Land met vele verledens

Maria Stepanova vertelt – met twijfels en opwinding – het verhaal over haar niet-heroïsche familie, en wiedt daarmee in het rommelige veld van Ruslands verleden.

Maria Stepanova injecteert de toekomst met verlangen © Valery Shibanov

Maria Stepanova (1972) heeft een heel bijzonder beroep: via haar werk met taal beheert ze de tijd. Als de poëtische stem van haar generatie injecteert ze de toekomst met verlangen. Als hoofdredacteur van Colta, Ruslands grootste online-publicatie over cultuur, voorkomt ze dat het heden bevriest. Als auteur van Voorbij het geheugen (In Memory of Memory, 2017), het eerste boek dat ooit allebei de belangrijkste literaire prijzen van Rusland won, pacificeert ze Ruslands rusteloze verleden. En omdat iedereen die probeert de statische tijdloosheid te doorbreken waarin Rusland door het huidige regime terecht is gekomen automatisch deel gaat uitmaken van het verzet is het geen overdrijving om te stellen dat Stepanova zich in het hart van dit verzet ophoudt.

Stepanova komt niet over als iemand die als vrijwilliger ten strijde zou trekken: ze verheft haar stem alleen tijdens poëzievoordrachten. Maar in de afgelopen vijf jaar is de slinkende publieke ruimte van Rusland zelf een strijdtoneel geworden. Zoals nyu-hoogleraar en filosoof Mikhail Iampolski aantoonde in zijn boek Park Kultury (2018) is staatsgeweld onlangs de enige manier gebleken om het gedepolitiseerde openbare leven van Moskou te reguleren: vervolgingen van kunstenaars (Pussy Riot, Petr Pavlenski, Kirill Serebrennikov), verboden van tentoonstellingen, de meedogenloze reconstructie van straten en parken, tegen de achtergrond van permanente onderdrukking (momenteel worden ruim vierhonderd politieke gevangenen in het hele land achter de tralies gehouden), dienen als middel om tijdelijke hiërarchieën te vestigen van wat geoorloofd is en wat niet. Dit ‘regulatieve geweld’ gaat hand in hand met Moskou’s oppervlakkige europeanisering en renovatie: galerieën, brouwerijen van speciale biertjes en modieuze cafés steken overal de kop op; er worden festivals gehouden; er worden buitenlandse boeken vertaald. Totdat je door het regime te grazen wordt genomen is je persoonlijke comfortzone de grootste ooit uit de Russische geschiedenis.

Maar een dergelijke publieke ruimte, van binnenuit uit zijn voegen barstend door de individuele comfortzones en van buitenaf ineengedrukt door de staat, kent geen plek voor het behoud van alle aspecten van de werkelijkheid. Stepanova weet als geen ander wat deze omstandigheden betekenen: een keuze tussen comfort en wanhoop. Toen we elkaar in januari in Berlijn ontmoetten, legde ze uit: ‘Als het onmogelijk is deze macht te veranderen door middel van een open politieke discussie blijkt dat het geen zin heeft over hen te praten: zij bestaan uit lucht. Daarom vallen wij niet Poetin of de burgemeester van Moskou aan, maar degenen die zich onder ons bevinden. Wij verslinden letterlijk mensen, door iemand te kiezen die zich misschien inderdaad ergens schuldig aan heeft gemaakt, maar hem te behandelen alsof hij ook voor alle andere dingen schuld draagt: omdat hij één van ons is, is hij schuldiger dan Poetin. En dat is heel eng. En het lijkt me dat dit het rechtstreekse gevolg is van het verlies van de wanhoop, want de wanhoop weet dat het niet zo zou moeten zijn.’

Deze situatie is mogelijk geworden doordat Rusland nooit zijn eindeloze trauma’s van de twintigste eeuw heeft verwerkt. In 1992 mislukte de rechtszaak tegen de cpsu (de communistische partij van de Sovjet-Unie); gedurende de jaren negentig heeft Jeltsin de Rehabilitatie-commissie, die de namen van de onschuldige slachtoffers van de sovjetterreur moest zuiveren, de haar toekomende steun onthouden; en sinds het begin van deze eeuw is Poetin, ooit een kgb-kolonel, begonnen de toegang tot de archieven opnieuw te beperken.

