De overname van Portugal

Land in uitverkoop

Voor redding uit de crisis wendt Portugal zich tot zijn ex-koloniën. Jongeren en ondernemers stromen naar Brazilië en Angola, terwijl die landen Portugese bedrijven en staatsschuld opkopen.

DE ROMMELIGE havenwijk Alcântara van Lissabon, onflatteus gelegen onder een reusachtige brug, moet het vooral hebben van zijn nachtclubs en bars. Nu de containerschepen er nog maar zelden afmeren is er overdag weinig bedrijvigheid. De grote uitzondering is het Angolese consulaat. Elke dag staan groepjes mensen voor de deur. Zakenmannen, bouwvakkers, managers: allemaal in de weer met papierwerk om een werkvergunning en visum binnen te slepen. Het gaat niet om Angolezen die in Portugal hopen te blijven, zoals decennialang het geval was. De dagelijkse aanstroom bestaat uit Portugezen die in Angola de economische crisis willen ontvluchten.
‘Ik moet wel. Er is hier in Portugal niets meer over’, zegt Vasco Calvalho de Figueiredo, een jonge, smaakvol geklede ondernemer. 'Ik heb een fabriek voor wegverlichting en verkeersborden, maar ik vertrek naar Angola. Het werk en de kansen zijn daar en ze gaan hier voorlopig niet terugkomen ook. Ik verscheep alles: mijn mensen, de machines, het kantoor. Alles.’
De Portugezen trekken niet alleen naar Angola, maar ook naar Brazilië, met tienduizenden per jaar. Zelfs naar Mozambique en Macau. De Angolezen en Brazilianen die in de afgelopen decennia naar Portugal kwamen, gaan juist in steeds grotere aantallen terug. En niet alleen de migratiepatronen tussen de voormalige kolonisator en zijn oude imperium zijn omgedraaid. Op politiek en economisch vlak is het al net zo: de Angolese elite koopt tegen bodemprijzen Portugese staatsbedrijven op, terwijl Portugese ministers om redding in de schuldencrisis komen vragen in landen waar Portugese avonturiers eeuwen geleden hun buit kwamen halen. Zelfs het nietige Oost-Timor wordt niet geschuwd.
'Dit is een postkoloniale rolwisseling die in de wereldgeschiedenis nog nooit eerder is voorgekomen’, zegt Paulo Gorjão, directeur van het Portugese instituut voor internationale betrekkingen. 'Het is in een stroomversnelling gekomen door de Europese crisis, maar het is niet een tijdelijk of toevallig fenomeen. We gaan een lange periode tegemoet waarin landen als Brazilië en Angola hun invloed zullen uitbreiden en we gaan dat merken. Niet alleen Portugal, ook andere Europese landen zullen zich steeds meer gaan richten naar landen die we tot voor kort nog Derde Wereld noemden. Zij groeien door en wij staan stil. We staan pas aan het begin.’
Er zijn maar weinig Europese hoofdsteden waar de geschiedenis zo voelbaar is als Lissabon. Het zit zowel in de gebouwen van de stad als in de aanwezigheid van de zee die de Portugezen naar een wereldrijk leidde en in de mentaliteit van de inwoners. Wie naar de huidige problemen van het land vraagt, zal in de loop van het gesprek er bijna altijd op gewezen worden dat Portugal al eeuwen bestaat en er altijd weer bovenop gekomen is. Uiteindelijk. Deze keer zal het niet anders zijn.
Het is een adequaat verweer tegen de doemstijdingen en waarschuwingen die aan de Portugezen voorbijtrekken. Het avondjournaal is een dagelijkse parade van bezuinigingen en slecht economisch nieuws. Sinds 2008 waarschuwen het IMF en kredietbeoordelaars bijna elke week wel dat het land bijna failliet is. Sinds een paar weken geldt het Portugese schuldenpapier als 'junk’, een waardeloze investering. Vorig jaar duikelden een paar lijken uit de kast - zo bleek op het eiland Madeira een miljard euro 'kwijt’ te zijn - en moest Portugal een noodkrediet van het IMF en de Europese Centrale Bank accepteren om niet failliet te gaan. De minister van Financiën presenteerde daarop naar eigen zeggen 'de pijnlijkste begroting die Portugal ooit heeft gehad’. Het land is sindsdien in de greep van de doem.
