Ladida vanuit Brussel

Vakantie doet mijn identiteit geen goed. En nu een paar weken alleen zijn, in den vreemde – weil es mijn Will ist – doet daar nog een schep bovenop. Ik overweeg de aanschaf van een bizarre jurk, ben ieder besef van eigen contouren aan het verliezen, hoor aan de zachte ploffen op het dak dat zich boven mijn hoofd vogels aan het verzamelen zijn. Voor de strijd.

Regressie, ik vind het een moeilijk woord, maar misschien is dat aan de hand. Ik ben weer het kind dat op vakantie in iedere kale man het gevaar ziet. Dat moet huilen bij de aanblik van een schotel fruits de mer. Of als de ober een hoedje op heeft. Vroeger ging mijn vader dan een blokje met me om. Leidde me af met iets, buitenlucht, een fonteintje. Zei dat mijn broer echt niet zou sterven, ook al was hij alleen thuis gebleven.

Ik ben al lang zelf die vader, probeer althans de geruststellende factor te zijn. Maar toch, het kind in mij wil kennelijk nog steeds mee aan de hand genomen worden. Ik geloof in geesten. Ben bang als ik alleen ben. Hoe oud moet je worden om dat niet meer te zijn? Plof, daar landt weer een reuzenvogel op het dak. Misschien schrikken ze als ik het opschrijf.

Vannacht schrok ik wakker, of dit is wat er gebeurde: ik probeerde mezelf uit alle macht wakker te roepen zodat ik degene die om mijn bed zwierf in de ogen kon kijken.

Op de kinderpagina van de NRC stond lang geleden een versje van Rudy Kousbroek, Teddy heette het. Ik scheurde het uit, en kijk er van tijd tot tijd naar:

Lieve Teddy,
Als ik weer van je droom,
Wil je me dan een teken geven,
Zodat ik weet dat jij het echt bent?
Het beste is
Iets te noemen
Dat niemand anders weet,
Zoals je geheime naam.
Ben je het,
Zeg mij dan ook
Welk jaar we zijn
En welke dag het is,
En ach Teddy,
Als je ’t werkelijk bent,
Wil je me dan
Niet wakker maken?

Laat ze mijn huisje voorbij gaan, bad ik, laat ze bij de bovenburen horen…

Zoals je jezelf ook wel eens kunt hóren slapen, ik wel tenminste, zo wist ik vannacht dat ik sliep. Des te enger dat ik twee verdiepingen lager de buitendeur open hoorde gaan. Voor de kapster die hier haar clientèle ontvangt, in gezelschap van een immer keffend hondje, was het te vroeg, en te donker nog. Bij de verdieping direct onder mij had ik nog geen licht gezien de afgelopen dagen, boven dacht ik wel eens wat gestommel te hebben gehoord, maar nog niet was ik iemand op de trap tegengekomen.

Fantoomburen.

Ik hoorde voetstappen, ze stopten niet bij de eerste verdieping maar gingen verder. Steeds duidelijker hoorde ik ze, degelijke rustige voetstappen, laat ze mijn huisje voorbij gaan, bad ik, laat ze bij de bovenburen horen…

De voetstappen hielden halt voor mijn deur. Zonder enige moeite werd de deur geopend, ik hoorde de stappen, zo kalm en bedaard, de kamer door, de keuken, en ja, ik wist dat nu ieder moment de deur van mijn slaapkamer open zou gaan.

Ik lag te wachten tot het moment daar was, en ik zag – vechtend tegen de kauwgumdraden van mijn slaap – de deur open gaan, en ik was niet meer bang. Niet meer écht bang. Ik wist voor negentig procent zeker wie daar stond in de donkerte. Ik kon hem alleen niet zien omdat ik sliep, en ik wilde hem zo graag zien.

In mijn slaap probeerde ik te roepen, maar ik kon alleen maar piepen: ‘Ik weet dat jij het bent, pap. Ik weet het. Maar geef me voor de zekerheid een teken. Laat me weten dat je het echt bent.’ Ik wist dat het tegen de regels was, dat hij alleen bij me kon zijn als ik sliep, maar ik kon me niet bedwingen.

Toen ik mezelf had wakker geroepen, was hij weg. De wekker stond op 4.10. Naast mijn kussen lag het boek dat ik opnieuw aan het lezen ben, Het groene pad, van Anne Enright. ‘Hoe komt het dat de doden in onze dromen een stem hebben maar geen massa?’ schrijft zij. ‘Er is alleen een diep besef dat zij het zijn, het is betekenis zonder woorden.’

Ik lag na te denken over mijn vaders stem, hoe lang ik die al niet meer had gehoord. En dat ik me slapende had moeten houden.