Laffe geschiedenis

Ross King
De omwenteling van Parijs: Over de geboorte van het impressionisme
Vertaald door Ronald Jonkers
De Bezige Bij, 527 blz., € 34,90

In zijn recente Frankrijk in oorlog, 1870-1962 citeert H.L. Wesseling een romanpersonage van Thomas Hardy, dat stelt dat ‘war makes rattling good history’. Dat geldt echter niet alleen voor gewapende conflicten tussen landen of volken, maar ook voor de rivaliteit tussen kunstenaars. Ross King heeft dat bewezen in zijn De koepel van Brunelleschi (2000), het spannende verslag van de keiharde en artistiek uiterst vruchtbare concurrentie tussen Filippo Brunelleschi en Lorenzo Ghiberti, waaraan Florence een reeks van kunstschatten te danken heeft. In zijn daaropvolgende boek, De hemel van de paus (2003) speelde de tegenstelling tussen Michelangelo en Rafaël een belangrijke rol. Op ditzelfde stramien heeft King nu een meeslepende ontstaansgeschiedenis van het impressionisme willen borduren. Voor dit doel heeft hij als antagonisten de even succesvolle als modieuze schilder van historietaferelen Ernest Meissonier en de miskende maar geniale Éduouard Manet gekozen. Een originele keuze, die als voordeel heeft dat de lezer kennismaakt met het oeuvre en de opmerkelijke werkwijze van de thans zo goed als vergeten Meissonier, maar die nog geen ‘zeldzaam goede geschiedenis’ oplevert.

Om te beginnen was er tussen Meissonier en Manet amper sprake van strijd, omdat ze elkaar nauwelijks kenden. Hun eerste contact dateerde waarschijnlijk van 1870, toen tijdens de belegering van Parijs door de Pruisen Meissonier als luitenant-kolonel bij de Nationale Garde diende. Hij liet de eenvoudige soldaat Manet tot luitenant bevorderen en bezorgde hem een baantje bij de generale staf. Hoewel King een boeiend beeld schetst van het kunstleven in Parijs tussen 1863 en 1874 – de eerste impressionisten-tentoonstelling – doet zijn opzet dus nogal gekunsteld aan.

Bedenkelijker is dat de auteur zich opstelt als een soort ‘naoorlogse verzetsheld’, voor wie het kiezen van de ‘goede kant’ niet alleen heel gemakkelijk maar ook zonder enig risico is. Dat het impressionisme een belangrijke fase in het ontstaan van de moderne kunst was, dat weten we inmiddels wel. Daarmee is echter nog niet verklaard waarom schilders als Meissonier en bijvoorbeeld Lawrence Alma Tadema zo geliefd waren. Hun werk afserveren als commerciële kitsch is al te gemakkelijk. Omdat de auteur het bovendien nodig vindt Manet te presenteren als een geniaal kunstenaar die ook nog eens knap en aimabel was, terwijl Meissonier wordt afgeschilderd als een dikke en arrogante kwast, wekt King de indruk vol overgave te schoppen tegen een man die toch al op de grond ligt. Dat is geen goede, maar laffe geschiedenis.