Op een heldere januaridag in Alfama, de oude Arabische wijk die zich vanaf de heuvel vlijt van Lissabons kasteel naar de Taag, drinken Vanda (27), Filipa (33) en Sophie (31) op de stoep nog een laatste koffie voor ze de tram nemen naar het presidentieel paleis. De drie, actrices bij een toneelgezelschap, zijn medeorganisators van een flash mob die straks, om zes uur precies, zal opduiken voor de roze residentie van hun staatshoofd. De menigte komt muntjes en voedsel doneren voor hun president. Deze wilde namelijk solidariteit met zijn volk tonen door te bekennen dat ook hij 'moeite zal hebben om de eindjes aan elkaar te knopen’ nu hij net als de andere Portugese oudjes op zijn pensioen is gekort. Toen bleek dat hij een dik aandelenportfolio bezit boven op een maandinkomen van tienduizend euro (terwijl een miljoen Portugezen een pensioen van ergens in de driehonderd euro ontvangen) bracht dat zelfs de doorgaans passieve Portugezen massaal in het geweer.
'Het toont hoe erg de elite is losgezongen van de realiteit’, zegt Filipa. 'We zitten in de ergste economische crisis die dit land ooit heeft gehad, met een berg schulden door dertig jaar corruptie en wanbeheer, en zij leven door alsof er niets aan de hand is. Ze hebben geen idee hoe moeilijk het na vier jaar crisis voor gewone mensen is. Alle kansen en bescherming die er vroeger waren, zijn weg.’ De uitweg uit deze misère weet iedereen. 'Als je als acteur of kunstenaar echt wat wil proberen, ga je naar Brazilië’, zegt Sophie. 'In Europa is het overal moeilijk en heb je het taalprobleem. In Brazilië heeft iedereen wel familie of vrienden, er zijn véél meer kansen dan hier, en de lonen liggen hoger.’
Honderdduizenden andere jonge Portugezen overwegen om naar Brazilië te gaan; honderdduizenden hebben het gedaan. Dat is niet voor het eerst: Portugal exporteert al eeuwen arbeiders en heeft daardoor een diaspora van drie miljoen mensen. Maar de emigranten waren altijd arme boerenjongens uit de dorpen in het binnenland. Nu zijn het hoogopgeleide jongeren uit de steden, het meest waardevolle menselijke kapitaal dat het land te bieden heeft.
Over de omvang van de brain drain bestaan verschillende cijfers. Volgens de krant Jornal de Notícias is Portugal één op de vijf hoogopgeleiden kwijtgeraakt, andere cijfers houden het op één op de tien. De 27-jarige Ana Baraona is in ieder geval sinds twee weken een van hen. Ze haalde een bachelor en master, studeerde nog een jaar in Duitsland en zag sollicitatie na sollicitatie afketsen, ook toen ze begon te solliciteren als lerares. Eind januari nam ze het vliegtuig naar Brazilië. 'Ik dacht altijd dat het wel goed zou komen’, zegt ze telefonisch vanuit Brazilië, twee dagen na aankomst. 'Ik wilde nog best jaren bij mijn ouders wonen en langzaam een carrière bouwen. Ik hou van Portugal en ik wilde niet weg. Maar als je nooit een baan krijgt, niet één!, dan houdt het op. Ik wilde mijn leven beginnen. Hier heb je tenminste het gevoel dat dingen in beweging zijn, mensen zijn positief en vol vertrouwen. Ik zal nooit meer terug kunnen naar de depressiviteit van Portugal.’

DAT BRAZILIË een vluchtweg biedt voor jonge Portugezen is toe te schrijven aan een van de grote mondiale succesverhalen van deze eeuw. In 2004 was de Britse economie nog ruim drie maal zo groot als die van Brazilië, afgelopen december groeide de Braziliaanse economie volgens het IMF de Britse voorbij. Brazilië is daarmee de zesde economie ter wereld en zal over drie jaar al weer een treetje hoger staan.
