Het begin van een nieuw jaar is altijd een goed moment om te denken over het einde van de mensheid, al kun je dat tegenwoordig dagelijks naar hartenlust doen.

Met mijn zoon bekeek ik een groot prentenboek dat we vlak voor de jaarwisseling cadeau hadden gekregen. Het heette De vallei en in twaalf prachtige prenten werd de opkomst en ondergang van een beschaving uit de doeken gedaan. Alles was mooi en vreedzaam. Op die ene prent dat er oorlog werd gevoerd leken de mensen eerder in een dans verwikkeld dan in een strijd. De verre toekomst zag er nostalgisch uit, met vliegende mensen, een ruimtestation en een groepje dieren dat demonstreert voor het recht op vers gras. Op de volgende en laatste twee pagina’s stond alles onder water en hadden de mensen plaatsgemaakt voor wonderlijke zeedieren. The End.

Het was alsof je, bij het omslaan van iedere pagina, door de tijd had gereisd en wakker werd in een onherkenbaar nieuwe wereld. Het ene moment waren er nog dinosaurussen, het volgende moment waren ze verdwenen. Op dezelfde manier woonden mensen ineens in huizen en kastelen, lazen ze boeken, sponnen ze garen, bouwden ze treinen en fabrieken. Tussen wie en waarom er oorlog werd gevoerd: een raadsel. Alle context van oorzaak en gevolg was verdwenen, en ook de mensen zelf leken geen idee te hebben hoe ze daar terecht waren gekomen. Goedgeluimd en ontwetend slenterden, renden, sprongen en vlogen ze door de pagina’s, hun eigen uitwissing tegemoet.

Goedgeluimd slenterden de mensen door de pagina’s, hun uitwissing tegemoet

Ik moest denken aan het verhaal The Country of the Blind van H.G. Wells, uit 1904. Een bergbeklimmer komt ten val ergens diep in de Ecuadoraanse Andes. Een pak sneeuw redt hem van de dood, en bij ontwaken blijkt hij te zijn terechtgekomen in een vallei die al honderden jaren is afgesloten van de rest van de wereld. Hij realiseert zich dat hij op het mythische land der blinden is gestuit: een gemeenschap van mensen die door een mysterieuze ziekte al vijftien generaties lang blind worden geboren.

In het land der blinden, denkt de reiziger bij zichzelf, is Eénoog koning. Wat zullen die mensen veel van hem gaan leren, wat zal hij een macht over ze kunnen uitoefenen. Niets, blijkt algauw, is minder waar: de mensen in de vallei zijn al zo lang blind dat de woorden ‘blind’ en ‘zien’ niet eens meer voorkomen in hun vocabulaire. Ze hebben geen idee waar de nieuwkomer het over heeft. Ze geloven dat de wereld begint en eindigt bij hun vallei, en dat die van boven wordt afgesloten door een reusachtige rots. De reiziger noemen ze ‘Bogotá’, omdat ze denken dat dit zijn naam is nadat hij heeft geprobeerd uit te leggen waar hij vandaan komt. Binnen de kortste keren wordt hij beschouwd als de dorpsidioot, gedoogd maar niet de moeite van respect waard. (‘You don’t understand’, roept hij uit met de brekende stem van een waanzinnige, ‘You are blind and I can see!’)

De blinden weten niet wat ze niet weten en wij zijn allemaal tot op zekere hoogte, lijkt me (en lijkt me de boodschap van Wells), de blinden. De voormalige Amerikaanse minister van Defensie Donald Rumsfeld noemde zulke blindheid ‘the unknown unknown’ (ironisch genoeg in zijn speech om de inval in Irak te rechtvaardigen vanwege massavernietigingswapens waarvan we inmiddels allemaal weten dat Irak die niet had). Nassim Nicholas Taleb, voormalig derivatenhandelaar en statisticus, baseerde een hele theorie op de aanname dat we niet weten wat we niet weten. ‘Black Swan events’ noemt hij gebeurtenissen die, voordat ze gebeurden en een enorme stempel drukten op de loop der dingen, op geen enkele manier verbeeld konden worden. De geschiedenis wordt volgens Taleb gedefinieerd door dat soort onvoorstelbare gebeurtenissen. Een komeet die alle dinosaurussen van de aarde vaagt, de industriële revolutie, twee vliegtuigen die de Twin Towers in vliegen en een paar even slepende als zinloze oorlogen in het Midden-Oosten ontketenen. Alleen in retrospectief passen we ze in in een verhaal dat hun plaatsvinden logica verleent.

Dat de vrolijke blindheid van de mensen in de vallei van H.G. Wells’ verhaal overeenkwam met de gemoedstoestand van de poppetjes in het prentenboek van mijn zoon, had ermee te maken dat ze in beide gevallen in een schijnbaar eeuwigdurend heden terecht waren gekomen. Zoals de blinden waren vergeten dat hun voorouders ooit niet blind waren geweest, zo hadden de poppetjes er geen flauw benul van wat er op de voorgaande en volgende pagina’s plaatsvond. De onwaarschijnlijke gebeurtenissen die hun situaties hadden vormgegeven waren buiten beeld gebleven. Misschien was dit waarachtiger dan ieder verhaal dat achteraf iets probeert uit te leggen, of vooraf iets probeert te voorspellen.