Laken en snorharen

‘Je moet er geweest zijn om te kunnen oordelen’ - in zaken van politieke moraal verwerpelijke flauwekul, maar waar het esthetiek betreft zit er wat in. Ooit was de toren van Pisa, talloze malen gezien op foto en televisie, weinig meer dan een gimmick. Eenmaal ter plekke was ik stil van zoveel schoonheid - al schuilt die niet louter in de toren maar in het ‘complet’ met kerk en baptisterium. Stap drie is dat sindsdien dezelfde tv-beelden die ooit ‘o ja, scheef’ opriepen, betekenis hebben en een zweem ontroering wekken.

Net zo zag ik een levenlang beelden van Berlijn, met 1989 als recordjaar, en nam ze ter kennisgeving aan. (Dat is niet helemaal adequaat geformuleerd omdat Berlijn per definitie een andere gevoelswaarde heeft dan Londen, Parijs of Stockholm - maar toch, zelfs de muur was meer een muur dan De Muur). Dit voorjaar kwam ik er eindelijk. Alle clichés bleken waar (‘je kunt geen stap zetten zonder tegen de Geschiedenis aan te botsen’) en daardoor geen cliché meer. Dus keek ik bij beelden van de recente verhuizing uit Bonn mijn ogen heel wat meer uit dan ik had gedaan zonder dat bezoekje: de Rijksdagkoepel was van maquette tot gebouwde werkelijkheid geworden. En nog mooi bovendien. Zelfs het hijskranenwoud werd ervaring in plaats van afbeelding.
Ik was daar met mijn nichtje, ooit tijdelijke Berlinerin, wier lust en leven 'het kinderboek’ is. Zij is in Erich Kästner (van wie ik tot mijn schande nooit iets las) en dwong me tot aanschaf van Fabian: Die Geschichte eines Moralisten. Vreemd dat ik (en velen met mij) het Berlijn van de Weimarrepubliek wel tot me nam via Isherwood (prachtig, daar niet van) maar niet via deze indrukwekkende bitter-satirische queeste.
Dus kijk je of je nog meer Kästner in de kast hebt staan. Zowaar: Dagboek Februari-Augustus 1945. In maart 1945 smokkelt een filmploeg van de UFA volksvijand Kästner mee Berlijn uit naar Mayrhofen in Tirol. Goebbels zelf gaf toestemming voor het draaien aldaar van de speelfilm Het verloren gezicht (!): het zou immers van defaitisme getuigen als er niet 'völkisch’ doorgecreëerd werd.
Maar voor de filmploeg en haar verstekeling is de onderneming slechts poging het vege lijf te redden. Ze draaien pas als de Oostenrijkse dorpelingen, die hen als uitvreters zien, argwanend worden - zij het zonder film in de trommel. Op 3 mei is het zo ver: 'de Ostmark heet weer Oostenrijk.’ De nieuwe regering geeft opdracht de vlag uit te steken.
Dat is, volgens Kästner, voor de bevolking een heel wat groter probleem dan verandering van politieke gezindheid. 'Want je moet niet alleen je vlag naar de wind hangen, het moet ook nog een nieuwe zijn.’ De Oostenrijkse namelijk. Die avond loopt hij door het dorp en kijkt in de na lange verduistering weer verlichte huizen: 'Overal werd het hakenkruis van de Hitlervlag getornd. Overal werden witte lakens verknipt. Verschoten plekken aan de wanden vertelden hoe gemakkelijk behang verschiet en hoe groot het portret van Hitler was geweest. In sommige kamers stonden de huisvaders voor de scheerspiegel en schoren hun tertiaire geslachtskenmerk, het Führersnorretje, van hun bovenlip.’
Laken en snorharen: zo klein is het verschil tussen nazi en democraat. Ik zette het Journaal aan en zag een stralende Jörg Haider. Zou Kästner ook moeder Haider aan de naaimachine hebben gezien?