Twintig jaar geleden was dit onvoorstelbaar geweest. Brazilië ontwaakte toen uit decennia van militaire dictatuur en was een van de grote zorgenkinderen onder de ontwikkelingslanden. Het had een berg aan schulden, een waslijst aan mislukte economische experimenten, de grootste inkomensongelijkheid van de wereld en kende een hyperinflatie van soms 25 procent per maand. Ruim een kwart van de Brazilianen leefde op minder dan een dollar per dag en zij stroomden dan ook en masse naar het buitenland. Naar Portugal, bijvoorbeeld, het land dat Brazilië 322 jaar als kolonie bezat. Nog steeds is vrijwel al het bedienend personeel in Portugese horeca Braziliaans.
Maar toen begon Brazilië te groeien, niet even maar jaar na jaar. Er kwamen banen, geld, een metropool die het New York van Zuid-Amerika werd (São Paulo) en prestigeprojecten zoals het WK voetbal en de Olympische Spelen om het succes te etaleren. Het bijna tweehonderd miljoen inwoners tellende land is nu een van de motors van de mondiale economie. Dat alles zoog de Braziliaanse diaspora terug: een kwart tot dertig procent is de laatste jaren teruggekeerd. Brazilië werd het onbetwiste zwaartepunt in de Portugees sprekende wereld.
'Brazilië had altijd al de meeste inwoners, maar is nu ook het culturele centrum. Eerst verspreidden de Braziliaanse soaps zich, toen de muziek, toen de bedrijven en de migranten’, zegt socioloog Pedro Góis in de weelderige tuin van een culturele stichting. 'Portugal en Brazilië zijn zo sterk verweven geraakt dat veel Portugezen het niet als emigratie zien als ze voor een tijd naar Brazilië vertrekken. De universiteiten en hogescholen zijn gemengd; op Facebook en Twitter lopen de netwerken totaal door elkaar en draaien ze om dezelfde thema’s. Het is één culturele ruimte geworden.’
Misschien voelt het voor Portugezen die naar Brazilië vertrekken niet zo, maar zij maken deel uit van de grootste emigratiegolf in een halve eeuw. Naar schatting wonen een half miljoen tot achthonderdduizend Portugezen (op een bevolking van 10,5 miljoen) in Brazilië. 'Toen Portugal in 1986 lid werd van de Europese Unie luidde dat een lange periode van optimisme in. Dat optimisme is verdwenen en we zien meteen dat mensen uit de top van onze beroepsbevolking beginnen weg te trekken’, zegt Góis, een expert in migratie binnen de Portugees sprekende wereld. 'Het is nog geen ernstig verlies voor Portugal, omdat er nu eerder een brain circulation aan de gang is dan een brain drain. De meeste hoogopgeleiden gaan maar tijdelijk weg en dat is positief: ze krijgen dan ervaring en een internationaal netwerk. Maar een land heeft een limiet aan hoeveel jonge, hoogopgeleide mensen het kan missen binnen één generatie voor je de effecten gaat voelen, en die effecten kunnen heel lang doorwerken. Voor Portugal komt die limiet in zicht.’
De regering doet niets om de stroom emigranten in te dammen. Integendeel: ze moedigt die juist aan als oplossing voor de werkloosheid. Niet alleen de manier van aanmoedigen wekt irritatie - zo suggereerde de minister van Jeugdzaken jonge mensen hun heil elders te zoeken in plaats van 'in hun comfortzone’ te blijven in Portugal - maar ook de 'oplossing’ zelf. Portugal zette twintig jaar lang zwaar in op een 'kenniseconomie’ en daarmee op investeringen in onderwijs. Niet iedereen gelooft in het 'circuleren’ van de opbrengst.