In 2018, tijdens een gesprek over Voorbij het geheugen, zei Stepanova over de sovjetgeschiedenis: ‘Er was niet één zwarte tunnel, maar eerder een soort traumatische reeks van aaneengesloten vertrekken. Je ging een kamer binnen, en het plafond viel op je neer, maar je rende al naar de volgende kamer, waar het plafond opnieuw aan het neerkomen was (…) Wij gingen denken dat een catastrofale toestand de normale toestand is.’ Terwijl één enkel trauma van één persoon het voor haar/hem onmogelijk maakt te beschrijven wat er is gebeurd, produceert een traumatische corridor die een heel land door is gegaan een historisch verleden vol gefragmenteerde en elkaar wederzijds uitsluitende versies. ‘We hebben niet één verleden, we hebben er wel vijftien’, merkte Stepanova tijdens een online-lezing in 2016 op.

Het regime profiteert het meest van deze toestand: het valt bij voortduring degenen aan die de ‘foute’ versies steunen, en doet dat in een taal van proclamaties en orders, dezelfde taal waarmee het hedendaagse en historische onderdrukkingen rechtvaardigt. Zoals Masha Gessen het al samenvatte in de titel van haar boek De toekomst is geschiedenis (2017): zo’n samenleving kan zich niets anders voorstellen dan haar wrede verleden, en zij kan niet over de toekomst praten. Als je dat wilt overwinnen moet je uitwijken naar een andere taal.

Dat is precies wat Stepanova in Voorbij het geheugen doet. Ze begint het boek met een probleem: haar voorouders, die grotendeels ‘onaangeraakt’ zijn gebleven door het Rode Wiel van de twintigste eeuw, hebben weinig gedaan om hun verhaal ‘interessant te maken om na te vertellen’. Dit roept twee vragen op: wat heeft het betekend om een niet-catastrofale familie te zijn in een catastrofaal land, en wat betekent het vandaag de dag om in een post-catastrofale samenleving een niet-catastrofaal geheugen te hebben? En, het allerbelangrijkste: hoe kun je daarover praten?

‘Wij gingen denken dat een catastrofale toestand de normale toestand is’

Zoekend naar een antwoord introduceert Stepanova veel denkers en kunstenaars wier werk over het geheugen gaat – zoals Jacques Rancière, Charlotte Salomon en Marianne Hirsch – maar die grotendeels onbekend zijn bij het Russische publiek, waardoor zij een frisse wind laat waaien door de steeds benauwdere culturele ruimte van Rusland (op dezelfde manier zullen Nederlandse lezers kennismaken met Stepanova’s ongebruikelijke overdenkingen over Mandelstam en Tsvetajeva). Tijdens haar reis komt Stepanova met drie manieren van herinneren: ‘De melancholieke, ontroostbare herinnering aan het verlorene, die schade en verlies boekt, in het besef dat er niets valt terug te halen. De herinnering aan het verworvene: verzadigd na de maaltijd, tevreden met de buit. De herinnering aan wat nooit geweest is – die spoken kweekt op de plaats van het geziene, zoals een op de grond gegooid toverkammetje in een Russisch sprookje een open plek verandert in een dicht bos.’

Zolang we in leven zijn doen deze verschillen er voor ons toe: zij bepalen onze relatie met onze herinneringen, onze plek in het heden. Maar naarmate we ons einde naderen, aldus Stepanova, ‘heeft iedereen hetzelfde verzoek: ik denk dat het een verzoek om verlossing is, wat in onze seculiere tijd neerkomt op een verzoek om zich iets te kunnen herinneren’.

We moeten keuzes maken wie en hoe we ons herinneren. Maar het verleden kent geen tijdsverloop en geen hiërarchie, en degenen die erin leefden hebben niets in te brengen over de vraag of zij herinnerd zullen worden, en als dat al het geval is, naast wat of wie. Dit leidt tot een permanent conflict tussen de noodzaak van het aanbrengen van een hiërarchie (die ons, de ‘minderheid van de levenden’, dwingt om keuzes te maken over en ten behoeve van de ‘meerderheid van de doden’) en de noodzaak van gerechtigheid (die van ons eist dat we alles laten zien en iedereen vermelden).

