Gerrit Krol, Rondo Veneziano

Laconieke schoonheid

Gerrit Krol

Rondo Veneziano

Querido, 257 blz., € 16,95

Misschien staat de kernzin van deze merkwaardige roman van Gerrit Krol, die tegelijkertijd een heel literair programma lijkt te verwoorden, vlak voor het einde op pagina 253: «Wat mag je hopen dat er gebeurt?» Dit staat er zomaar, tussen allerlei andere typisch krolliaanse vragen, en plotseling besefte ik dat precies deze zin de roman onwaarschijnlijk scherp in beeld brengt. Wat mag je hopen dat er gebeurt in een boek, wat hoopt een schrijver op te roepen, welke mogelijkheden zijn er? Zijn dit niet precies de vragen die iedere schrijver aan zichzelf moet stellen wanneer hij een roman schrijft? Krol heeft in zijn werk vanaf De rokken van Joy Scheepmaker uit 1962 altijd naar mogelijkheden gezocht: de mogelijkheid van ware liefde, de mogelijkheid iets te snappen, de mogelijkheid van doodstraf, de mogelijkheid van obsessies die nauwelijks uitlegbaar zijn. Het is nooit zijn bedoeling geweest de een of andere mogelijke wereld in het leven te roepen die van rare bedenksels aan elkaar hangt. Hij probeert altijd binnen het reële zo hardnekkig mogelijk te zoeken naar wat er nog meer mogelijk zou kunnen zijn. Wat nog meer mogelijk zou móeten zijn. Hij wil tot mogelijk begrip komen door de wereld in onderdelen uiteen te zetten. Liefst met zinnen die het niet zoeken in bloemrijke metaforen of gewaagde tierelantijnen of die pretenderen de werkelijkheid te «weerspiegelen» of te «vangen». Krol is geen vanger, maar een wijzer.

In Rondo Veneziano stelt Krol dit thema van de mogelijke werelden expliciet aan de orde. Zijn held Pipper bezoekt in Venetië een congres waar beroemde wetenschappers en dichters lezingen houden over hun werk. Pipper zelf is kind aan huis bij deze geleerden, hij kent ze van andere congressen en gaat met ze om als waren zij zijn gelijken. Hij hield op vorige congressen lezingen over bijvoorbeeld de Vier Natuurkundige Krachten en is een specialist op het gebied van priemgetallen. Toch hangt er een zweem van oplichterij om Pipper: hij heeft geen doctorstitel voor zijn naam, hij heeft wel eens in het gevang gezeten en hij is bevreesd om met zijn dubieuze verleden tegen de lamp te lopen. Hij laat zich op het congres vergezellen door de veel jongere en aantrekkelijke Vicky en gaat relaties aan met congresdames.

Krols roman is gemakkelijk op te vatten als een goedmoedige satire op wetenschappelijke congressen, waar de dames en heren professoren zeker ook lezingen geven, maar zich vooral te buiten gaan aan toeristische en erotische escapades. En zo krijgen we een ware dans voorgeschoteld van gebeurtenissen rondom en tijdens de lezingen. Ook Brodsky komt opdagen. Pipper vergezelt hem zelfs naar zijn eigen graf, en op deze manier slaagt Krol erin een van zijn grote helden sprekend en wel op te voeren. Zonder daar dramatisch of al te gevoelig over te doen.

Krol werkt in deze roman niet met een verhaal dat precies van A naar B is uitgezet. Hij verwerkt de lezingen van de verschillende congresdeelnemers tussen de belevenissen van de hoofdpersonen. We lezen dus over Torricelli, over de Acht Boogminuten van Kepler, over de Vijanden van de Poëzie, over Schoonheid in de Wetenschap, maar ook over de escapades van Pipper en Vicky. De samenhang tussen deze twee verhaallijnen is niet expliciet gemaakt. Krol zet de lijnen uit, maar laat ons zelf de verbanden zoeken.

Soms lijkt Krol je in dit boek in slaap te willen wiegen met gortdroog proza dat je eerder in reisbrochures zou verwachten: «Een vrije middag. De zon scheen. Mijn voornemen de Galleria dell’Accademia te bezoeken liet ik varen, het was veel te mooi weer. Ik voelde me jong.» Maar het is je geraden steeds bij de les te blijven, en waakzaam, want voordat je het weet neemt hij je mee in een van die krolliaanse wendingen waar zijn werk altijd bol van staat. En die onweerstaanbaar zijn.

Krol beheerst als geen ander het geheim van de verbluffende inval. Zo heeft hij het een tijdje over de stoom machine en het vacuüm en dan ineens legt hij een verband met het Niets in het werk van Sartre. Of hij noemt «plaats, tijd, temperatuur, druk, volume, massa, kracht, snelheid», alles dus wat meetbaar is, «de acht verborgen zuilen van de Europese beschaving». Krols redeneringen, invallen, aforismen zijn van een laconieke ingetogenheid die in de Nederlandse literatuur onovertroffen is. En daartussendoor glinstert de onophoudelijke zoektocht naar Schoonheid die deze schrijver in al zijn werk najaagt.