Ook voor andere aspecten van de crisisbestrijding krijgt de Portugese regering maar weinig handen op elkaar. Een reeks noodzakelijke hervormingen is al uitgesteld, afgezwakt of omgebogen. Wel haalt de regering veel geld weg bij sociale uitgaven. Te veel, vinden critici in binnen- én buitenland. Een studie voor de Europese Commissie concludeerde eind vorig jaar dat Portugal er de oneerlijkste crisisbestrijding van Europa op nahoudt: de pijn wordt vooral bij het armste deel van de bevolking gelegd. Dat gaat soms met fantasievolle middelen. Zo heeft de belastingdienst de definitie van 'middenklasse’ omlaag geschroefd tot iemand die meer verdient dan 620 euro bruto per maand (minder dan een uitkering in Nederland), om meer mensen in een hoger belastingtarief te krijgen. Mede daardoor heeft Portugal een groeiende groep 'werkende armen’. Naar schatting leeft één op de vijf Portugezen in armoede.
'Vijftien jaar vooruitgang in armoedebestrijding is binnen twee jaar verdampt’, zegt econoom Carlos Farinha van de Universiteit van Lissabon, vanuit zijn werkkamer met een fantastisch uitzicht over de stad. 'Portugal is het armste land van West-Europa en heeft de grootste inkomensongelijkheid van de hele Europese Unie. De economie draait sterk om gevestigde belangen en die hebben zich tot nu toe met succes verdedigd. Ze hebben geen loyaliteit met armen en jongeren. Dus daar komt de pijn te liggen.’
'De andere ader waaruit wordt getapt, is staatsbezit’, vervolgt Farinha. 'Het IMF en de Europese Unie stelden als voorwaarde voor het noodkrediet een hele lijst met staatsbedrijven op die moeten worden verkocht. Op zich geen slecht idee, want die staatsbedrijven draaien slecht en we moeten schulden afbetalen. Maar als je je inboedel moet verkopen op de bodem van een crisis krijg je er natuurlijk wel een stuk minder voor. Het is uitverkoop in Portugal. De Angolezen hebben er een fantastische tijd.’

'DE ANGOLEZEN’: dat is de kliek rond de Angolese president Eduardo dos Santos. De ommekeer in de band van hun land met Portugal is wel het meest opmerkelijke hoofdstuk in het verhaal van Portugals nieuwe relatie met zijn oude imperium en is uniek voor een Afrikaans land. Het is ook niet zomaar een omslag, want Angola was tot heel kort geleden synoniem met de ergst denkbare misdaden, kindsoldaten en bloeddiamanten. Toen Angola in 1975 onafhankelijk werd, werd het bijna dertig jaar lang ondergedompeld in een vrijwel constante burgeroorlog tussen de 'marxistische’ regeringspartij MPLA en de 'anticommunistische’ rebellenbeweging Unita. Pas in 2002 kwam daar een einde aan. De nieuwe eeuw begint veel beter voor Angola: het kapotgeschoten land werd omhoog gevoerd op de golf van hoge grondstofprijzen. Dat Angola diamanten en koper had was bekend, maar in de laatste jaren werden ook aan de lopende band nieuwe olievelden ontdekt. China kocht de ene na de andere concessie en Angola werd een van de snelst groeiende economieën ter wereld, soms met een groei boven de twintig procent. De stoffige, met kogelgaten, wegdekscheuren en Hummers bezaaide hoofdstad Luanda is volgens consultancybedrijf Mercer inmiddels ’s werelds duurste stad om als expat te wonen.
Nu zijn er voor het oppompen, kappen en opgraven van alle bodemschatten en het bouwen van de infrastructuur veel mensen nodig met de juiste ervaring: bouwarbeiders, managers, elektriciëns, geologen, ingenieurs, enzovoort. Als die ook nog met de Angolezen moeten kunnen praten in hun eigen taal kan Angola maar één kant op: Portugal. En dus stroomden de afgelopen jaren de Portugese gastarbeiders Angola binnen. Het zijn er inmiddels ruim 130.000.
'Iedereen komt hier naartoe om dezelfde redenen: om het werk en om het geld. Je kunt hier tot vier maal zo veel verdienen als in Portugal’, zegt Sandra Coelho, een manager voor Portugese bouwbedrijven, telefonisch vanuit Luanda. 'Het werk is ook leuk, als je tenminste je mentaliteit weet aan te passen. Je hebt hier veel geduld, humor en flexibiliteit nodig. Het is ook nuttig werk. Je helpt heel direct mee aan de opbouw van een verwoest land.’