Het verhaal van Stepanova’s overgrootmoeder, Sarra, illustreert deze spanning het best. Je zou met gemak een adembenemende biografie over Sarra’s leven kunnen schrijven: zij was een revolutionair in het tsaristische Rusland, een gevangene in de Petrus-en-Paulusvesting, een student geneeskunde in Parijs tijdens de Eerste Wereldoorlog, een remigrant naar het communistische Rusland, waar ze ‘standhield’, een overlevende van de evacuatie tijdens de Tweede Wereldoorlog, en zelfs van het stalinistische ‘artsencomplot’. Je leest haar brieven van 1905 tot 1915 – het boek heeft speciale tussenhoofdstukken, die bestaan uit brieven of ansichtkaarten van Stepanova’s voorouders – met een gretigheid die voortvloeit uit het lezen van echte geschiedenis. Maar Stepanova zorgt ervoor dat Sarra niet de heldin van het boek wordt. ‘Het was belangrijk voor me om op gelijke voorwaarden over hen allemaal te vertellen, zonder iemand op de voorgrond te plaatsen’, zei ze tegen me. Deze weigering om een hiërarchie onder haar grootouders aan te brengen is verrassend politiek van aard: in een land dat rond de verticale assen van de macht, het geweld en betekenis leeft, is dit niet gebruikelijk.

Na rondgedoold te hebben tussen de raadsels en de tegenstrijdigheden van de herinnering schrijft Stepanova ten slotte over haar familie, en dit is het punt waarop het boek een soort verzetsliteratuur wordt: door zich in haar eigen vrije en bevrijdende taal bezig te houden met de meest omstreden periodes van de sovjetgeschiedenis, zoals de Rode Terreur, eist Stepanova niet alleen het recht op om tegen de dictaten van het regime in te gaan, maar brengt ze dit ook in de praktijk.

Dat geldt bijvoorbeeld voor het verhaal van Ljodik, de neef van Stepanova’s grootvader, die werd gedood tijdens een militaire operatie om in augustus 1942 de belegering van Leningrad te doorbreken. Nadat ze zich intensief met de brieven van Ljodik heeft beziggehouden, komt Stepanova tot de conclusie dat hij nooit over voedsel schreef: anders dan in het belegerde Leningrad, waar mensen de smaak van menselijke lever kenden, kregen de soldaten wel iets te eten; maar hij moet hoe dan ook uitgehongerd zijn geweest! Hij maakt melding van tonsillitis, hoewel bekend is dat soldaten in de frontlinie niet ziek konden zijn: er was geen plek om te gaan liggen. Betekent dit dat hij gewond was? En wat waren zijn beweegredenen om zich aan te sluiten bij de trainingen van de commandanten van het middenkader, ‘die hun soldaten tot de aanval moesten bewegen, maar als eersten vielen – ze sneuvelden bij duizenden’? Dit bevreemdt Stepanova, net als degenen die zijn brieven 77 jaar geleden ontvingen.

Door – met twijfels en opwinding – een verhaal te vertellen over een niet-heroïsche privépersoon wiedt Stepanova in het rommelige veld van Ruslands verleden, en maakt ze van de ontstane ruimte gebruik om nieuwe gewassen te kunnen aanplanten, terwijl ze tegelijkertijd nadenkt over de vraag hoe ze in dit veld terecht is gekomen en wat ze daar doet. Het veld wordt intussen omringd door schurken met toortsen, die opnieuw klaar staan om individuele vrouwen en mannen om te vormen tot een gezichtsloze maar zogenaamd glorieuze massa. Het kan Stepanova hoegenaamd niets schelen.

Belangrijk is dat Stepanova in Voorbij het geheugen geen van de twee gebruikelijke standpunten over de Russische cultuur inneemt – ze beweert niet dat haar tekst tot de Europese traditie behoort (wat alleen maar een gevoel van vervreemding van Europa bevestigt), maar ze beschouwt hem ook niet als voorbeeld van de ‘speciale Russische weg’, een concept dat is gebruikt om de talloze tegenslagen van Rusland te verklaren. Stepanova’s boek is wereldliteratuur, in zeer elegant Russisch geschreven voor de Duitse uitgever Suhrkamp, die eerder belangstelling toonde dan welke Russische uitgever ook. Het betoont respect aan zowel een Russisch als een niet-Russisch publiek door op een zeer hoog gespreksniveau in te zetten.


Yegór Ósipov-Gipsh is een Russisch-Nederlandse wetenschapper en journalist. Vertaling: Menno Grootveld