd die witte vlakte met dat gebouwtje van Auschwitz, die spoorrails die er heen gaan.’
Vogelaar: 'Ook Benigni moet ze wel gebruiken in zijn decor. En zo komen we in een situatie die lijkt op een kamp.’
'ER IS GEEN poëzie mogelijk na Auschwitz.’ Möring gruwelt als hij de beruchte uitspraak van Adorno aanhaalt. Vogelaar veert op. Dit is een van de meest verkeerd begrepen zinnen die hij ooit heeft gezien.
Vogelaar: 'Dat ging niet om poëzie, dat ging om cultuurkritiek. Adorno stelt in het stuk waar dat uitgehaald is dat cultuurkritiek onmogelijk is zolang ze deel uitmaakt van de cultuur zelf. Want dan is ze ofwel transcendent - dan móeten er hogere waarden zijn - óf ze is door de barbaars geworden cultuur ook zelf aangetast en zo wordt puur immanente kritiek bijna een contradictio in terminis. Nou, en dan zegt Adorno: “In een cultuur waar het schrijven van poëzie na Auschwitz barbaars is, is de cultuurkritiek al helemaal barbaars.” Het is alleen maar een voorbeeld! Ik heb een stuk van Günter Grass gelezen waarin hij zegt: “Wij dichters waren verschrikkelijk kwaad toen we dat hoorden, maar om eerlijk te zijn: ik heb het artikel nooit gelezen.”
Adorno heeft maar één ding gezegd: “Ja, er is iets wezenlijks veranderd: als je nu poëzie schrijft, dan is dat poëzie na Auschwitz, en dat moet je in je hoofd hebben.” Maar dat is meer een gebod om je kop erbij te houden en de oorlog en de kampen niet af te doen als een incident.’
Möring: 'Ik denk dat je gelijk hebt. Maar die zin is door veel anderen gebruikt.’
Vogelaar: 'Altijd moraliserend.’
Möring: 'Als een wandtegeltje.’
Vogelaar: 'Ik geloof dat het Todorov was die zei: “Je kunt de gewone psychologie niet op de kampen toepassen, want daar gebeurde zoiets exceptioneels.” Dat is eigenlijk ook een mededeling dat je er niet over kunt schrijven of praten. Maar je kunt wel iets anders: je kunt het vergelijkenderwijs doen. Een latere generatie kan er volgens mij alleen maar over schrijven met de vraag: “Wat zou ik hebben gedaan?” Waarom zou je er anders over schrijven? Omdat het zo erg was?’
Möring: 'Ik kan me alleen voorstellen dat je benieuwd bent wat je formeel gezien kunt doen met dit onderwerp. Ik vind dat je in de literatuur een zekere plicht hebt om te zoeken naar andere vormen dan de puur realistische, maar dat gebeurt me nog te weinig. Ik vind zo'n film dan nog redelijk hoopvol.’
Vogelaar: 'Ik denk dat aan deze film een heel simpel idee ten grondslag ligt. Benigni stelt de vraag: wat als een komiek, zo'n idioot als ik, in die trein komt? Hoe doe ik dat? Ga ik huilen of ga ik mijn zoontje sparen en zeggen dat het een groot spel is?’
Vogelaar verzucht: 'Ik zou wensen dat Amerikanen dit zien en bedenken: laten we er een echte Walt Disney-film van maken.’
Möring: 'Maar dat gebéurt. Het kan twintig, vijftig of zeventig jaar duren, maar er komt een moment dat Walt Disney dit als onderwerp neemt. Er zal ook nog wel een opera komen. En een Tweede Wereldoorlog op rolschaatsen. Alle manieren kunnen - als het maar goed gedaan is. Ik ben volstrekt bereid om het verhaal van Auschwitz op rolschaatsen te zien. Als het maar goed gedaan is.’