Ondernemers betreden maagdelijk terrein. Zoals Jaime Fidalgo, die in Angola een zakenweekblad oprichtte. 'Toen ik hier drie jaar geleden kwam, verklaarden mijn vrienden me voor gek’, stelt hij. 'Maar je kunt hier dingen vanaf de grond opbouwen. Alles gaat zo snel, je ziet het voor je ogen veranderen. Angola is booming. Het sleutelwoord is “groei”; in Portugal is het “snijden in de kosten”.’ Of hij zichzelf ziet terugkeren naar Portugal? 'Alleen voor vakantie.’
De kansen, het geld, de wederopbouw: het is de mooie kant van de nieuwe relatie tussen Portugal en Angola. Maar het is maar het halve verhaal. Brazilië is voor Portugal het vriendelijke gezicht van de nieuwe ondergeschiktheid op het wereldtoneel: positief en open naar Portugal, zonder historische ballast. Het andere gezicht is Angola: een verstandshuwelijk met een belast verleden. Je ziet het al in Lissabon, waar veel Portugezen niet weten wat ze moeten vinden van de Angolezen die zich achteloos door de sjiekste boetieks werken en banken kopen waar hun spaargeld staat. Angola is een notoire mensenrechtenschender, de kindersterfte is er het hoogst van de wereld en het wordt gerekend tot de meest corrupte landen op aarde. Moet Portugal zich werkelijk met dat land verstrengelen?
Ook van andere zijde zijn er gemengde gevoelens. In Angola is heel goed onthouden dat de Portugezen er eeuwenlang slavenhandel dreven. Veel Portugese emigranten zijn zich constant van een ongemakkelijke ondertoon bewust. 'Je merkt dat er nog veel woede is over de burgeroorlog. Veel jonge Angolezen houden Portugal verantwoordelijk voor het uitbreken ervan’, zegt Sandra Coelho, de Portugese bouwmanager in Angolese dienst. 'Ook denken veel Angolezen dat we hun banen inpikken, terwijl zij juist opgeleide werkers nodig hebben. En veel Angolezen zijn boos dat hun nieuwe geld naar Portugal verdwijnt. Ze hebben het gevoel dat de Portugezen hun rijkdom weer komen weghalen, terwijl Angola zo onderontwikkeld is. In werkelijkheid wil de regering het geld juist graag in het buitenland stallen, zodat er bezittingen zijn als de olie opdroogt en om te zorgen dat er minder is om over te vechten binnen Angola zelf.’
'Het is ook jammer dat we zo zichtbaar zijn als blanke Portugezen’, vindt Coelho. 'De Portugezen hier leven gesegregeerd, in onze eigen wijken. We gaan in de weekends naar elkaars feestjes. De restaurants en cafés waar we komen zijn te duur voor het gewone volk, terwijl wij de restaurants en de levensstijl van de elite niet kunnen betalen. Ik heb toevallig één Angolese vriendin, maar ik ben een uitzondering. Ik ken niet één Portugees die zich hier echt thuis voelt.’
Maar al is de relatie ongemakkelijk, de machtsverhoudingen zijn duidelijk. Coelho: 'Al leeft de helft van de Angolezen op minder dan twee dollar per dag, de mensen voelen zich rijk omdat de staat nu geld heeft. Je ziet hier werkelijk overal Hummers rondrijden en dat maakt ook arme Angolezen trots. “De wereld heeft Angola nodig”, is iets wat je heel vaak hoort. Het slaat nergens op, maar het illustreert het nationale zelfvertrouwen. De Angolezen zijn een extreem trots volk dat hypergevoelig is voor elke suggestie dat een blanke zich superieur tegen hen gedraagt. Je hoort soms Portugezen praten over “de goede oude tijd”, waarmee zij bedoelen “de tijd dat blanken de baas waren”. Maar dat zal nooit terugkeren. De relatie tussen Angola en Portugal is voorgoed veranderd. De Angolezen willen dat er geen misverstand over bestaat: wíj werken nu voor hén.’
