Economie

Lagelonenland

Wordt 2018 eindelijk het jaar van de arbeid? De kloof tussen loongroei en economische groei, die in alle rijke economieën al jaren toeneemt, stelt economen voor raadsels. De loongroei was in Nederland slechts 1,1 procent in 2014-2016, vergeleken met 2,4 procent in 2004-2006, becijfert The Conference Board. Terwijl de werkloosheid nu net zo laag is als toen.

Dat roept de vraag op wat we eigenlijk met ‘economische groei’ bedoelen. Groei van wat, en voor wie? De loonmatiging leidt intussen tot handelsoverschotten, een van de redenen waarom de eurozone kwetsbaar is. En tot groei van de schuld/inkomen-verhouding van huishoudens, een van de factoren die de stabiliteit van economieën wereldwijd bedreigt. Om er iets aan te doen moeten we eerst snappen hoe het komt. Economen leggen daarbij een voorkeur aan de dag voor verhalen die ‘de markt’ of ‘technologie’ als reden aanwijzen, en waar politiek afwezig is.

De markt, dat is de voortgaande toename van het aanbod van (vooral Aziatische) arbeid op de mondiale arbeidsmarkt. Ook al zijn onze werkloosheidscijfers laag, er staat daar nog steeds een leger van werkwilligen klaar. Dat drukt hier de lonen. Een technologische reden is de groei van parttime werk, tijdelijke contracten, en stukwerk via Uber-achtige constructies. Er is daardoor een toename van (vaak onvrijwillige) parttime en tijdelijke werkgelegenheid. Zo bezien zijn de lage werkloosheidscijfers misleidend. Velen zijn parttime werkloos, maar niet in de statistieken.

Maar of dit nu een verklaring is voor de achterblijvende lonen? Onderzoek van Bloomberg laat zien dat in Amerika de laagste lonen juist het hardst stijgen, terwijl daar de vertijdelijking en versnippering van de arbeidsmarkt het grootst is. Een inconsistent verhaal dus. Het Bloomberg-onderzoek is intussen goed nieuws voor weinigverdieners, maar slecht nieuws voor de effectieve vraag. Het is uiteindelijk de goedverdienende middenklasse die de binnenlandse bestedingen zal moeten aanzwengelen.

Het is toch weer, heel ouderwets, kapitaal versus arbeid

Andere vaak genoemde redenen zijn de lage inflatie en lage productiviteitsgroei. Volgens hetzelfde onderzoek van The Conference Board was de inflatie in Nederland slechts 0,2 procent in 2014-2016 (vergeleken met 1,5 procent in 2004-2006). En de productiviteitsgroei in 2014-2016 was met 1 procent de helft van de productiviteitsgroei in 2004-2006. Logisch dus dat de loongroei nu ook lager is dan toen, luidt dan het verhaal. Als prijzen stabiel zijn, hoeven lonen niet te stijgen om toch dezelfde koopkracht te behouden. En waar werknemers minder productief zijn en dus lagere inkomsten genereren in de bedrijven waar ze werken, is minder geld beschikbaar voor loongroei.

Dat lijken logische redeneringen, maar ze hebben ook een hoog kip/ei-gehalte. Stagnerende lonen drukken de inflatie. En waar minder betaald wordt, blijft productiviteitsgroei achter, zoals hoogleraar Kleinknecht al jaren betoogt. Zo bezien blijft de achterblijvende loongroei dus een puzzel – tot we de enorme stijging van de winsten erbij betrekken, juist in de jaren dat de loongroei zo achterbleef. In de VS beloopt de winst van de grote bedrijven nu 9,5 procent van het bbp, fors boven het langjarig gemiddelde sinds 1950 van 6,6 procent. Het CBS berichtte dat Nederlandse bedrijven vorig jaar de hoogste kwartaalwinst boekten sinds 1999. De noot bij de grafiek is verhelderend: ‘In het tweede kwartaal is de winst doorgaans lager omdat in dat kwartaal vakantiegelden worden uitbetaald.’

Zo zit dat dus. Lonen en winsten zijn communicerende vaten. De lonen zouden best kunnen stijgen, want er wordt genoeg verdiend. De winsten rijzen immers de pan uit. Ze groeien sneller dan het bbp, de lonen langzamer. Dat is niet iets van vandaag of gisteren. In de Amerikaanse industrie kelderde het aandeel van lonen in het bbp in de laatste dertig jaar van 67 naar 47 procent. Onderzoek op het niveau van productiefaciliteiten laat zien dat dit bereikt werd door wél de toegevoegde waarde te vergroten (de waarde van verkopen min loon- en andere kosten) maar niet de loonsom. Waar bleef het verschil? Dat ging op aan ingehouden winsten, uitbetaalde dividenden, en rente, fees en andere betalingen aan de financiële sector. Het is toch weer, heel ouderwets, kapitaal versus arbeid.

Het is dus niet slechts een kwestie van achterblijvende productiviteit, lage inflatie, Aziatische concurrentie of de wildgroei van Uber. Onze politici, en wij dus ook, kunnen er gewoon goed mee leven dat de lonen achterblijven bij de winsten. Dit is immers eenvoudig te verhelpen, zoals we jaarlijks laten zien als de wettelijk verplichte vakantiegelden uitbetaald worden. Een wettelijke verplichting zoals de CAO, meer is er niet voor nodig. En wetgeving is een zaak van politiek, niet van de markt of technologie.