Dat 'werken voor de Angolezen’ wordt ook op nationaal niveau steeds meer werkelijkheid. Angola stalt zijn oliegeld in investeringsfondsen die de noodlijdende Portugese regering doen watertanden. De Portugese premier Pedro Passos Coelho - die opgroeide in Angola - bood Angola al opzichtig de Portugese nationale vliegmaatschappij TAP aan ('we staan zeer positief tegenover Angolese interesse’) plus Portugals vliegvelden. Zo'n vier procent van de op de beurs verhandelbare Portugese bedrijven is al in Angolese handen, waaronder banken, energiebedrijven en telecom. En zoals econoom Farinha zei, is het vaak uitverkoop. Zo kocht de bank van Dos Santos’ dochter Isabel een van Portugals spaarbanken voor een vijfde van de boekwaarde.
Bij een recent staatsbezoek van Passos Coelho aan Angola, bedoeld om Angolese investeringen aan te jagen, was de Angolese president Dos Santos een en al warmte. 'We zijn ons bewust van de moeilijkheden die het Portugese volk recent heeft ontmoet en Angola wil helpen’, sprak hij. 'Op dit moeilijke moment dat de financiële crisis Portugal raakt, is het belangrijk om de historische banden, vriendschap en samenwerking tussen onze landen te herinneren.’ Het zijn het soort milde, vaderlijke woorden die voorheen door Europeanen werden uitgesproken over Afrikanen. Niet andersom.

DE PORTUGESE omarming van zijn voormalige koloniën heeft ook te maken met teleurstelling over Europa. 'Na decennia van dictatuur was het lidmaatschap van de Europese Unie voor Portugal als een soort bestemming’, stelt Paulo Gorjão, directeur van Ipris, het Portugese instituut voor internationale betrekkingen. Maar Portugal haalde de rest nooit bij; het werd het afgelopen decennium juist ingehaald (gerekend naar inkomen per inwoner) door nieuwkomers als Slowakije en Slovenië. En in de eurocrisis is Portugal een van de PIIGS, de landen met de grootste schuldenproblemen. 'Nu Portugal ondanks de Europese integratie in zulke problemen is geraakt, is de strategie “Alles Behalve Europa” geworden’, zegt Gorjão. 'Portugal kijkt voor hulp naar de voor de hand liggende landen ver weg: Brazilië, Angola en China.’
De nationale uitverkoop kan de Portugezen weinig schelen, zegt Gorjão in zijn statige instituut, een prachtig gerenoveerd maar jammerlijk door buitenwijken ingehaald paleis. 'Het grote publiek wil vooral dat de banen en de welvaart blijven, de buitenlandse eigenaars van hun bedrijven interesseren hen niet.’ Maar Portugal verkoopt meer dan zijn werk. 'Angola weet dat het niet alleen bedrijven koopt, maar ook invloed. Portugal is nuttig als ingang in Europa en voor politieke dekking in internationale organisaties. Er zijn in Angola nogal wat problemen met mensenrechten, maar daar zegt Portugal niets meer over. De rol die voor Portugal is weggelegd, is duidelijk. Maar Portugal heeft het geld nodig.’
'We zullen in de toekomst naar meer van dit soort relaties gaan’, vervolgt Gorjão. 'De volgende wordt ongetwijfeld Mozambique, waar ook grote economische groei wordt verwacht. Veel Portugese ondernemers zien Macau als een poort naar China en vestigen zich daar. En Oost-Timor heeft sinds een paar jaar ook een investeringsfonds voor zijn olie-inkomsten. De president heeft al verklaard dat hij bereid is om met dat geld Portugal te helpen.’ De hulp uit Oost-Timor was wederom een unieke gebeurtenis in de wereldgeschiedenis. Het nietige staatje is een van de armste en minst ontwikkelde landen ter wereld en moet zijn tienjarig bestaan nog vieren.
Voor Gorjão zijn het misschien opmerkelijke, maar geen dubieuze ontwikkelingen. Net als veel andere Portugese intellectuelen voorziet hij een vloeiende overgang naar een tijd waarin Europa harmonieus integreert met de wereld en mensen, kapitaal en kennis soepel rond bewegen in een internationale ruimte. 'Dit zijn logische ontwikkelingen in een wereld waar de landen naar elkaar toe groeien’, aldus Gorjão. 'De tijd van de Europese dominantie is voorbij.’